4 - Small talk

 0    50 Datenblatt    bartoszkowalewski90
mp3 downloaden Drucken spielen überprüfen
 
Frage Antworten
Hoe ___ het met je?
Jak się masz?
Lernen beginnen
Hoe gaat het met je?
Goed hoor, en met jou? | Niet zo goed, ik heb een lastige week.
gaat
Alles ___?
Wszystko w porządku?
Lernen beginnen
Alles goed?
Ja hoor, alles is prima. | Nee, niet helemaal. Ik heb wat zorgen.
goed
Hoe gaat het de laatste ___ met je?
Jak ci ostatnio leci? / Jak się ostatnio masz?
Lernen beginnen
Hoe gaat het de laatste tijd met je?
Goed, ik heb het wat rustiger. | Erg druk eigenlijk, ik kom nauwelijks aan rust toe.
tijd
Lang niet ___!
Dawno się nie widzieliśmy!
Lernen beginnen
Lang niet gezien!
Ja, leuk je weer te zien! | Inderdaad, hoe lang is het geleden?
gezien
Hoe voel je je ___?
Jak się dzisiaj czujesz?
Lernen beginnen
Hoe voel je je vandaag?
Ik voel me prima, dank je. | Niet zo lekker, ik ben nogal moe.
vandaag
Ben je weer een beetje ___?
Czujesz się już trochę lepiej?
Lernen beginnen
Ben je weer een beetje opgeknapt?
Ja, gelukkig ben ik weer fit. | Nee, ik ben nog steeds niet helemaal beter.
opgeknapt
Hoe ___ je dag?
Jak minął ci dzień?
Lernen beginnen
Hoe was je dag?
Best goed, ik ben net klaar met werken. | Niet zo fijn, alles liep anders dan gepland.
was
Is er nog iets ___?
Coś nowego?
Lernen beginnen
Is er nog iets nieuws?
Ja, ik ben aan een nieuwe baan begonnen. | Nee, eigenlijk niets bijzonders.
nieuws
Hoe was je ___?
Jak minął weekend?
Lernen beginnen
Hoe was je weekend?
Heerlijk, ik heb het rustig aan gedaan. | Niet zo fijn, ik was ziek.
weekend
Heb je nog iets leuks ___?
Robiłeś coś fajnego?
Lernen beginnen
Heb je nog iets leuks gedaan?
Ja, ik ben met vrienden gaan eten. | Nee, ik ben gewoon thuisgebleven.
gedaan
Nog plannen voor het ___?
Jakieś plany na weekend?
Lernen beginnen
Nog plannen voor het weekend?
Ja, ik ga een stuk fietsen. | Nee, nog geen plannen.
weekend
Wat ga je vanavond ___?
Co robisz dziś wieczorem?
Lernen beginnen
Wat ga je vanavond doen?
Ik ga naar de bioscoop. | Nog niets gepland, ik blijf waarschijnlijk thuis.
doen
Heb je al iets ___ voor morgen?
Masz już coś zaplanowane na jutro?
Lernen beginnen
Heb je al iets gepland voor morgen?
Ja, ik ga bij een vriend langs. | Nee, ik zie morgen wel wat ik doe.
gepland
Ben je dit weekend nog ___?
Wychodziłeś gdzieś w weekend?
Lernen beginnen
Ben je dit weekend nog weggeweest?
Ja, ik ben even naar de stad gegaan. | Nee, ik ben het hele weekend thuisgebleven.
weggeweest
Heb je van je vakantie ___?
Czy urlop był udany?
Lernen beginnen
Heb je van je vakantie genoten?
Ja, ik ben helemaal uitgerust. | Niet echt, het was nogal druk.
genoten
Ga je dit jaar nog op ___?
Wybierasz się jeszcze w tym roku na urlop?
Lernen beginnen
Ga je dit jaar nog op vakantie?
Ja, ik ga nog een week weg. | Nee, dit jaar blijf ik thuis.
vakantie
Was het een beetje ___?
Było przyjemnie / fajna atmosfera?
Lernen beginnen
Was het een beetje gezellig?
Ja, we hebben veel gelachen. | Eerlijk gezegd niet, ik kende bijna niemand.
gezellig
Wat een lekker ___, hè?
Ale ładna pogoda, co?
Lernen beginnen
Wat een lekker weertje, hè?
Ja, heerlijk weer om buiten te zijn. | Ik vind het eigenlijk wat te warm.
weertje
Wat een ___, hè?
Ale paskudna pogoda, co?
Lernen beginnen
Wat een rotweer, hè?
Ja, het blijft maar regenen. | Ach, ik vind het wel meevallen.
rotweer
Heb je het niet ___?
Nie jest ci zimno?
Lernen beginnen
Heb je het niet koud?
Jawel, een beetje. Ik ben mijn jas vergeten. | Nee hoor, ik heb het warm genoeg.
koud
Het is vandaag behoorlijk ___!
Dzisiaj jest naprawdę gorąco!
Lernen beginnen
Het is vandaag behoorlijk warm!
Ja, ik heb wel zin in wat kouds. | Ik vind het juist wel lekker.
warm
Denk je dat het gaat ___?
Myślisz, że będzie padać?
Lernen beginnen
Denk je dat het gaat regenen?
Ja, de lucht wordt al donker. | Nee, volgens mij blijft het droog.
regenen
Heb je het weerbericht ___?
Widziałeś prognozę pogody?
Lernen beginnen
Heb je het weerbericht gezien?
Ja, morgen wordt het droger. | Nee, wat wordt het morgen voor weer?
gezien
Het koelt vanavond flink ___, hè?
Wieczorem mocno się ochładza, co?
Lernen beginnen
Het koelt vanavond flink af, hè?
Ja, ik trek straks een trui aan. | Dat valt volgens mij wel mee.
af
Wat doe je voor ___?
Czym się zajmujesz zawodowo?
Lernen beginnen
Wat doe je voor werk?
Ik werk op kantoor. | Ik zoek op dit moment een baan.
werk
Heb je het naar je ___ op je werk?
Podoba ci się w pracy?
Lernen beginnen
Heb je het naar je zin op je werk?
Ja, ik heb leuke collega's. | Niet echt, ik zoek eigenlijk iets anders.
zin
Ben je vandaag ___?
Masz dziś wolne?
Lernen beginnen
Ben je vandaag vrij?
Ja, ik hoef vandaag niet te werken. | Nee, ik begin vanmiddag.
vrij
Was het een drukke ___?
Miałeś pracowity dzień?
Lernen beginnen
Was het een drukke dag?
Ja, ik ben er behoorlijk moe van. | Nee, het was vrij rustig.
dag
Is het nog druk op je ___?
Nadal masz dużo pracy?
Lernen beginnen
Is het nog druk op je werk?
Ja, we hebben erg veel te doen. | Nee, het is wat rustiger geworden.
werk
Moet je morgen vroeg ___?
Musisz jutro wcześnie wstać?
Lernen beginnen
Moet je morgen vroeg opstaan?
Ja, mijn wekker gaat om zes. | Nee, ik kan morgen uitslapen.
opstaan
Heb je al ___ gehad?
Miałeś już przerwę?
Lernen beginnen
Heb je al pauze gehad?
Ja, ik heb net gegeten. | Nee, ik ga zo even wat eten.
pauze
Woon je hier al ___?
Mieszkasz tu już długo?
Lernen beginnen
Woon je hier al lang?
Ja, ik woon hier al vijf jaar. | Nee, ik ben pas verhuisd.
lang
Woon je een beetje in de ___?
Mieszkasz gdzieś w pobliżu?
Lernen beginnen
Woon je een beetje in de buurt?
Ja, op tien minuten lopen. | Nee, ik ben met de auto een halfuur onderweg.
buurt
Ben je hier ___?
Wychowałeś się tutaj?
Lernen beginnen
Ben je hier opgegroeid?
Ja, ik woon hier al sinds mijn jeugd. | Nee, ik ben hier later komen wonen.
opgegroeid
Waar kom je oorspronkelijk ___?
Skąd pierwotnie pochodzisz?
Lernen beginnen
Waar kom je oorspronkelijk vandaan?
Ik kom oorspronkelijk uit Polen. | Ik kom uit Duitsland, maar woon hier al een tijdje.
vandaan
Hoe kennen jullie elkaar ___?
Skąd się właściwie znacie?
Lernen beginnen
Hoe kennen jullie elkaar eigenlijk?
We kennen elkaar van het werk. | We hebben elkaar via vrienden leren kennen.
eigenlijk
Ben je hier ___ geweest?
Bywałeś tu wcześniej?
Lernen beginnen
Ben je hier vaker geweest?
Ja, ik kom hier regelmatig. | Nee, dit is mijn eerste keer.
vaker
Wat vind je van de ___?
Co sądzisz o okolicy?
Lernen beginnen
Wat vind je van de buurt?
Ik vind het hier best gezellig. | Het is me hier iets te druk.
buurt
Wat doe je in je vrije ___?
Co robisz w wolnym czasie?
Lernen beginnen
Wat doe je in je vrije tijd?
Ik ga graag naar de sportschool. | Ik kijk graag een serie en blijf liever thuis.
tijd
Doe je nog aan ___?
Uprawiasz jakiś sport?
Lernen beginnen
Doe je nog aan sport?
Ja, ik boks twee keer per week. | Nee, op dit moment niet.
sport
Heb je nog een leuke ___?
Masz jakieś fajne hobby?
Lernen beginnen
Heb je nog een leuke hobby?
Ja, ik hou erg van koken. | Niet echt, ik heb er weinig tijd voor.
hobby
Volg jij die serie ___?
Też oglądasz ten serial?
Lernen beginnen
Volg jij die serie ook?
Ja, ik ben bij het tweede seizoen. | Nee, ik heb hem nog niet gezien.
ook
Heb je de wedstrijd ___?
Widziałeś mecz?
Lernen beginnen
Heb je de wedstrijd gezien?
Ja, het was spannend. | Nee, ik heb alleen de uitslag gehoord.
gezien
Heb je dat al ___?
Słyszałeś już o tym?
Lernen beginnen
Heb je dat al gehoord?
Ja, ik hoorde het vanochtend. | Nee, vertel eens!
gehoord
Vind je het erg als ik erbij kom ___?
Przeszkadza ci, jeśli się dosiądę?
Lernen beginnen
Vind je het erg als ik erbij kom zitten?
Nee hoor, ga gerust zitten. | Sorry, ik houd deze plek vrij voor een vriend.
zitten
Zullen we binnenkort eens wat ___?
Może wyskoczymy niedługo na coś do picia?
Lernen beginnen
Zullen we binnenkort eens wat drinken?
Ja, lijkt me gezellig. | Liever niet, ik heb het momenteel nogal druk.
drinken
Heb je zin om mee te ___?
Masz ochotę pójść z nami?
Lernen beginnen
Heb je zin om mee te gaan?
Ja, leuk! Hoe laat gaan we? | Nee bedankt, ik blijf vanavond thuis.
gaan
Hoe laat spreken we ___?
Na którą się umawiamy?
Lernen beginnen
Hoe laat spreken we af?
Zeven uur komt me goed uit. | Dat weet ik nog niet. Ik laat het je weten.
af
Komt het je morgen een beetje ___?
Pasuje ci jutro?
Lernen beginnen
Komt het je morgen een beetje uit?
Ja, morgen komt het me prima uit. | Nee, morgen lukt niet. Kan het overmorgen?
uit
Ben je er straks ook ___?
Będziesz później też z nami?
Lernen beginnen
Ben je er straks ook bij?
Ja, maar ik kom wat later. | Nee, helaas niet. Ik heb andere plannen.
bij

Sie müssen eingeloggt sein, um einen Kommentar zu schreiben.