Moja lekcja

 0    301 Datenblatt    wywhmx2gsk
mp3 downloaden Drucken spielen überprüfen
 
Frage Antworten
... ani... ani...
Lernen beginnen
... noch... noch...
... godzin w tygodniu
Lernen beginnen
... Uren per week
2:00
Lernen beginnen
twee uur
2:15
Lernen beginnen
kwart over twee
2:25
Lernen beginnen
vijf voor half drie
2:35
Lernen beginnen
vijf over half drie
2:40
Lernen beginnen
tien over half drie
2:45
Lernen beginnen
kwart voor drie
a Ty? / a pani?
Lernen beginnen
en met jou? / en met u?
ale co ty robisz?
Lernen beginnen
maar wat doe je nou?!
ale, jedynie, tylko
Lernen beginnen
maar
amsterdam jest najwiekszym miastem w Holandii
Lernen beginnen
amsterdam is de grootste stad van Nederland
Ania idzie do sklepu
Lernen beginnen
Ania gaat naar de winkel/ Ania loopt naar de winkel
Anna jutro bedzie robic zakupy
Lernen beginnen
Anna gaat morgen boodschappen doen
Anne jest najmlodszym dzieckiem Theo
Lernen beginnen
Anne is het jongste kind van Theo
asystentka
Lernen beginnen
de assistente
atmosfera
Lernen beginnen
de sfeer
autobus
Lernen beginnen
de bus
autobusem
Lernen beginnen
met de bus
bardzo duzo
Lernen beginnen
heel veel
Beata jest starsza od Laury
Lernen beginnen
Beata is ouder dan Laura
Berlin
Lernen beginnen
Berlijn
bez
Lernen beginnen
zonder
bezdomy
Lernen beginnen
daklozen (dakloos)
bezposredni
Lernen beginnen
direct
bezrobotny
Lernen beginnen
werkloos
bialy
Lernen beginnen
wit
licytowac
Lernen beginnen
bieden
biegac
Lernen beginnen
rennen
bilet
Lernen beginnen
het kaartje, de ticket
biuri podrozy
Lernen beginnen
de reisbureau
biuro posrednictwa pracy
Lernen beginnen
het uitzendbureau
blisko
Lernen beginnen
vlak bij
obok
Lernen beginnen
naast
boje sie psow
Lernen beginnen
Ik ben bang voor honden
boje sie ze...
Lernen beginnen
Ik ben bang dat...
boli mnie glowa
Lernen beginnen
ik heb hoofdpijn
brakowac
Lernen beginnen
missen
brakuje mi mojej rodziny
Lernen beginnen
ik mis mijn familie
brat
Lernen beginnen
de broer
bratanek, siostrzeniec, kuzyn
Lernen beginnen
neef
brzydki
Lernen beginnen
lelijk
budynek
Lernen beginnen
het gebouw
but
Lernen beginnen
de schoen
butelka
Lernen beginnen
de fles
bulka
Lernen beginnen
het broodje
byc chorym
Lernen beginnen
ziek zijn (ben ziek)
byc podobnym
Lernen beginnen
lijken op
byc podobnym, wydawac sie
Lernen beginnen
lijken
byc smutnym, markotnym
Lernen beginnen
verdrietig zijn (ben verdrietig)
byc starym
Lernen beginnen
oud zijn (ben oud)
byc wesolym, zadowolonym
Lernen beginnen
blij zijn (ben blij)
byc zlym
Lernen beginnen
boos zijn (ben boos)
byc
Lernen beginnen
zijn
bol
Lernen beginnen
de pijn
bol glowy
Lernen beginnen
de Hoofdpijn
bol nie przeszedl
Lernen beginnen
de pijn is niet over
bol przeszedl
Lernen beginnen
de pijn is over
bedzie jutro w Amsterdamie
Lernen beginnen
hij is morgen in Amsterdam
calkiem, zupelnie
Lernen beginnen
helemaal
caly, bardzo
Lernen beginnen
heel
cebula
Lernen beginnen
de ui
jestem glodny
Lernen beginnen
ik heb honger
chce mi sie pic
Lernen beginnen
ik heb dorst
pytanie czy masz na cos ochote (czynnosc)
Lernen beginnen
zullen
chcesz...?
Lernen beginnen
wil je...?
chcialbym zapytac o...
Lernen beginnen
Ik wilde iets vragen over...
chciec
Lernen beginnen
willen
chce duzy dom i ladny sakochod
Lernen beginnen
Ik wil een groot huis en een mooie auto
chce kazac zrobic nowy stol
Lernen beginnen
Ik wil een nieuwe tafel laten maken
chodzimy dwa razy w tygodniu do tej kawiarni
Lernen beginnen
we gaan twee keer per week naar dit café.
chodzic po sklepie
Lernen beginnen
winkelen
chodzic, isc
Lernen beginnen
lopen
chodze na kurs...
Lernen beginnen
Ik ziet op de cursus...
chodz! chodzcie!
Lernen beginnen
kom!
chodzmy!
Lernen beginnen
laten we gaan!
chory
Lernen beginnen
ziek
chudy, cienki
Lernen beginnen
dun
chwilka, tak samo
Lernen beginnen
even
chwilowo
Lernen beginnen
momenteel
chwycic
Lernen beginnen
pakken
chetnie
Lernen beginnen
graag
chetnie pracuje
Lernen beginnen
Ik werk graag
chetnie!
Lernen beginnen
graag!
chetnie- chetniej- najchetniej
Lernen beginnen
graag- liever- het liefst
chetniej, bardziej
Lernen beginnen
liever
chec, ochota, sens, zdanie
Lernen beginnen
zin
ciasny
Lernen beginnen
smal
ciastko
Lernen beginnen
het koekje
ciebie/ Cie
Lernen beginnen
jou/ je
ciemny
Lernen beginnen
donker
cieply
Lernen beginnen
warm
cieply posilek
Lernen beginnen
warme maaltijd
cierpiec
Lernen beginnen
lijden
ciac, przyciac
Lernen beginnen
knippen
co chetnie robisz?
Lernen beginnen
wat doe je graag?
co lubisz?
Lernen beginnen
waar houd je van?
co lubisz robic?
Lernen beginnen
wat vind je leuk om te doen?
co myslisz o...
Lernen beginnen
Wat vind je van...
co mowi pan...?
Lernen beginnen
wat zegt meneer...?
co panu dolega? co pani dolega?
Lernen beginnen
wat heeft u? wat scheelt u?
co za... /jaki (jaka, jakie)
Lernen beginnen
wat een...
co?
Lernen beginnen
Wat?
cos
Lernen beginnen
iets
cos jeszcze?
Lernen beginnen
Anders nog iets
czarny
Lernen beginnen
zwart
czas
Lernen beginnen
de tijd
czasem
Lernen beginnen
soms
czasopismo
Lernen beginnen
het tijdschrift
czechy
Lernen beginnen
Tsjechie
czego nie lubisz?
Lernen beginnen
waar houd je niet van?
czego nie lubisz robic?
Lernen beginnen
wat vind je niet leuk om te doen?
czekac
Lernen beginnen
wachten
czekolada
Lernen beginnen
de chocola
czerwiec
Lernen beginnen
juni
czerwone swiatlo stop
Lernen beginnen
de stoplicht
czerwony
Lernen beginnen
rood
czesc
Lernen beginnen
Hoi! Hallo!
czuc sie dobrze
Lernen beginnen
zich lekker voelen
czuc sie nie dobrze
Lernen beginnen
zich niet lekker voelen
czuc, odczuc
Lernen beginnen
voelen
czwartek
Lernen beginnen
donderdag
czy (moze) napijemy sie kawy?
Lernen beginnen
Zullen we een kopje koffie drinken?
czy bedzie sie tu jeszcze tanczyc/ czy beda tance
Lernen beginnen
Wordt er nog gedanst?
czy chcesz kawe?
Lernen beginnen
wil je koffie?
czy moge o cos zapytac?
Lernen beginnen
Mag ik u iets vragen?
czy moze mi pan/pani powiedziec?
Lernen beginnen
kunt u me vertellen...?
czy moze mi pan/ pani przeliterowac?
Lernen beginnen
kunt u dat spellen?
czy mozesz przeliterowac?
Lernen beginnen
kan je dat spellen?
czy tak to sie mowi po holendersku?
Lernen beginnen
zeg je dat zo in het Nederlands?
czy, lub, albo
Lernen beginnen
of,
czy...? Moze...? (wyrazenie oferty, propozycji w formie pytania)
Lernen beginnen
zullen we...? zal ik...?
czytac
Lernen beginnen
lezen
czesto
Lernen beginnen
vaak
czesto zapominasz przyjsc na spotkanie
Lernen beginnen
je vergeet vaak op een afspraak te komen
czlowiek
Lernen beginnen
de Mens
dalej
Lernen beginnen
verder
data urodzenia
Lernen beginnen
de Geboortedatum
dawac
Lernen beginnen
geven
deszcz
Lernen beginnen
de regen
dla mnie, dla siebie
Lernen beginnen
voor mij, voor mijzelf
dlaczego?
Lernen beginnen
waarom?
dlatego
Lernen beginnen
omdat
dni
Lernen beginnen
dagen
do jutra
Lernen beginnen
tot morgen
do kogo jestes podobny?
Lernen beginnen
Op wie lijk je?
do uslug (oficjalna reakcja na podziekowanie)
Lernen beginnen
tot uw dienst
do widzenia
Lernen beginnen
tot ziens!
do wynajecia
Lernen beginnen
te huur
do zobaczenia (za chwilke, za moment)
Lernen beginnen
tot zo!
do, az do
Lernen beginnen
tot
do...
Lernen beginnen
naar...
dobranoc
Lernen beginnen
goedenacht
dobry wieczor
Lernen beginnen
Goedenavond
dobry-lepszy-najlepszy
Lernen beginnen
goed- beter- het best
dobrze mi/ Ci w tym
Lernen beginnen
het staat me/ je goed
dobrze/ dobry
Lernen beginnen
goed
dobrze, dziekuje
Lernen beginnen
goed, dank je/u
dobrze, wprawdzie, chyba
Lernen beginnen
wel
dokladnie
Lernen beginnen
precies
dopiero, zaledwie
Lernen beginnen
pas
dostac, otrzymac
Lernen beginnen
krijgen
dosc dobrze
Lernen beginnen
wel
dosc, dosyc
Lernen beginnen
genoeg
droga
Lernen beginnen
de weg
drogi
Lernen beginnen
duur
drzwi
Lernen beginnen
de deur
duzo
Lernen beginnen
veel
duzo-wiecej- najwiecej
Lernen beginnen
veel- meer- het meest
duzy
Lernen beginnen
groot
duzy-wiekszy-najwiekszy
Lernen beginnen
groot- groter- de grootst
dziadek
Lernen beginnen
de opa
dzien dobry (do 12)
Lernen beginnen
goedemorgen (tot 12)
dzien dobry (po 12)
Lernen beginnen
goedemiddag
dzien dobry(rano i poppludniu) do widzenia, czesc
Lernen beginnen
dag!
dzisiaj
Lernen beginnen
vandaag
dziekuje
Lernen beginnen
dank je/ dank u/ bedankt
dziekuje bardzo
Lernen beginnen
dank je wel
dzwonic (tel)
Lernen beginnen
bellen
dzwonic do doktora
Lernen beginnen
de dokter bellen
dlugo, dlugi, wysoki
Lernen beginnen
lang
dzem
Lernen beginnen
de jam
dzinsy
Lernen beginnen
de spijkerbroek
eksponowac, pokazywac kolekcje
Lernen beginnen
vertonen
Eric uwaza, ze opel jest lepszym autem niz BMW
Lernen beginnen
Eric vindt een Opel een betere auto dan een BMW
fajne!
Lernen beginnen
dat is fijn!
fajnie
Lernen beginnen
fijn
fajne, udane, doskonale (czynnosc)
Lernen beginnen
Leuk!
filizanka
Lernen beginnen
het kopje
formularz, dokument
Lernen beginnen
het formulier
Francja
Lernen beginnen
Frankrijk
francuski, po francusku
Lernen beginnen
frans
frytki
Lernen beginnen
de frites
fryzjerka
Lernen beginnen
de kapster
gazeta
Lernen beginnen
de krant
gdzie
Lernen beginnen
waar
gdzie jest dworzec?
Lernen beginnen
waar is het station?
gdzie mieszkasz?
Lernen beginnen
waar woon je?
gdzie pan/pani mieszka
Lernen beginnen
waar woont u?
gitara
Lernen beginnen
de gitaar
godzina
Lernen beginnen
het uur
goracy
Lernen beginnen
warm
goraczka
Lernen beginnen
de koorts
gotowac
Lernen beginnen
koken
golebie
Lernen beginnen
de duiven
gram na gitarze
Lernen beginnen
ik speel gitaar
gram na pianinie
Lernen beginnen
ik speel piano
grac/ bawic sie
Lernen beginnen
spelen
grillowac
Lernen beginnen
BBQen
gruby
Lernen beginnen
dik
grudzien
Lernen beginnen
december
grupa
Lernen beginnen
de groep
grupa taneczna
Lernen beginnen
de Dansgroep
grypa
Lernen beginnen
de griep
gora
Lernen beginnen
de Berg
glos
Lernen beginnen
de stem
glod
Lernen beginnen
de honger
glowny, centralny
Lernen beginnen
centraal
holandia
Lernen beginnen
Nederland
holenderski, po holendersku
Lernen beginnen
Nederlands
i
Lernen beginnen
en
i tak dalej...
Lernen beginnen
noem maar op...
ich (je)
Lernen beginnen
hen, hun, ze
ile kosztuje wszystko razem?
Lernen beginnen
hoeveel is het bij elkaar?
ile kosztuje...
Lernen beginnen
wat/ hoeveel koost...?
ile?
Lernen beginnen
hoeveel?
inaczej, inny
Lernen beginnen
anders
interesowac sie
Lernen beginnen
interesseren zich
Irene wlasnie pisze list
Lernen beginnen
Irene is een brief aan het schrijven
Irma ma ladniejszy dom niz Iris
Lernen beginnen
Irma heeft een mooier huis dan Iris
isc, jechac z kims
Lernen beginnen
meegaan
ja
Lernen beginnen
ik
Ja robie zakupy, a Ty robisz jedzenie
Lernen beginnen
Ik doe boodschappen en jij maakt het eten klaar
Jacy mlodzi rodzice
Lernen beginnen
wat een jonge ouders!
jajko (jajka)
Lernen beginnen
het ei (de eieren)
jak?
Lernen beginnen
hoe?
jak ci sie podoba?
Lernen beginnen
hoe vind je het?
jak fajnie
Lernen beginnen
wat leuk
jak sie masz? co slychac?
Lernen beginnen
hoe is het met je?
jak sie pan/pani ma? co slychac?
Lernen beginnen
hoe gaat het met u?
jak sie pani nazywa?
Lernen beginnen
Wat is uw naam? Hoe heet u?
jak to sie mowi po holendersku?
Lernen beginnen
hoe zeg je dat in het Nederlands?
jak Ty sie nazywasz?
Lernen beginnen
wat is je naam? hoe heet je?
jak, jaki
Lernen beginnen
hoe
jaka cena?
Lernen beginnen
wat is de prijs?
jaka szkoda
Lernen beginnen
wat jammer
jaka ladna ulica
Lernen beginnen
wat een mooie straat
jaki jest twoj zawod?
Lernen beginnen
wat is je beroep?
jaki ma pan/ pani rozmiar?
Lernen beginnen
welke maat heeft u?
jaki masz rozmiar?
Lernen beginnen
welke maat heb je?
jaki, ktory
Lernen beginnen
welke
jakie duze pokoje
Lernen beginnen
wat een grote kamers
jakis czas temu (rok, 2, 5 )
Lernen beginnen
geleden
Jan i Lisa maja mniejszy ogrod niz my
Lernen beginnen
Jan en Lisa hebben een kleinere tuin dan wij
swiatlo
Lernen beginnen
licht
jasno
Lernen beginnen
helder
jednak
Lernen beginnen
toch
jednego ogorka prosze
Lernen beginnen
een komkommer alstublieft
jedzenie
Lernen beginnen
het eten
jego dziadek zmarl w zeszlym roku
Lernen beginnen
zijn opa is vorig jaar gestorven
jego/go
Lernen beginnen
hem
jej ojciec ma juz 60 lat
Lernen beginnen
haar vader is al 60 jaar oud
jej/ ją
Lernen beginnen
haar
jesien
Lernen beginnen
de herfst
jest 4:15
Lernen beginnen
het is 4:15
jest dobrze
Lernen beginnen
het gaat goed
jest jeszcze mleko?
Lernen beginnen
is er nog melk?
jest mi to obojetne
Lernen beginnen
het makt me niet uit
jest mroz
Lernen beginnen
Het vriest
jest tam zawsze tak przyjemnie
Lernen beginnen
het is er altijd zo gezellig
jest wielu ludzi w sali
Lernen beginnen
er zijn veel mensen in de zaal
jestem chory
Lernen beginnen
ik ben ziek
jestem podobny do...
Lernen beginnen
ik lijk op...
jestem spozniony
Lernen beginnen
ik ben te laat
jestem wiekszy od Ciebie
Lernen beginnen
Ik ben groter dan jij
jestem z... Przybywam z...
Lernen beginnen
ik kom uit...
jestem zmeczony
Lernen beginnen
ik ben moe
jestem zwariowany na punkcie... przepadam za
Lernen beginnen
Ik ben dol op...
jestem...
Lernen beginnen
Ik ben...
jestes pewny, ze...
Lernen beginnen
weet je het zeker, dat...
jestes tego pewny?
Lernen beginnen
Weet je het zeker?
jestes troche podobny do...
Lernen beginnen
jij lijkt een beetje op...
jeszcze
Lernen beginnen
nog
jeszcze gorzej
Lernen beginnen
nog slechter
jeszcze raz, jeden raz
Lernen beginnen
eens
jeszcze tylko...
Lernen beginnen
nog even
jesli
Lernen beginnen
als
jesc
Lernen beginnen
eten
jesc sniadanie
Lernen beginnen
ontbijten
jezdzic
Lernen beginnen
rijden
jezdzic na rowerze
Lernen beginnen
fietsen
jutro
Lernen beginnen
de morgen
juz jadlem
Lernen beginnen
ik heb al gegeten
juz, wszystko
Lernen beginnen
al
kapelusz
Lernen beginnen
de hoed
karta, mapa
Lernen beginnen
de kaart
kaszlec
Lernen beginnen
hoesten
kaszle, mam kaszel
Lernen beginnen
Ik hoest
kawa
Lernen beginnen
de koffie
kawalek, czesc
Lernen beginnen
de stuk
kawiarnia
Lernen beginnen
het café

Sie müssen eingeloggt sein, um einen Kommentar zu schreiben.