Lekcja 4 powtorka A1

 0    45 Datenblatt    justynagintowtveghel
mp3 downloaden Drucken spielen überprüfen
 
Frage Antworten
dzial + pl
Lernen beginnen
de afdeling/ de afdelingen
Pracuję w dziale produkcji.
Lernen beginnen
Ik werk op de productieafdeling.
skonczyc
Lernen beginnen
afgelopen zijn
Mój urlop się skończył.
Lernen beginnen
Mijn vakantie is afgelopen.
Przerwa się skończyła.
Lernen beginnen
De pauze is afgelopen.
Lekcja prawie się skończyła.
Lernen beginnen
De les is bijna afgelopen.
skrot
Lernen beginnen
de afkorting
skonczyc
Lernen beginnen
afmaken
Muszę skończyć moją pracę.
Lernen beginnen
Ik moet mijn werk afmaken.
Najpierw dopiję kawę.
Lernen beginnen
Ik maak eerst mijn koffie af.
Możesz to dzisiaj skończyć?
Lernen beginnen
Kun je dit vandaag nog afmaken?
Chcę dokończyć ten film.
Lernen beginnen
Ik wil deze film afmaken.
Dokończ pracę domową!
Lernen beginnen
Maak je huiswerk af!
Już skończyłam swoją pracę.
Lernen beginnen
Ik heb mijn werk al afgemaakt.
Dokończymy to jutro.
Lernen beginnen
We maken het morgen af.
wylogowac sie
Lernen beginnen
zich afmelden
Chcę się wypisać z kursu.
Lernen beginnen
Ik wil me afmelden voor de cursus.
Muszę zgłosić, że nie będę na spotkaniu.
Lernen beginnen
Ik moet me afmelden voor de vergadering.
Czy możesz odpowiednio wcześniej zgłosić swoją nieobecność?
Lernen beginnen
Kun je je op tijd afmelden?
Jestem chora, więc zgłaszam nieobecność.
Lernen beginnen
Ik ben ziek, dus ik meld me af.
spotkanie, umowa + pl
Lernen beginnen
de afspraak/ de afspraken
uzgodnic
Lernen beginnen
afspreken
Uzgadniamy, że zaczynamy jutro.
Lernen beginnen
We spreken af dat we morgen beginnen.
Uzgodniliśmy, że zrobimy to razem.
Lernen beginnen
We hebben afgesproken om het samen te doen.
Tak to uzgodniliśmy.
Lernen beginnen
Dat hebben we zo afgesproken.
Musimy dokonać jasnych ustaleń
Lernen beginnen
We moeten duidelijke afspraken maken.
Umówiłam się jutro z koleżanką.
Lernen beginnen
Ik heb morgen met een vriendin afgesproken.
Może umówimy się w sobotę?
Lernen beginnen
Zullen we zaterdag afspreken?
Gdzie się umawiamy?
Lernen beginnen
Waar spreken we af?
Umawiamy się na 10:00.
Lernen beginnen
We spreken om 10 uur af.
odpady
Lernen beginnen
het afval
Wyrzucam śmieci.
Lernen beginnen
Ik gooi het afval weg.
Gdzie mogę wyrzucić śmieci?
Lernen beginnen
Waar kan ik mijn afval weggooien?
Odpady muszą być segregowane.
Lernen beginnen
Het afval moet gescheiden worden.
Możesz wystawić śmieci na zewnątrz?
Lernen beginnen
Kun je het afval buiten zetten?
Kosz na śmieci jest pełny.
Lernen beginnen
De afvalbak is vol.
myc naczynia
Lernen beginnen
afwassen
Muszę jeszcze pozmywać.
Lernen beginnen
Ik moet nog afwassen.
Zmywam talerze.
Lernen beginnen
Ik was de borden af.
czy mozesz dzisiaj pozwmywac?
Lernen beginnen
Kun jij vandaag afwassen?
Po jedzeniu zmywam.
Lernen beginnen
Na het eten was ik af.
On nie lubi zmywać.
Lernen beginnen
Hij houdt niet van afwassen.
Nie musimy zmywać, mamy zmywarkę.
Lernen beginnen
We hoeven niet af te wassen, we hebben een vaatwasser.
naczynia do zmywania / zmywanie
Lernen beginnen
de afwassen, de afwas
zmywarka
Lernen beginnen
de watwasser

Sie müssen eingeloggt sein, um einen Kommentar zu schreiben.