Lekcja 7-8

 0    256 Datenblatt    Damian Danielewicz
mp3 downloaden Drucken spielen überprüfen
 
Frage Antworten
siadać/usiąść do stołu
Lernen beginnen
aan tafel gaan
ging, gingen, (z) gegaan
siedzieć przy stole
Lernen beginnen
aan tafel zitten
zat, zaten, (h) gezeten
ziemniak
Lernen beginnen
de aardappel
de(m) pl. aardappelen/s
odcedzić
Lernen beginnen
afgieten
goot af, gooten af, (h) afgegoten
truskawka
Lernen beginnen
de aardbei
de(m/v), pl. aardbeien
rozliczać się/zapłacić
Lernen beginnen
afrekenen
rekende af, rekenden af, (h) afgerekend
doprawić
Lernen beginnen
afsmaken
smaakte af, smaakten af, (h) afgesmaakt
alkohol
Lernen beginnen
de alcohol
de(m), pl. alcoholen
szarlotka
Lernen beginnen
het appelgebak
het
kolacja
Lernen beginnen
het avondeten
het
banan
Lernen beginnen
de banaan
de(m/v) pl. bananen
kubek
Lernen beginnen
de beker
de(m) pl. bekers
dojrzały ser
Lernen beginnen
de belegen kaas
de(m) pl. kazen
sposób przygotowania
Lernen beginnen
de bereidingswijze
de(m/v) pl. bereidingswijzen
sztućce
Lernen beginnen
het bestek
het
zamawiać
Lernen beginnen
bestellen
bestelde, bestelden, (h) besteld
posypywać, posypać(czymś)
Lernen beginnen
bestrooien (met)
bestrooide, bestrooiden, (h) bestrooid
befsztyk
Lernen beginnen
de biefstuk
de(m) pl. biefstukken
piwo
Lernen beginnen
het bier
het.pl bieren
gorzki, gorzko
Lernen beginnen
bitter
kartka, arkusz
Lernen beginnen
het blad
het, pl. bladen
liść; płatek
Lernen beginnen
het blad
het, pl. bladeren
puszka
Lernen beginnen
het blik
het, pl. blikken
paragon
Lernen beginnen
de bon
de(m), pl. bonnen
lista zakupów
Lernen beginnen
de boodschappenlijst
de (m/v) pl. boodschappenlisten
talerz
Lernen beginnen
het bord
het, pl. borden
kostka rosołowa
Lernen beginnen
het bouillonblokje
het, pl. bouillonblokjes
patelnia
Lernen beginnen
de braadpan
de(m/v) pl. braadpannen
przynosić, przynieść
Lernen beginnen
brengen
bracht, brachten, (h) gebracht
pieczywo i wyroby cukiernicze
Lernen beginnen
brood en gebak
pieczarka
Lernen beginnen
de champignon
de(m) pl. champignons
około
Lernen beginnen
circa
cytryna
Lernen beginnen
de citroen
de(m/v) pl. citroenen
natychmiast, momentalnie, niezwłocznie, od razu
Lernen beginnen
dadelijk
(po) sprzątać ze stołu
Lernen beginnen
de tafel afruimen
rumide af, rumiden af, (h) afgeruimd
nakrywać/nakryć do stołu
Lernen beginnen
de tafel dekken
dekte, dekten, (h) gedekt
nakrywać/nakryć stół do kolacji
Lernen beginnen
de tafel voor het avondeten dekken
dekte, dekten, (h) gedekt
wgłębienie, wgniecenie
Lernen beginnen
de deuk
de (m\v), pl. deuken
dieta
Lernen beginnen
het dieet
het, pl. dieten
mrożony
Lernen beginnen
diepvries
rzecz
Lernen beginnen
het ding
het, pl. dingen
pudełko, opakowanie kartonowe
Lernen beginnen
de doos
de(m\v), pl. dozen
napój
Lernen beginnen
de drank
de(m) pl. dranken
wino wytrawne
Lernen beginnen
de droge wijn
de(m)
odwaga
Lernen beginnen
de durf
de(m)
Smacznego!
Lernen beginnen
Eet smakelijk!
zastawa
Lernen beginnen
het eet gerei
het
łyżka stołowa
Lernen beginnen
de eetlepel
de(m), pl. eetlepels
jajko
Lernen beginnen
het ei
het, pl eieren
proszona kolacja, przyjęcie
Lernen beginnen
het etentje
het, pl. etentjes
zobaczymy, spójrzmy, popatrzmy
Lernen beginnen
even kijken
kandydat do organizacji studenckiej
Lernen beginnen
de feut
de (m\v), pl. feuten
(u)tłuc
Lernen beginnen
fijnstampen
stampte fijn, stampen fijn, (h) fijngestampt
butelka
Lernen beginnen
de fles
de(m/v) pl. flessen
Fuj!
Lernen beginnen
Foei!
frytki
Lernen beginnen
de Frietjes
de(pl.)
mięso mielone w panierce w formie kiełbaski
Lernen beginnen
de frikandel
de(m/v) pl. frikandellen
owoce
Lernen beginnen
het fruit
het
zrumienić
Lernen beginnen
fruiten
fruitte, fruitten,(h)gefruit
gotowy, miękki
Przygotowując jedzenie
Lernen beginnen
gaar
gotować, aż będzie miękkie
Lernen beginnen
gaar koken
kookte, kookten, (h) gekookt
krewetka
Lernen beginnen
de gamba
de(m)
wyroby cukiernicze; ciasto
Lernen beginnen
het gebak
smażony
Lernen beginnen
gebakken
mięso mielone
Lernen beginnen
het gehakt
ser kozi
Lernen beginnen
de geitenkaas
de(m), pl. geitenkazen
wierzyć; sądzić
Lernen beginnen
geloven
geloofde, geloofden, (h) geloofd
mielony
Lernen beginnen
gemalen
marynowany
Lernen beginnen
gemarineerd
wędzony
Lernen beginnen
gerookt
szklanka; kieliszek
Lernen beginnen
het glas
het, pl. glazen
złotobrązowy, (na) złoto-brązowo
Lernen beginnen
goudbruin
gram
Lernen beginnen
de gram
de, pl. grammen
Grecki
Lernen beginnen
Grieks
warzywa
Lernen beginnen
de groente
de(v), pl. groenten/groentes
wymiaszane warzywa
Lernen beginnen
het groentemengsel
het, pl. groentemengsels
warzywa i owoce
Lernen beginnen
groenten en fruit
mleko półtłuste
Lernen beginnen
de halfvolle melk
de(m/v)
ostry, (na) ostro
Lernen beginnen
heet
głód
Lernen beginnen
de honger
de(m)
być głodnym
Lernen beginnen
honger hebben
had, hadden, (h) gehad
miód
Lernen beginnen
de honing
de(m)
sos miodowo-tymiankowy
Lernen beginnen
de honing-tijmsaus
de (m/v), pl. honing-tijmsauzen
danie główne
Lernen beginnen
het hoofdgerecht
het, pl. hoofdgetechten
mieć nadzieje
Lernen beginnen
hopen
hoopte, hoopten, (h)gehoopt
domowej roboty
Lernen beginnen
huisgemaakt
lody
Lernen beginnen
het ijs
w krążki
Lernen beginnen
in ringen
składnik
Lernen beginnen
ingrediënt
het, pl. ingrediënten
dżem
Lernen beginnen
de jam
de(m/v), pl. jammen
ależ tak, tak
Lernen beginnen
jawel
Ależ tak!
Lernen beginnen
Jawel hoor!
swędzenie
Lernen beginnen
de jeuk
de(m)
olbrzym
Lernen beginnen
de joekel
de(m), pl joekels
ser młody
Lernen beginnen
de jonge kaas
de(m), pl. kazen
jarzmo
1 używany dawniej drewniany zaprząg dla bydła roboczego; 2. ciężar, brzemię, niewola
Lernen beginnen
het juk
pl. jukken
karton
Lernen beginnen
het karton
het, pl. kartons
wybór
Lernen beginnen
de keus
de(m/v), pl. keuzen
wybierać, wybrać
Lernen beginnen
kiezen
koos, kozen, (h)gekozen
kilogram
Lernen beginnen
de kilo
de, pl. kilo's
filet z piersi kurczaka
Lernen beginnen
de kipfilet
de(m), pl kipfilets
pierś z kurczaka
Lernen beginnen
de kippenborst
de(v), pl kippenborsten
klient
Lernen beginnen
de klant
de(m), pl. klanten
czosnek
Lernen beginnen
de knoflook
de(m)
ząbek czosnku
Lernen beginnen
de knoflookteen
de(m/v) pl. knoflooktenen
kawa z dużą ilością mleka
Lernen beginnen
de koffie verkeerd
de(m), pl. koffies verkeerd
śmietanka do kawy
Lernen beginnen
de koffieroom
de(m)
kminek
Lernen beginnen
de komijn
de(m)
ogórek
Lernen beginnen
de komkommer
de(m/v) pl. komkommers
garnek
Lernen beginnen
de kookpan
de(m/v), pl. kookpannen
filiżanka
Lernen beginnen
het kopje
het, pl. kopjes
skrzynka
Lernen beginnen
het krat
het, pl. kratten
zioło, przyprawa ziołowa
Lernen beginnen
het kruid
het, pl. kruiden
pocałunek
Lernen beginnen
de kus
de(m), pl. kussen
kuracja
Lernen beginnen
de kuur
de(m/v), pl. kuren
ćwierć
Lernen beginnen
het kwart
het, pl kwarten
gotować
dosł.: pozwolić się gotować
Lernen beginnen
laten koken
liet, lieten, (h)geloten
pasztetowa, wątrobianka
Lernen beginnen
de leverworst
de(m/v), pl leverworsten
delikatnie, delikatny
Lernen beginnen
licht
limonka
Lernen beginnen
de limoen
de(m/v), pl limoenen
sos limonkowy
Lernen beginnen
de limoensaus
de(m/v), pl. limoensauzen
litr
Lernen beginnen
de liter
de(m), pl liters
przygotowywać/przygotować posiłek
Lernen beginnen
maaltijd bereiden / maaltijd klaarmaken
bereidde, bereidden, (h) bereid / maakte klaar, maakten klaar, (h)klaargemaakt
chudy, chudo
Lernen beginnen
mager
mleko chude
Lernen beginnen
de magere melk
de(m/v)
majonez
Lernen beginnen
de mayonaise
de(v)
karta dań, menu w restauracji
Lernen beginnen
de menukaart
de(m/v), pl. menukaarten
nóż
Lernen beginnen
het mes
het, pl. messen
łagodny, łagodnie
Lernen beginnen
mild
woda mineralna
Lernen beginnen
het mineraalwater
móc
Mieć pozwolenie
Lernen beginnen
mogen
mocht, mochten, (h)gemogen
małż
Lernen beginnen
de mossel
de (m/v), pl mosselen/mossels
musztarda
Lernen beginnen
de mosterd
de(m)
wróbel
Lernen beginnen
de mus
de(m/v), pl mussen
deser
Lernen beginnen
het nagerecht
het, pl nagerechten
Ależ nie!
Lernen beginnen
Nee hoor!
nos
Lernen beginnen
de neus
de (m), pl neuzen
bezalkoholowy
Lernen beginnen
non- alcoholisch
orzech
Lernen beginnen
de noot
de(m/v), pl. noten
kelner
Lernen beginnen
de ober
de(m), pl obers
moment
Lernen beginnen
het ogenblik
het, pl. ogenblikken
olej, oliwaa
Lernen beginnen
de olie
de(m/v)
oliwka
owoc
Lernen beginnen
de olijf
de(m/v), pl. olijven
oliwa
Lernen beginnen
de olijfolie
de(m/v)
być na diecie
Lernen beginnen
op dieet zijn
was, waren, (z)geweest
na małym ogniu
Lernen beginnen
op een laag vuur
skończyć się
Lernen beginnen
op zijn
was, waren, (z)geweest
podawać
Lernen beginnen
opdienen
diende op, dienden op, (h) opgediend
wypić do końca
Lernen beginnen
opdrinken
drank op, dranken op, (h)opgedranken
zjeść do końca
Lernen beginnen
opeten
at op, aten op, (h) opgegeten
ser stary dojrzały
Lernen beginnen
de oud belege kaas
de(m) pl. kazen
opakowanie, paczka
Lernen beginnen
het pak
het, pl. pakken
garnek
Lernen beginnen
de pan
de(m/v), pl. pannen
papryka
w postaci proszku
Lernen beginnen
het paprikapoeder
makaron
Lernen beginnen
de pasta
de (m), pl. pasta's
frytki
Lernen beginnen
de patat
de(m/v)
gruszka
Lernen beginnen
de peer
de(m/v), pl. peren
pieprz
Lernen beginnen
de peper
de(m)
za kilogram
Lernen beginnen
per kilo
strąk, łupina
Lernen beginnen
de peul
de(m/v), pl. peulen
płacić kartą; wybierać pieniądze z bankomatu
Lernen beginnen
pinnen
pinde, pnden, (h) gepind
sadzawka; kałuża
Lernen beginnen
de poel
de(m), pl poelen
kot
Lernen beginnen
de poes
de(m/v), pl poezen
słoik
Lernen beginnen
de pot
de(m), pl. potten
Na zdrowie
Toast
Lernen beginnen
Proost
kufel
Lernen beginnen
de pul
de (m/v), pl. pullen
rachunek
Lernen beginnen
de rekening
de(v), pl. rekeningen
olbrzym, wielkolud
Lernen beginnen
de reus
de(m), pl. reuzen
ryż
Lernen beginnen
de rijst
de(m)
pierścień, pierścionek, obrączka, kółko, krążek
Lernen beginnen
de ring
de(m), pl. ringen
czerwona papryka
Lernen beginnen
de rode peper
de(m)
(wy)mieszać
Lernen beginnen
roeren
roerde, roerden, (h) geroerd
zamroczenie, odurzenie
Lernen beginnen
de roes
de(m), pl. roezen
śmietana
Lernen beginnen
de room
de(m)
wino różowe
Lernen beginnen
de rosé
de(m), pl. rosés
Rosjanin
Lernen beginnen
de Rus
de(m), pl. russen
kłótnia
Lernen beginnen
de ruzie
de(v), pl. ruzies
sałatka
Lernen beginnen
de salade
de(m/v), pl. salades
sok
Lernen beginnen
het sap
het, sappen
sos
Lernen beginnen
de saus
de(m/v), pl. sauzen
miska, taca
Lernen beginnen
de schaal
de(m/v), pl. schalen
obierać, obrać
Lernen beginnen
schillen
schilde, schilden (h) geschild
ostry
Lernen beginnen
scherp
flądra
Lernen beginnen
de schal
de(m), pl. schallen
serwetka
Lernen beginnen
het servet
het, pl. servetten
sok pomarańczowy
Lernen beginnen
het sinasappelsap
het, pl. sinaasappelsappen
bita śmietana
Lernen beginnen
de slagroom
de(m)
Smacznego
Lernen beginnen
Smakelijk eten!
przekąska
Lernen beginnen
de snack
de(m), pl. snacks
(po)kroić (w)
Lernen beginnen
snijden (in)
sneed, sneden, (h)gesneden
słodycze
Lernen beginnen
de snoep
de(m)
słodycze i przkąski
Lernen beginnen
snoep en snacks
szczypta
Lernen beginnen
het snufje
zupa
Lernen beginnen
de soep
de(m/v)pl. soepen
przyprawa
Lernen beginnen
de spacerij
de(v), pl. spacerijen
karta dań
Lernen beginnen
de spijskaart
de(m/v), pl. spijskaarten
kapusta chińska
Lernen beginnen
de spitskool
de(m/v), pl. spitskolen
tłuc
Lernen beginnen
stampen
stampte, stampten, (h)gestampt
ziemniaki ugniecione z warzywami
Lernen beginnen
de stamppot
de(m), pl. stamppotten
sztuka; kawałek
Lernen beginnen
het stuk
het, pl. stuks
kawałeczek, sztuczka
Lernen beginnen
het stukje
het, pl. stukjes
zastawa
Lernen beginnen
het tafelgerei
obrus
Lernen beginnen
het tafellaken
het, pl. tafellakens
pod włos
Lernen beginnen
tegen de vleug
herbata
Lernen beginnen
de thee
de(m)
łyżeczka
Lernen beginnen
de theelepel
de(m), pl. theelepels
tymianek
Lernen beginnen
de tijm
de(m)
dodawać(do), dodać(do)
Lernen beginnen
toevoegen (bij)
voegde toe, voegden toe, (h) toegevoegd
pomidor
Lernen beginnen
de tomaat
de(m/v), pl. tomaten
zupa pomidorowa
Lernen beginnen
de tomatensoep
de(m/v), pl. tomatensoepen
łasy na
Lernen beginnen
tuk op
cebula
Lernen beginnen
de ui
de(m), pl. uien
zupa cebulowa
Lernen beginnen
de uiensoep
de(m/v), pl. uiensoepen
porządnie; dużo
Lernen beginnen
uitgebreid
wyciskać, wycisnąć
Lernen beginnen
uitpersen
perste uit, persten uit, (h) uitgeperst
wegetariański, po wegetariańsku
Lernen beginnen
vegetarisch
zapominać, zapomnieć
Lernen beginnen
vergeten
vergat, vergaten, (h/z) vergeten
rozgrzewać, rozgrzać
Lernen beginnen
verhitten
verhitte, verhitten, (h), verhit
sprzedawczyni
Lernen beginnen
de verkoopster
de(v), pl. verkoopsters
sprzedawca
Lernen beginnen
de verkoper
de(m), pl. verkopers
świeży, świeżo
Lernen beginnen
vers
ryba
Lernen beginnen
de vis
de(m), pl. vissen
potrawa rybna
Lernen beginnen
het visgerecht
het, pl. visgerechten
mięso
Lernen beginnen
het vlees
het, pl. vlezen
mięso i wędliny
Lernen beginnen
vlees en vleeswaren
potrawa mięsna
Lernen beginnen
het vleesgerecht
pl. vleesgerechten
wędliny
Lernen beginnen
de vleeswaren
de pl.
kierunek włosów
Lernen beginnen
de vleug
de(m/v)
szybki, szybko
Lernen beginnen
vlug
naród; lud
Lernen beginnen
het volk
het, pl. volken/volkeren
mleko tłuste
Lernen beginnen
de volle melk
(m/v)
przystawka
Lernen beginnen
het voorgerecht
pl. voorgerechten
widelec
Lernen beginnen
de vork
de(m/v),.pl. vorken
Ależ tak!
Lernen beginnen
Wel hoor!
chcieć, pragnąć, życzyć
Lernen beginnen
wensen
wenste, wensten, (h) gewenst
wiedzieć
Lernen beginnen
weten
wist, wisten, (h) geweten
wino
Lernen beginnen
de wijn
(m)
ocet winny
Lernen beginnen
de wijnazijn
de(m)
sos winny
Lernen beginnen
de wijnsaus
de(m/v), pl. wijnsauzen
chcieć
Lernen beginnen
willen
wilde/wou, wilden/wouden, (h) gewild
reszta, drobne
Lernen beginnen
het wisselgeld
kiełbasa
Lernen beginnen
de worst
de(m/v), pl. worsten
marchew
Lernen beginnen
de wortel
de(m), pl. wortels/wortelen
jogurt
Lernen beginnen
de yoghurt
de(m)
łagodny
Lernen beginnen
zacht
torba, torebka
papierowa lub foliowa
Lernen beginnen
de zak
de(m), pl. zakken
łosoś
Lernen beginnen
de zalm
de (m), pl. zalmen
filet z łososia
Lernen beginnen
de Zalmfilet
de(m), pl. zalmfilets
zachowywać się spokojnie
Lernen beginnen
zich koest houden
słodki
Lernen beginnen
zoet
wino słodkie
Lernen beginnen
zoete wijn
de(m)
słony
Lernen beginnen
zout
sól
Lernen beginnen
het zout
nabiał
Lernen beginnen
zuivel
de(m)/het
kwaśny
Lernen beginnen
zuur
gorzki
Lernen beginnen
bitter

Sie müssen eingeloggt sein, um einen Kommentar zu schreiben.