|
Frage |
Antworten |
Zullen we zaterdag iets ___ doen? Może zrobimy coś fajnego w sobotę? Lernen beginnen
|
|
Zullen we zaterdag iets leuks doen? Ja leuk, ik ben vrij. | Nee, zaterdag kan ik niet.
|
|
|
Ga je vanavond met ons ___? Idziesz dziś wieczorem z nami? Lernen beginnen
|
|
Ga je vanavond met ons mee? Ja, gezellig! Hoe laat gaan jullie? | Nee, ik sla deze keer over.
|
|
|
Heb je zin om bij ons te komen ___? Masz ochotę przyjść do nas na kolację? Lernen beginnen
|
|
Heb je zin om bij ons te komen eten? Ja graag, hoe laat kan ik komen? | Nee bedankt, ik heb al plannen.
|
|
|
Przyjdziesz też na przyjęcie urodzinowe? Lernen beginnen
|
|
Kom je ook naar het verjaardagsfeest? Ja, ik ben erbij. | Nee, ik ben helaas niet thuis.
|
|
|
Mag ik mijn ___ meenemen? Czy mogę zabrać ze sobą współlokatora? Lernen beginnen
|
|
Mag ik mijn huisgenoot meenemen? Ja hoor, geen probleem. | Liever niet, we houden het klein.
|
|
|
Chcesz iść ze mną do kina? Lernen beginnen
|
|
Wil je mee naar de bioscoop? Graag, welke film draait er? | Nee bedankt, ik heb vanavond geen zin.
|
|
|
Zullen we zondag samen gaan ___? Może pójdziemy razem na spacer w niedzielę? Lernen beginnen
|
|
Zullen we zondag samen gaan wandelen? Ja, lekker! Waar spreken we af? | Nee, ik moet zondag werken.
|
|
|
Zullen we een ___ organiseren? Może zorganizujemy wieczór z grami? Lernen beginnen
|
|
Zullen we een spelletjesavond organiseren? Ja leuk, ik neem wel een spel mee. | Liever een andere keer, ik ben druk.
|
|
|
Kom je morgen ook even ___? Wpadniesz jutro na chwilę? Lernen beginnen
|
|
Kom je morgen ook even langs? Ja, na mijn werk kom ik langs. | Nee, morgen lukt het me niet.
|
|
|
Heb je zin in een ___ bij ons? Masz ochotę na grilla u nas? Lernen beginnen
|
|
Heb je zin in een barbecue bij ons? Ja, gezellig! Zal ik iets meenemen? | Nee, ik ben dit weekend weg.
|
|
|
|
Lernen beginnen
|
|
Wil je bij ons aansluiten? Ja graag, is er nog plek? | Nee dank je, ik blijf bij mijn vrienden.
|
|
|
Heb je al iets ___ voor vrijdag? Masz już coś zaplanowanego na piątek? Lernen beginnen
|
|
Heb je al iets afgesproken voor vrijdag? Ja, ik ga uit eten. | Nee, ik ben nog vrij.
|
|
|
|
Lernen beginnen
|
|
Hoe laat zullen we vertrekken? Rond zeven uur lijkt me goed. | Liever pas na achten.
|
|
|
Waar zullen we elkaar ___? Lernen beginnen
|
|
Waar zullen we elkaar ontmoeten? Voor de ingang van het station. | Bij het café op de hoek.
|
|
|
Zullen we bij mij ___ afspreken? Może spotkamy się u mnie w domu? Lernen beginnen
|
|
Zullen we bij mij thuis afspreken? Ja, dat is prima. | Liever bij mij, als dat kan.
|
|
|
Heb je een ___ voor een plek? Masz jakieś preferencje co do miejsca? Lernen beginnen
|
|
Heb je een voorkeur voor een plek? Ja, ergens waar we rustig kunnen praten. | Nee, ik vind alles prima.
|
|
|
Is het goed als ik iets ___ kom? Czy nie przeszkadza, jeśli przyjdę trochę później? Lernen beginnen
|
|
Is het goed als ik iets later kom? Geen probleem, we wachten wel. | Liever op tijd, want we hebben gereserveerd.
|
|
|
Laat je weten wanneer je ___ bent? Dasz znać, kiedy będziesz w drodze? Lernen beginnen
|
|
Laat je weten wanneer je onderweg bent? Ja, ik stuur een appje. | Ik rijd zelf, dus ik laat het weten als ik er ben.
|
|
|
Czy wszyscy są już w drodze? Lernen beginnen
|
|
Ja, ze zijn er zo. | Nee, twee mensen zijn nog thuis.
|
|
|
Zal ik de locatie even ___? Mam przesłać ci lokalizację? Lernen beginnen
|
|
Zal ik de locatie even doorsturen? Ja graag, dan kan ik navigeren. | Hoeft niet, ik weet waar het is.
|
|
|
Zullen we de plannen even ___? Może ustalimy wspólnie szczegóły planów? Lernen beginnen
|
|
Zullen we de plannen even afstemmen? Ja, laten we even bellen. | Niet nodig, alles is al geregeld.
|
|
|
Is het een probleem als ik ___ wegga? Czy to problem, jeśli wyjdę wcześniej? Lernen beginnen
|
|
Is het een probleem als ik eerder wegga? Nee hoor, helemaal niet. | Dan mis je wel het laatste deel.
|
|
|
Czy potrzebujemy rezerwacji? Lernen beginnen
|
|
Hebben we een reservering nodig? Ja, in het weekend wel. | Nee, je kunt gewoon binnenlopen.
|
|
|
Mam założyć czat grupowy? Lernen beginnen
|
|
Zal ik een groepsapp aanmaken? Ja graag, dan kunnen we overleggen. | Nee, we hebben al een groep.
|
|
|
Heeft iemand zin in een ___? Czy ktoś ma ochotę na coś do picia? Lernen beginnen
|
|
Heeft iemand zin in een drankje? Ja, voor mij een cola. | Nee, ik heb nog wat.
|
|
|
Mam postawić kolejkę napojów? Lernen beginnen
|
|
Ja graag, voor mij een glas water. | Nee hoor, ik haal zelf wel iets.
|
|
|
Chcesz coś bezalkoholowego? Lernen beginnen
|
|
Wil je iets alcoholvrijs? Ja graag, een alcoholvrij biertje. | Nee bedankt, ik heb nog water.
|
|
|
Czy to krzesło jest wolne? Lernen beginnen
|
|
Ja hoor, ga maar zitten. | Nee, er komt zo iemand.
|
|
|
Heb je de ___ al gehoord? Lernen beginnen
|
|
Heb je de muziek al gehoord? Ja, er draaien leuke nummers. | Nee, ik ben net binnen.
|
|
|
Is het hier altijd zo ___? Czy tutaj zawsze jest tak tłoczno? Lernen beginnen
|
|
Is het hier altijd zo druk? Ja, vooral op vrijdag. | Nee, meestal is het rustiger.
|
|
|
Gaan jullie straks nog ___? Czy będziecie jeszcze później tańczyć? Lernen beginnen
|
|
Gaan jullie straks nog dansen? Ja, na dit nummer. | Nee, ik blijf liever zitten.
|
|
|
Zullen we even naar ___ gaan? Może wyjdziemy na chwilę na zewnątrz? Lernen beginnen
|
|
Zullen we even naar buiten gaan? Ja, ik kan wel wat frisse lucht gebruiken. | Nee, ik blijf liever hier.
|
|
|
Skąd znasz gospodarza imprezy? Lernen beginnen
|
|
Van mijn studie. | Via een gemeenschappelijke vriendin.
|
|
|
|
Lernen beginnen
|
|
Ja, we werken samen. | Nee, we hebben elkaar nog niet ontmoet.
|
|
|
Is dit je ___ keer op dit feest? Jesteś na tej imprezie po raz pierwszy? Lernen beginnen
|
|
Is dit je eerste keer op dit feest? Ja, ik ken hier nog bijna niemand. | Nee, ik kom hier elk jaar.
|
|
|
Podoba ci się atmosfera tutaj? Lernen beginnen
|
|
Vind je het gezellig hier? Ja, echt leuk. | Eigenlijk vind ik het wat te druk.
|
|
|
Mogę wziąć od ciebie kurtkę? Lernen beginnen
|
|
Ja graag, dank je. | Nee hoor, ik hang hem zelf wel op.
|
|
|
Mag ik mijn schoenen ___? Czy mogę zostać w butach? Lernen beginnen
|
|
Mag ik mijn schoenen aanhouden? Ja hoor, geen probleem. | Liever niet, als je het niet erg vindt.
|
|
|
Kan ik je iets te drinken ___? Mogę ci zaproponować coś do picia? Lernen beginnen
|
|
Kan ik je iets te drinken aanbieden? Ja graag, een glas water. | Nee bedankt, ik hoef niets.
|
|
|
Wil je nog een beetje ___? Chcesz sobie jeszcze trochę nałożyć jedzenia? Lernen beginnen
|
|
Wil je nog een beetje opscheppen? Ja graag, het is heerlijk. | Nee bedankt, ik zit vol.
|
|
|
Mag ik een glas water ___? Mogę wziąć sobie szklankę wody? Lernen beginnen
|
|
Mag ik een glas water pakken? Ja, natuurlijk. | Wacht maar, ik pak er eentje voor je.
|
|
|
|
Lernen beginnen
|
|
Ben je ergens allergisch voor? Ja, voor pinda's. | Nee, nergens voor.
|
|
|
Zal ik de tafel alvast ___? Lernen beginnen
|
|
Zal ik de tafel alvast dekken? Ja, fijn als je dat doet. | Nee, ik doe het zo zelf.
|
|
|
Zal ik je helpen met ___? Pomóc ci sprzątnąć ze stołu? Lernen beginnen
|
|
Zal ik je helpen met afruimen? Ja graag, zet de borden maar daar. | Nee hoor, blijf lekker zitten.
|
|
|
Mag ik mijn telefoon hier ___? Mogę tutaj naładować telefon? Lernen beginnen
|
|
Mag ik mijn telefoon hier opladen? Ja, er ligt een kabel naast de bank. | Helaas, ik heb de juiste kabel niet.
|
|
|
Waar kan ik mijn tas ___? Gdzie mogę odłożyć torbę? Lernen beginnen
|
|
Waar kan ik mijn tas neerzetten? Naast de bank is prima. | In de gang is ook plek.
|
|
|
Chcesz jeszcze chwilę zostać? Lernen beginnen
|
|
Ja, gezellig. | Nee, ik moet morgen vroeg op.
|
|
|
Heb je het een beetje naar je ___? Lernen beginnen
|
|
Heb je het een beetje naar je zin? Ja hoor, het is heel gezellig. | Het is leuk, maar ik ben best moe.
|
|
|
|
Lernen beginnen
|
|
Mag ik me even voorstellen? Natuurlijk, ik ben Maarten. | Ja hoor, leuk je te ontmoeten.
|
|
|
Mag ik je aan mijn vrienden ___? Mogę przedstawić cię moim znajomym? Lernen beginnen
|
|
Mag ik je aan mijn vrienden voorstellen? Ja, leuk! | Liever straks, ik ben even met iets bezig.
|
|
|
Hoe ___ kennen jullie elkaar al? Jak długo się już znacie? Lernen beginnen
|
|
Hoe lang kennen jullie elkaar al? Al tien jaar. | Pas sinds vorige maand.
|
|
|
Woon je nog steeds in de ___? Nadal mieszkasz w okolicy? Lernen beginnen
|
|
Woon je nog steeds in de buurt? Ja, vlakbij. | Nee, ik ben verhuisd.
|
|
|
Heb je zin om nog even te blijven ___? Masz ochotę jeszcze trochę posiedzieć? Lernen beginnen
|
|
Heb je zin om nog even te blijven hangen? Ja, ik heb geen haast. | Nee, ik ga naar huis.
|
|
|
Vind je het lastig om nieuwe mensen aan te ___? Trudno ci zagadywać do nowych ludzi? Lernen beginnen
|
|
Vind je het lastig om nieuwe mensen aan te spreken? Nee, meestal niet. | Ja, ik vind dat best spannend.
|
|
|
Is het oké als ik bij jullie kom ___? Mogę do was dołączyć i stanąć obok? Lernen beginnen
|
|
Is het oké als ik bij jullie kom staan? Ja hoor, gezellig. | We bespreken net iets persoonlijks, sorry.
|
|
|
Ken je hier ___ veel mensen? Znasz tutaj właściwie dużo osób? Lernen beginnen
|
|
Ken je hier eigenlijk veel mensen? Ja, bijna iedereen. | Nee, alleen de organisator.
|
|
|
Is er nog iemand die ik moet leren ___? Jest jeszcze ktoś, kogo powinienem poznać? Lernen beginnen
|
|
Is er nog iemand die ik moet leren kennen? Ja, ik stel je zo voor aan Nina. | Nee hoor, je hebt iedereen al ontmoet.
|
|
|
Ben jij een beetje van de ___? Lernen beginnen
|
|
Ben jij een beetje van de feestjes? Ja, ik ga graag uit. | Nee, ik hou meer van rustige avonden.
|
|
|
Heb je die mensen al ___? Rozmawiałeś już z tymi ludźmi? Lernen beginnen
|
|
Heb je die mensen al gesproken? Ja, ze zijn heel aardig. | Nee, nog niet.
|
|
|
Zullen we even samen een ___ maken? Może zrobimy sobie razem zdjęcie? Lernen beginnen
|
|
Zullen we even samen een foto maken? Ja, leuk! | Liever niet, ik sta niet graag op foto's.
|
|
|
Wie neemt er iets te ___ mee? Kto przyniesie coś do jedzenia? Lernen beginnen
|
|
Wie neemt er iets te eten mee? Ik neem wel wat snacks mee. | Ik kan een salade maken.
|
|
|
Zal ik iets voor de groep ___? Mam coś przynieść dla całej grupy? Lernen beginnen
|
|
Zal ik iets voor de groep meenemen? Ja, neem maar wat fris mee. | Hoeft niet, we hebben genoeg.
|
|
|
Moeten we zelf drinken ___? Musimy sami zorganizować napoje? Lernen beginnen
|
|
Moeten we zelf drinken regelen? Ja, iedereen neemt wat mee. | Nee, dat is al geregeld.
|
|
|
Zullen we de kosten onderling ___? Może podzielimy koszty między sobą? Lernen beginnen
|
|
Zullen we de kosten onderling verdelen? Ja, gewoon eerlijk delen. | Nee, ik trakteer vandaag.
|
|
|
Zal ik de ___ alvast kopen? Lernen beginnen
|
|
Zal ik de kaartjes alvast kopen? Ja graag, ik betaal je terug. | Nee, ik heb ze al geregeld.
|
|
|
Kun je het bedrag even ___? Możesz na razie wyłożyć tę kwotę? Lernen beginnen
|
|
Kun je het bedrag even voorschieten? Ja hoor, maak het later maar over. | Nee, ik heb nu niet genoeg op mijn rekening.
|
|
|
Zal ik je een ___ sturen? Mam wysłać ci prośbę o przelew? Lernen beginnen
|
|
Zal ik je een betaalverzoek sturen? Ja, doe maar. | Nee, ik geef je contant geld.
|
|
|
Czy wszyscy już zapłacili? Lernen beginnen
|
|
Heeft iedereen al betaald? Ja, alles is binnen. | Nee, ik wacht nog op twee mensen.
|
|
|
Czy mamy jeszcze wystarczająco dużo przekąsek? Lernen beginnen
|
|
Zijn er nog genoeg hapjes? Ja, meer dan genoeg. | Nee, we moeten wat bijhalen.
|
|
|
Zullen we iemand ___ die alles regelt? Może wyznaczymy kogoś do zorganizowania wszystkiego? Lernen beginnen
|
|
Zullen we iemand aanwijzen die alles regelt? Ja, anders wordt het chaos. | Nee, we verdelen het onder elkaar.
|
|
|
Kun je het vanavond toch niet ___? Jednak nie dasz rady dziś wieczorem dotrzeć? Lernen beginnen
|
|
Kun je het vanavond toch niet halen? Jawel, ik ben er om acht uur. | Nee, helaas, ik moet langer werken.
|
|
|
|
Lernen beginnen
|
|
Is er iets tussengekomen? Ja, ik moet onverwacht werken. | Nee, ik ben gewoon wat later.
|
|
|
Może jednak przełożymy spotkanie? Lernen beginnen
|
|
Zullen we het maar verplaatsen? Ja, volgende week is beter. | Nee, het kan vanavond nog.
|
|
|
Vind je het erg als ik ___? Przeszkadza ci, jeśli odwołam przyjście? Lernen beginnen
|
|
Vind je het erg als ik afzeg? Nee hoor, geen probleem. | Jammer, we hadden op je gerekend.
|
|
|
Zal ik je morgen nog even ___? Mam jutro jeszcze napisać do ciebie na WhatsAppie? Lernen beginnen
|
|
Zal ik je morgen nog even appen? Ja, doe maar. | Nee, dat hoeft niet.
|
|
|
Mag ik daar nog even over ___? Mogę się nad tym jeszcze chwilę zastanowić? Lernen beginnen
|
|
Mag ik daar nog even over nadenken? Natuurlijk, neem je tijd. | Ik moet het eigenlijk vandaag weten.
|
|
|
Kunnen we het bij één drankje ___? Możemy poprzestać na jednym napoju? Lernen beginnen
|
|
Kunnen we het bij één drankje houden? Ja, ik moet morgen vroeg op. | Nee joh, blijf nog even!
|
|
|
Heb je zin om nog een stukje te ___? Masz ochotę jeszcze trochę pospacerować? Lernen beginnen
|
|
Heb je zin om nog een stukje te lopen? Ja, lekker. | Nee, ik ben behoorlijk moe.
|
|
|
Vind je het vervelend als ik even ___ ben? Przeszkadza ci, jeśli pobędę chwilę sam? Lernen beginnen
|
|
Vind je het vervelend als ik even alleen ben? Nee, ik snap het. | Ik wilde eigenlijk nog even met je praten.
|
|
|
Zullen we volgende week weer iets ___? Może znowu umówimy się na coś w przyszłym tygodniu? Lernen beginnen
|
|
Zullen we volgende week weer iets afspreken? Ja leuk, laten we even appen. | Misschien later, ik heb een drukke week.
|
|
|