MOETEN/ MOGEN/ KUNNEN

 0    48 Datenblatt    justynagintowtveghel
mp3 downloaden Drucken spielen überprüfen
 
Frage Antworten
ja musze
Lernen beginnen
ik moet
ty musisz
Lernen beginnen
je moet
on musi
Lernen beginnen
hij moet
my musimy
Lernen beginnen
we moeten
Muszę dzisiaj pracować
Lernen beginnen
Ik moet vandaag werken.
Muszę zrobić zakupy
Lernen beginnen
Ik moet boodschappen doen.
Musisz posprzątać swój pokój
Lernen beginnen
Je moet je kamer opruimen.
Musimy teraz wyjść
Lernen beginnen
We moeten nu vertrekken.
Muszę jutro wcześnie wstać.
Lernen beginnen
Ik moet morgen vroeg opstaan.
Musicie chwilę poczekać
Lernen beginnen
Je moet even wachten.
ja musialam
Lernen beginnen
Ik moest
ty musiales
Lernen beginnen
je moest
on musial
Lernen beginnen
hij moest
my musielismy
Lernen beginnen
wij moesten
Musiałam wczoraj pracować
Lernen beginnen
Ik moest gisteren werken.
Musiałam długo czekać
Lernen beginnen
Ik moest lang wachten.
Musiałam iść do lekarza
Lernen beginnen
Ik moest naar de dokter.
Musieliśmy wcześnie wstać
Lernen beginnen
We moesten vroeg opstaan.
Musiałam odebrać syna ze szkoły.
Lernen beginnen
Ik moest mijn zoon van school ophalen.
Musieliśmy zrobić zakupy
Lernen beginnen
We moesten boodschappen doen.
Wczoraj musiałam wcześniej iść do domu
Lernen beginnen
Ik moest gisteren vroeg naar huis.
Muszę czekać, aż przyjdzie moja kolej.
Lernen beginnen
Ik moet wachten tot ik aan de beurt ben
Musiałam czekać, aż przyszła moja kolej
Lernen beginnen
Ik moest wachten tot ik aan de beurt was.
moc/ potrafic
Lernen beginnen
kunnen
ja moge/ potrafie
Lernen beginnen
Ik kan
ty mozesz/ potrafsz
Lernen beginnen
jij kan/ kunt
Pani moze/ potrafi
Lernen beginnen
U kunt
on moze/ potrafi
Lernen beginnen
hij kan
ona moze/ potrafi
Lernen beginnen
zij kan
my mozemy / potrafimy
Lernen beginnen
wij kunnen
wy mozecie/ potraficie
Lernen beginnen
jullie kunnen
Oni moga/ potragia
Lernen beginnen
zij kunnen
Potrafię dobrze gotować.
Lernen beginnen
Ik kan goed koken.
Nie mogę dzisiaj przyjść.
Lernen beginnen
Ik kan vandaag niet komen.
Możesz mi pomóc?
Lernen beginnen
Kan je me helpen?
Mój syn potrafi dobrze pływać.
Lernen beginnen
Mijn zoon kan goed zwemmen.
Możemy jutro zrobić zakupy.
Lernen beginnen
We kunnen morgen gaan winkelen.
Potrafię mówić po niderlandzku, ale jeszcze niezbyt dobrze.
Lernen beginnen
Ik spreek wel Nederlands, maar nog niet zo goed.
Czy mogę tutaj zaparkować?
Lernen beginnen
Kan ik hier parkeren?
ja moge/ mam pozwolenie
Lernen beginnen
Ik mag
ty mozesz/ masz pozwolenie
Lernen beginnen
jij mag
on moze/ ma pozwolenie
Lernen beginnen
Hij mag
my mozemy/ mamy pozwolenie
Lernen beginnen
we mogen
Mogę dzisiaj wcześniej iść do domu, bo mam pozwolenie.
Lernen beginnen
Ik mag vandaag eerder naar huis
Mogę iść do domu. Mam pozwolenie.
Lernen beginnen
Ik mag naar huis gaan. Ik heb toestemming.
Czy jestem w stanie / czy mogę użyć samochodu?
Lernen beginnen
Kan ik de auto gebruiken?
Czy wolno mi użyć samochodu? / Czy pozwalasz mi?
Lernen beginnen
Mag ik de auto gebruiken?
Nie umiem pływać
Lernen beginnen
Ik kan niet zwemmen.

Sie müssen eingeloggt sein, um einen Kommentar zu schreiben.