14 - Przyjaciele i życie socjalne

 0    80 Datenblatt    bartoszkowalewski90
mp3 downloaden Drucken spielen überprüfen
 
Frage Antworten
Zullen we zaterdag iets ___ doen?
Może zrobimy coś fajnego w sobotę?
Lernen beginnen
Zullen we zaterdag iets leuks doen?
Ja leuk, ik ben vrij. | Nee, zaterdag kan ik niet.
leuks
Ga je vanavond met ons ___?
Idziesz dziś wieczorem z nami?
Lernen beginnen
Ga je vanavond met ons mee?
Ja, gezellig! Hoe laat gaan jullie? | Nee, ik sla deze keer over.
mee
Heb je zin om bij ons te komen ___?
Masz ochotę przyjść do nas na kolację?
Lernen beginnen
Heb je zin om bij ons te komen eten?
Ja graag, hoe laat kan ik komen? | Nee bedankt, ik heb al plannen.
eten
Kom je ook naar het ___?
Przyjdziesz też na przyjęcie urodzinowe?
Lernen beginnen
Kom je ook naar het verjaardagsfeest?
Ja, ik ben erbij. | Nee, ik ben helaas niet thuis.
verjaardagsfeest
Mag ik mijn ___ meenemen?
Czy mogę zabrać ze sobą współlokatora?
Lernen beginnen
Mag ik mijn huisgenoot meenemen?
Ja hoor, geen probleem. | Liever niet, we houden het klein.
huisgenoot
Wil je mee naar de ___?
Chcesz iść ze mną do kina?
Lernen beginnen
Wil je mee naar de bioscoop?
Graag, welke film draait er? | Nee bedankt, ik heb vanavond geen zin.
bioscoop
Zullen we zondag samen gaan ___?
Może pójdziemy razem na spacer w niedzielę?
Lernen beginnen
Zullen we zondag samen gaan wandelen?
Ja, lekker! Waar spreken we af? | Nee, ik moet zondag werken.
wandelen
Zullen we een ___ organiseren?
Może zorganizujemy wieczór z grami?
Lernen beginnen
Zullen we een spelletjesavond organiseren?
Ja leuk, ik neem wel een spel mee. | Liever een andere keer, ik ben druk.
spelletjesavond
Kom je morgen ook even ___?
Wpadniesz jutro na chwilę?
Lernen beginnen
Kom je morgen ook even langs?
Ja, na mijn werk kom ik langs. | Nee, morgen lukt het me niet.
langs
Heb je zin in een ___ bij ons?
Masz ochotę na grilla u nas?
Lernen beginnen
Heb je zin in een barbecue bij ons?
Ja, gezellig! Zal ik iets meenemen? | Nee, ik ben dit weekend weg.
barbecue
Wil je bij ons ___?
Chcesz do nas dołączyć?
Lernen beginnen
Wil je bij ons aansluiten?
Ja graag, is er nog plek? | Nee dank je, ik blijf bij mijn vrienden.
aansluiten
Heb je al iets ___ voor vrijdag?
Masz już coś zaplanowanego na piątek?
Lernen beginnen
Heb je al iets afgesproken voor vrijdag?
Ja, ik ga uit eten. | Nee, ik ben nog vrij.
afgesproken
Hoe laat zullen we ___?
O której wyruszamy?
Lernen beginnen
Hoe laat zullen we vertrekken?
Rond zeven uur lijkt me goed. | Liever pas na achten.
vertrekken
Waar zullen we elkaar ___?
Gdzie się spotkamy?
Lernen beginnen
Waar zullen we elkaar ontmoeten?
Voor de ingang van het station. | Bij het café op de hoek.
ontmoeten
Zullen we bij mij ___ afspreken?
Może spotkamy się u mnie w domu?
Lernen beginnen
Zullen we bij mij thuis afspreken?
Ja, dat is prima. | Liever bij mij, als dat kan.
thuis
Heb je een ___ voor een plek?
Masz jakieś preferencje co do miejsca?
Lernen beginnen
Heb je een voorkeur voor een plek?
Ja, ergens waar we rustig kunnen praten. | Nee, ik vind alles prima.
voorkeur
Is het goed als ik iets ___ kom?
Czy nie przeszkadza, jeśli przyjdę trochę później?
Lernen beginnen
Is het goed als ik iets later kom?
Geen probleem, we wachten wel. | Liever op tijd, want we hebben gereserveerd.
later
Laat je weten wanneer je ___ bent?
Dasz znać, kiedy będziesz w drodze?
Lernen beginnen
Laat je weten wanneer je onderweg bent?
Ja, ik stuur een appje. | Ik rijd zelf, dus ik laat het weten als ik er ben.
onderweg
Is iedereen al ___?
Czy wszyscy są już w drodze?
Lernen beginnen
Is iedereen al onderweg?
Ja, ze zijn er zo. | Nee, twee mensen zijn nog thuis.
onderweg
Zal ik de locatie even ___?
Mam przesłać ci lokalizację?
Lernen beginnen
Zal ik de locatie even doorsturen?
Ja graag, dan kan ik navigeren. | Hoeft niet, ik weet waar het is.
doorsturen
Zullen we de plannen even ___?
Może ustalimy wspólnie szczegóły planów?
Lernen beginnen
Zullen we de plannen even afstemmen?
Ja, laten we even bellen. | Niet nodig, alles is al geregeld.
afstemmen
Is het een probleem als ik ___ wegga?
Czy to problem, jeśli wyjdę wcześniej?
Lernen beginnen
Is het een probleem als ik eerder wegga?
Nee hoor, helemaal niet. | Dan mis je wel het laatste deel.
eerder
Hebben we een ___ nodig?
Czy potrzebujemy rezerwacji?
Lernen beginnen
Hebben we een reservering nodig?
Ja, in het weekend wel. | Nee, je kunt gewoon binnenlopen.
reservering
Zal ik een ___ aanmaken?
Mam założyć czat grupowy?
Lernen beginnen
Zal ik een groepsapp aanmaken?
Ja graag, dan kunnen we overleggen. | Nee, we hebben al een groep.
groepsapp
Heeft iemand zin in een ___?
Czy ktoś ma ochotę na coś do picia?
Lernen beginnen
Heeft iemand zin in een drankje?
Ja, voor mij een cola. | Nee, ik heb nog wat.
drankje
Zal ik een ___ halen?
Mam postawić kolejkę napojów?
Lernen beginnen
Zal ik een rondje halen?
Ja graag, voor mij een glas water. | Nee hoor, ik haal zelf wel iets.
rondje
Wil je iets ___?
Chcesz coś bezalkoholowego?
Lernen beginnen
Wil je iets alcoholvrijs?
Ja graag, een alcoholvrij biertje. | Nee bedankt, ik heb nog water.
alcoholvrijs
Is deze stoel nog ___?
Czy to krzesło jest wolne?
Lernen beginnen
Is deze stoel nog vrij?
Ja hoor, ga maar zitten. | Nee, er komt zo iemand.
vrij
Heb je de ___ al gehoord?
Słyszałeś już tę muzykę?
Lernen beginnen
Heb je de muziek al gehoord?
Ja, er draaien leuke nummers. | Nee, ik ben net binnen.
muziek
Is het hier altijd zo ___?
Czy tutaj zawsze jest tak tłoczno?
Lernen beginnen
Is het hier altijd zo druk?
Ja, vooral op vrijdag. | Nee, meestal is het rustiger.
druk
Gaan jullie straks nog ___?
Czy będziecie jeszcze później tańczyć?
Lernen beginnen
Gaan jullie straks nog dansen?
Ja, na dit nummer. | Nee, ik blijf liever zitten.
dansen
Zullen we even naar ___ gaan?
Może wyjdziemy na chwilę na zewnątrz?
Lernen beginnen
Zullen we even naar buiten gaan?
Ja, ik kan wel wat frisse lucht gebruiken. | Nee, ik blijf liever hier.
buiten
Hoe ken je de ___?
Skąd znasz gospodarza imprezy?
Lernen beginnen
Hoe ken je de gastheer?
Van mijn studie. | Via een gemeenschappelijke vriendin.
gastheer
Kennen jullie ___ al?
Czy już się znacie?
Lernen beginnen
Kennen jullie elkaar al?
Ja, we werken samen. | Nee, we hebben elkaar nog niet ontmoet.
elkaar
Is dit je ___ keer op dit feest?
Jesteś na tej imprezie po raz pierwszy?
Lernen beginnen
Is dit je eerste keer op dit feest?
Ja, ik ken hier nog bijna niemand. | Nee, ik kom hier elk jaar.
eerste
Vind je het ___ hier?
Podoba ci się atmosfera tutaj?
Lernen beginnen
Vind je het gezellig hier?
Ja, echt leuk. | Eigenlijk vind ik het wat te druk.
gezellig
Kan ik je jas ___?
Mogę wziąć od ciebie kurtkę?
Lernen beginnen
Kan ik je jas aannemen?
Ja graag, dank je. | Nee hoor, ik hang hem zelf wel op.
aannemen
Mag ik mijn schoenen ___?
Czy mogę zostać w butach?
Lernen beginnen
Mag ik mijn schoenen aanhouden?
Ja hoor, geen probleem. | Liever niet, als je het niet erg vindt.
aanhouden
Kan ik je iets te drinken ___?
Mogę ci zaproponować coś do picia?
Lernen beginnen
Kan ik je iets te drinken aanbieden?
Ja graag, een glas water. | Nee bedankt, ik hoef niets.
aanbieden
Wil je nog een beetje ___?
Chcesz sobie jeszcze trochę nałożyć jedzenia?
Lernen beginnen
Wil je nog een beetje opscheppen?
Ja graag, het is heerlijk. | Nee bedankt, ik zit vol.
opscheppen
Mag ik een glas water ___?
Mogę wziąć sobie szklankę wody?
Lernen beginnen
Mag ik een glas water pakken?
Ja, natuurlijk. | Wacht maar, ik pak er eentje voor je.
pakken
Ben je ergens ___ voor?
Masz na coś alergię?
Lernen beginnen
Ben je ergens allergisch voor?
Ja, voor pinda's. | Nee, nergens voor.
allergisch
Zal ik de tafel alvast ___?
Mam już nakryć do stołu?
Lernen beginnen
Zal ik de tafel alvast dekken?
Ja, fijn als je dat doet. | Nee, ik doe het zo zelf.
dekken
Zal ik je helpen met ___?
Pomóc ci sprzątnąć ze stołu?
Lernen beginnen
Zal ik je helpen met afruimen?
Ja graag, zet de borden maar daar. | Nee hoor, blijf lekker zitten.
afruimen
Mag ik mijn telefoon hier ___?
Mogę tutaj naładować telefon?
Lernen beginnen
Mag ik mijn telefoon hier opladen?
Ja, er ligt een kabel naast de bank. | Helaas, ik heb de juiste kabel niet.
opladen
Waar kan ik mijn tas ___?
Gdzie mogę odłożyć torbę?
Lernen beginnen
Waar kan ik mijn tas neerzetten?
Naast de bank is prima. | In de gang is ook plek.
neerzetten
Wil je nog even ___?
Chcesz jeszcze chwilę zostać?
Lernen beginnen
Wil je nog even blijven?
Ja, gezellig. | Nee, ik moet morgen vroeg op.
blijven
Heb je het een beetje naar je ___?
Dobrze się bawisz?
Lernen beginnen
Heb je het een beetje naar je zin?
Ja hoor, het is heel gezellig. | Het is leuk, maar ik ben best moe.
zin
Mag ik me even ___?
Mogę się przedstawić?
Lernen beginnen
Mag ik me even voorstellen?
Natuurlijk, ik ben Maarten. | Ja hoor, leuk je te ontmoeten.
voorstellen
Mag ik je aan mijn vrienden ___?
Mogę przedstawić cię moim znajomym?
Lernen beginnen
Mag ik je aan mijn vrienden voorstellen?
Ja, leuk! | Liever straks, ik ben even met iets bezig.
voorstellen
Hoe ___ kennen jullie elkaar al?
Jak długo się już znacie?
Lernen beginnen
Hoe lang kennen jullie elkaar al?
Al tien jaar. | Pas sinds vorige maand.
lang
Woon je nog steeds in de ___?
Nadal mieszkasz w okolicy?
Lernen beginnen
Woon je nog steeds in de buurt?
Ja, vlakbij. | Nee, ik ben verhuisd.
buurt
Heb je zin om nog even te blijven ___?
Masz ochotę jeszcze trochę posiedzieć?
Lernen beginnen
Heb je zin om nog even te blijven hangen?
Ja, ik heb geen haast. | Nee, ik ga naar huis.
hangen
Vind je het lastig om nieuwe mensen aan te ___?
Trudno ci zagadywać do nowych ludzi?
Lernen beginnen
Vind je het lastig om nieuwe mensen aan te spreken?
Nee, meestal niet. | Ja, ik vind dat best spannend.
spreken
Is het oké als ik bij jullie kom ___?
Mogę do was dołączyć i stanąć obok?
Lernen beginnen
Is het oké als ik bij jullie kom staan?
Ja hoor, gezellig. | We bespreken net iets persoonlijks, sorry.
staan
Ken je hier ___ veel mensen?
Znasz tutaj właściwie dużo osób?
Lernen beginnen
Ken je hier eigenlijk veel mensen?
Ja, bijna iedereen. | Nee, alleen de organisator.
eigenlijk
Is er nog iemand die ik moet leren ___?
Jest jeszcze ktoś, kogo powinienem poznać?
Lernen beginnen
Is er nog iemand die ik moet leren kennen?
Ja, ik stel je zo voor aan Nina. | Nee hoor, je hebt iedereen al ontmoet.
kennen
Ben jij een beetje van de ___?
Lubisz imprezy?
Lernen beginnen
Ben jij een beetje van de feestjes?
Ja, ik ga graag uit. | Nee, ik hou meer van rustige avonden.
feestjes
Heb je die mensen al ___?
Rozmawiałeś już z tymi ludźmi?
Lernen beginnen
Heb je die mensen al gesproken?
Ja, ze zijn heel aardig. | Nee, nog niet.
gesproken
Zullen we even samen een ___ maken?
Może zrobimy sobie razem zdjęcie?
Lernen beginnen
Zullen we even samen een foto maken?
Ja, leuk! | Liever niet, ik sta niet graag op foto's.
foto
Wie neemt er iets te ___ mee?
Kto przyniesie coś do jedzenia?
Lernen beginnen
Wie neemt er iets te eten mee?
Ik neem wel wat snacks mee. | Ik kan een salade maken.
eten
Zal ik iets voor de groep ___?
Mam coś przynieść dla całej grupy?
Lernen beginnen
Zal ik iets voor de groep meenemen?
Ja, neem maar wat fris mee. | Hoeft niet, we hebben genoeg.
meenemen
Moeten we zelf drinken ___?
Musimy sami zorganizować napoje?
Lernen beginnen
Moeten we zelf drinken regelen?
Ja, iedereen neemt wat mee. | Nee, dat is al geregeld.
regelen
Zullen we de kosten onderling ___?
Może podzielimy koszty między sobą?
Lernen beginnen
Zullen we de kosten onderling verdelen?
Ja, gewoon eerlijk delen. | Nee, ik trakteer vandaag.
verdelen
Zal ik de ___ alvast kopen?
Mam już kupić bilety?
Lernen beginnen
Zal ik de kaartjes alvast kopen?
Ja graag, ik betaal je terug. | Nee, ik heb ze al geregeld.
kaartjes
Kun je het bedrag even ___?
Możesz na razie wyłożyć tę kwotę?
Lernen beginnen
Kun je het bedrag even voorschieten?
Ja hoor, maak het later maar over. | Nee, ik heb nu niet genoeg op mijn rekening.
voorschieten
Zal ik je een ___ sturen?
Mam wysłać ci prośbę o przelew?
Lernen beginnen
Zal ik je een betaalverzoek sturen?
Ja, doe maar. | Nee, ik geef je contant geld.
betaalverzoek
Heeft iedereen al ___?
Czy wszyscy już zapłacili?
Lernen beginnen
Heeft iedereen al betaald?
Ja, alles is binnen. | Nee, ik wacht nog op twee mensen.
betaald
Zijn er nog genoeg ___?
Czy mamy jeszcze wystarczająco dużo przekąsek?
Lernen beginnen
Zijn er nog genoeg hapjes?
Ja, meer dan genoeg. | Nee, we moeten wat bijhalen.
hapjes
Zullen we iemand ___ die alles regelt?
Może wyznaczymy kogoś do zorganizowania wszystkiego?
Lernen beginnen
Zullen we iemand aanwijzen die alles regelt?
Ja, anders wordt het chaos. | Nee, we verdelen het onder elkaar.
aanwijzen
Kun je het vanavond toch niet ___?
Jednak nie dasz rady dziś wieczorem dotrzeć?
Lernen beginnen
Kun je het vanavond toch niet halen?
Jawel, ik ben er om acht uur. | Nee, helaas, ik moet langer werken.
halen
Is er iets ___?
Coś ci wypadło?
Lernen beginnen
Is er iets tussengekomen?
Ja, ik moet onverwacht werken. | Nee, ik ben gewoon wat later.
tussengekomen
Zullen we het maar ___?
Może jednak przełożymy spotkanie?
Lernen beginnen
Zullen we het maar verplaatsen?
Ja, volgende week is beter. | Nee, het kan vanavond nog.
verplaatsen
Vind je het erg als ik ___?
Przeszkadza ci, jeśli odwołam przyjście?
Lernen beginnen
Vind je het erg als ik afzeg?
Nee hoor, geen probleem. | Jammer, we hadden op je gerekend.
afzeg
Zal ik je morgen nog even ___?
Mam jutro jeszcze napisać do ciebie na WhatsAppie?
Lernen beginnen
Zal ik je morgen nog even appen?
Ja, doe maar. | Nee, dat hoeft niet.
appen
Mag ik daar nog even over ___?
Mogę się nad tym jeszcze chwilę zastanowić?
Lernen beginnen
Mag ik daar nog even over nadenken?
Natuurlijk, neem je tijd. | Ik moet het eigenlijk vandaag weten.
nadenken
Kunnen we het bij één drankje ___?
Możemy poprzestać na jednym napoju?
Lernen beginnen
Kunnen we het bij één drankje houden?
Ja, ik moet morgen vroeg op. | Nee joh, blijf nog even!
houden
Heb je zin om nog een stukje te ___?
Masz ochotę jeszcze trochę pospacerować?
Lernen beginnen
Heb je zin om nog een stukje te lopen?
Ja, lekker. | Nee, ik ben behoorlijk moe.
lopen
Vind je het vervelend als ik even ___ ben?
Przeszkadza ci, jeśli pobędę chwilę sam?
Lernen beginnen
Vind je het vervelend als ik even alleen ben?
Nee, ik snap het. | Ik wilde eigenlijk nog even met je praten.
alleen
Zullen we volgende week weer iets ___?
Może znowu umówimy się na coś w przyszłym tygodniu?
Lernen beginnen
Zullen we volgende week weer iets afspreken?
Ja leuk, laten we even appen. | Misschien later, ik heb een drukke week.
afspreken

Sie müssen eingeloggt sein, um einen Kommentar zu schreiben.