Lekcja powtorka 6

 0    48 Datenblatt    justynagintowtveghel
mp3 downloaden Drucken spielen überprüfen
 
Frage Antworten
zawsze
Lernen beginnen
altijd
tymczasem
Lernen beginnen
alvast
Już przygotuję jedzenie.
Lernen beginnen
Ik maak alvast het eten.
Już zrobię kawę.
Lernen beginnen
Ik zet alvast koffie.
Ty idź już do domu.
Lernen beginnen
Ga jij maar alvast naar huis.
Już zacznę sprzątać.
Lernen beginnen
Ik begin alvast met schoonmaken.
Już przygotuję sobie ubrania
Lernen beginnen
Ik leg mijn kleren alvast klaar.
Już pozmywam naczynia.
Lernen beginnen
Ik doe alvast de afwas.
Możesz już zacząć.
Lernen beginnen
Je kunt alvast beginnen.
Już wyślę ci adres
Lernen beginnen
Ik stuur je alvast het adres.
Ja już wejdę do środka.
Lernen beginnen
Ik ga alvast naar binnen.
Już spakuję torbę.
Lernen beginnen
Ik pak alvast mijn tas.
Możemy już iść
Lernen beginnen
We kunnen nu gaan.
ponownie
Lernen beginnen
alweer
Znowu pada.
Lernen beginnen
Het regent alweer.
Znowu jestem zmęczona.
Lernen beginnen
Ik ben alweer moe.
On znowu się spóźnił.
Lernen beginnen
Hij is alweer te laat.
Mój telefon znowu jest rozładowany. 📱
Lernen beginnen
Mijn telefoon is alweer leeg. 📱
Już jesteś znowu w domu?
Lernen beginnen
Ben je alweer thuis?
Znowu jestem głodna.
Lernen beginnen
Ik heb alweer honger.
Kawa znowu się skończyła. ☕
Lernen beginnen
De koffie is alweer op. ☕
Znowu musisz pracować?
Lernen beginnen
Moet je alweer werken?
Czy to już znowu piątek? 😊
Lernen beginnen
Is het alweer vrijdag? 😊
Znowu zapomniałeś kluczy.
Lernen beginnen
Je bent alweer je sleutels vergeten...
inny, inna
Lernen beginnen
ander, andere
poltora
Lernen beginnen
anderhalf, anderhalve
w innym przypadku
Lernen beginnen
anders
Pospiesz się, w przeciwnym razie się spóźnimy.
Lernen beginnen
Schiet op, anders zijn we te laat.
Weź kurtkę, inaczej będzie ci zimno.
Lernen beginnen
Neem een jas mee, anders krijg je het koud.
Muszę już iść, inaczej spóźnię się na autobus.
Lernen beginnen
Ik moet nu gaan, anders mis ik de bus.
Musisz dobrze zjeść, inaczej będziesz głodna.
Lernen beginnen
Je moet goed eten, anders krijg je honger.
Zamknij drzwi, inaczej zrobi się zimno.
Lernen beginnen
Doe de deur dicht, anders wordt het koud.
Zapiszę to, inaczej zapomnę.
Lernen beginnen
Ik schrijf het op, anders vergeet ik het.
Musimy zatankować, inaczej nie będziemy mieć już benzyny.
Lernen beginnen
We moeten tanken, anders hebben we geen benzine meer.
Czy cos jeszcze?
Lernen beginnen
Nog iets anders? Anders nog iets?
odpowiedz + pl
Lernen beginnen
het antwoord + de antwoorden
osobno
Lernen beginnen
apart
Zrobię to inaczej.
Lernen beginnen
Ik doe het anders.
Dzisiaj czuję się inaczej.
Lernen beginnen
Vandaag voel ik me anders.
Chcesz coś innego?
Lernen beginnen
Wil je iets anders?
Masz inną kurtkę?
Lernen beginnen
Heeft u een andere jas?
Przyjdź na czas, inaczej zaczniemy bez ciebie.
Lernen beginnen
Kom op tijd, anders beginnen we zonder u.
Płacę osobno.
Lernen beginnen
Ik betaal apart.
Czy możemy zapłacić osobno?
Lernen beginnen
Kunnen we apart betalen?
Piorę te ubrania osobno.
Lernen beginnen
Ik was deze kleding apart.
Mieszkamy osobno.
Lernen beginnen
We wonen apart.
Odłóż te rzeczy osobno.
Lernen beginnen
Zet deze spullen apart
Przechowuję to osobno.
Lernen beginnen
Ik bewaar dit apart.

Sie müssen eingeloggt sein, um einen Kommentar zu schreiben.