My lesson

 0    1.298 Datenblatt    kamilpiasecki9
mp3 downloaden Drucken spielen überprüfen
 
Frage Antworten
to agree
We agree to meet at noon.
Lernen beginnen
afspreken
We spreken af om 12 uur.
to understand
I don't understand this word.
Lernen beginnen
begrijpen
Ik begrijp dit woord niet.
to pay
Can you pay by card?
Lernen beginnen
betalen
Kun je met kaart betalen?
to visit
We visit our friends on Sunday.
Lernen beginnen
bezoeken
We bezoeken onze vrienden op zondag.
to move/exercise
It's important to move every day.
Lernen beginnen
bewegen
Het is belangrijk om elke dag te bewegen.
to decide
She needs to decide quickly.
Lernen beginnen
beslissen
Ze moet snel beslissen.
to bring
Can you bring me some water?
Lernen beginnen
brengen
Kun je me wat water brengen?
to check
The doctor checks your blood pressure.
Lernen beginnen
controleren
De dokter controleert je bloeddruk.
to participate
He participates in the course.
Lernen beginnen
deelnemen
Hij neemt deel aan de cursus.
to think
I think it will rain tomorrow.
Lernen beginnen
denken
Ik denk dat het morgen regent.
to last
The meeting lasts one hour.
Lernen beginnen
duren
De vergadering duurt een uur.
to remember
I can't remember his name.
Lernen beginnen
onthouden
Ik kan zijn naam niet onthouden.
to explain
Can you explain that again?
Lernen beginnen
uitleggen
Kun je dat nog eens uitleggen?
to improve
I want to improve my Dutch.
Lernen beginnen
verbeteren
Ik wil mijn Nederlands verbeteren.
to continue
We continue with the lesson.
Lernen beginnen
doorgaan
We gaan door met de les.
to change
Everything changes over time.
Lernen beginnen
veranderen
Alles verandert met de tijd.
to choose
You can choose one option.
Lernen beginnen
kiezen
Je kunt één optie kiezen.
to complain
He always complains about the weather.
Lernen beginnen
klagen
Hij klaagt altijd over het weer.
to cost
How much does this cost?
Lernen beginnen
kosten
Hoeveel kost dit?
to lose
I lost my keys.
Lernen beginnen
verliezen
Ik ben mijn sleutels verloren.
to follow
Follow the instructions carefully.
Lernen beginnen
volgen
Volg de instructies zorgvuldig.
to apply for
I want to apply for a permit.
Lernen beginnen
aanvragen
Ik wil een vergunning aanvragen.
to belong to
This belongs to the manager.
Lernen beginnen
behoren tot
Dit behoort tot de manager.
to consist of
The team consists of five people.
Lernen beginnen
bestaan uit
Het team bestaat uit vijf mensen.
to mean
What does this word mean?
Lernen beginnen
betekenen
Wat betekent dit woord?
to offer
The company offers good jobs.
Lernen beginnen
aanbieden
Het bedrijf biedt goede banen aan.
to advise
The doctor advised me to rest.
Lernen beginnen
adviseren
De dokter adviseerde me te rusten.
to cancel
I have to cancel the appointment.
Lernen beginnen
afzeggen
Ik moet de afspraak afzeggen.
to arrange
Can you arrange the meeting?
Lernen beginnen
regelen
Kun je de vergadering regelen?
to book
I want to book a hotel.
Lernen beginnen
boeken
Ik wil een hotel boeken.
to earn
She earns a good salary.
Lernen beginnen
verdienen
Ze verdient een goed salaris.
to fill in
Fill in the form please.
Lernen beginnen
invullen
Vul het formulier in alsjeblieft.
to return
When do you return home?
Lernen beginnen
terugkeren
Wanneer keer je thuis terug?
to search
I'm looking for a new job.
Lernen beginnen
zoeken
Ik zoek een nieuwe baan.
to send
I'll send you an email.
Lernen beginnen
sturen
Ik stuur je een e-mail.
to sign
Please sign the contract.
Lernen beginnen
ondertekenen
Teken het contract alsjeblieft.
to solve
We need to solve this problem.
Lernen beginnen
oplossen
We moeten dit probleem oplossen.
to succeed
I hope you succeed on the exam.
Lernen beginnen
slagen
Ik hoop dat je slaagt voor het examen.
to suggest
Can I suggest something?
Lernen beginnen
voorstellen
Mag ik iets voorstellen?
to support
Friends support each other.
Lernen beginnen
ondersteunen
Vrienden ondersteunen elkaar.
to translate
Can you translate this sentence?
Lernen beginnen
vertalen
Kun je deze zin vertalen?
to trust
I trust my colleagues.
Lernen beginnen
vertrouwen
Ik vertrouw mijn collega's.
to use
How do you use this machine?
Lernen beginnen
gebruiken
Hoe gebruik je deze machine?
to warn
He warned me about the danger.
Lernen beginnen
waarschuwen
Hij waarschuwde me voor het gevaar.
to wonder
I wonder what time it is.
Lernen beginnen
zich afvragen
Ik vraag me af hoe laat het is.
appointment
I have an appointment at three.
Lernen beginnen
afspraak
Ik heb een afspraak om drie uur.
neighbourhood
I live in a quiet neighbourhood.
Lernen beginnen
buurt
Ik woon in een rustige buurt.
salary
His salary increased this year.
Lernen beginnen
salaris
Zijn salaris is dit jaar gestegen.
permit
You need a permit for that.
Lernen beginnen
vergunning
Je hebt daar een vergunning voor nodig.
complaint
She filed a complaint.
Lernen beginnen
klacht
Ze diende een klacht in.
to ask
Can I ask you something?
Lernen beginnen
vragen
Mag ik je iets vragen?
to answer
Please answer the question.
Lernen beginnen
antwoorden
Beantwoord de vraag alsjeblieft.
to help
Can you help me?
Lernen beginnen
helpen
Kun je me helpen?
to work
She works in a hospital.
Lernen beginnen
werken
Ze werkt in een ziekenhuis.
to live
Where do you live?
Lernen beginnen
wonen
Waar woon je?
to buy
I want to buy a bicycle.
Lernen beginnen
kopen
Ik wil een fiets kopen.
to sell
He sells cars.
Lernen beginnen
verkopen
Hij verkoopt auto's.
to open
Can you open the window?
Lernen beginnen
openen
Kun je het raam openen?
to close
Please close the door.
Lernen beginnen
sluiten
Sluit de deur alsjeblieft.
to start
The class starts at nine.
Lernen beginnen
beginnen
De les begint om negen uur.
to finish
When does the film end?
Lernen beginnen
eindigen
Wanneer eindigt de film?
to read
I read the newspaper every morning.
Lernen beginnen
lezen
Ik lees elke ochtend de krant.
to write
He writes a letter to his friend.
Lernen beginnen
schrijven
Hij schrijft een brief aan zijn vriend.
to listen
Listen carefully!
Lernen beginnen
luisteren
Luister goed!
to speak
Do you speak Dutch?
Lernen beginnen
spreken
Spreek je Nederlands?
to eat
We eat dinner at six.
Lernen beginnen
eten
We eten om zes uur.
to drink
Would you like to drink something?
Lernen beginnen
drinken
Wil je iets drinken?
to sleep
I sleep eight hours a night.
Lernen beginnen
slapen
Ik slaap acht uur per nacht.
to walk
She walks to school every day.
Lernen beginnen
lopen
Ze loopt elke dag naar school.
to run
He runs five kilometres every morning.
Lernen beginnen
rennen
Hij rent elke ochtend vijf kilometer.
to sit
Please sit down.
Lernen beginnen
zitten
Ga alsjeblieft zitten.
to stand
He stands at the bus stop.
Lernen beginnen
staan
Hij staat bij de bushalte.
to wait
We wait for the bus.
Lernen beginnen
wachten
We wachten op de bus.
to arrive
The train arrives at eight.
Lernen beginnen
aankomen
De trein komt om acht uur aan.
to leave
When does the bus leave?
Lernen beginnen
vertrekken
Wanneer vertrekt de bus?
to travel
I love to travel.
Lernen beginnen
reizen
Ik reis graag.
to drive
She drives to work.
Lernen beginnen
rijden
Ze rijdt naar haar werk.
to call
I'll call you tonight.
Lernen beginnen
bellen
Ik bel je vanavond.
to say
What did you say?
Lernen beginnen
zeggen
Wat zei je?
to know
I don't know the answer.
Lernen beginnen
weten
Ik weet het antwoord niet.
to forget
Don't forget your keys!
Lernen beginnen
vergeten
Vergeet je sleutels niet!
to find
I can't find my wallet.
Lernen beginnen
vinden
Ik kan mijn portemonnee niet vinden.
to give
Can you give me a hand?
Lernen beginnen
geven
Kun je me een hand geven?
to take
Take the second street on the left.
Lernen beginnen
nemen
Neem de tweede straat links.
to put
Put the book on the table.
Lernen beginnen
zetten
Zet het boek op de tafel.
to make
She makes delicious food.
Lernen beginnen
maken
Ze maakt heerlijk eten.
to need
I need more time.
Lernen beginnen
nodig hebben
Ik heb meer tijd nodig.
to want
What do you want to eat?
Lernen beginnen
willen
Wat wil je eten?
to like
I like this neighbourhood.
Lernen beginnen
leuk vinden
Ik vind deze buurt leuk.
to love
He loves his family.
Lernen beginnen
houden van
Hij houdt van zijn familie.
to hate
She hates being late.
Lernen beginnen
haten
Ze haat het om te laat te zijn.
to try
Try to speak Dutch.
Lernen beginnen
proberen
Probeer Nederlands te spreken.
to practice
Practice makes perfect.
Lernen beginnen
oefenen
Oefening baart kunst.
to study
She studies medicine.
Lernen beginnen
studeren
Ze studeert medicijnen.
to learn
I want to learn Dutch.
Lernen beginnen
leren
Ik wil Nederlands leren.
to teach
He teaches at a university.
Lernen beginnen
onderwijzen
Hij onderwijst aan een universiteit.
to show
Can you show me the way?
Lernen beginnen
laten zien
Kun je me de weg laten zien?
to meet
Nice to meet you.
Lernen beginnen
ontmoeten
Aangenaam kennis te maken.
to invite
I want to invite you to dinner.
Lernen beginnen
uitnodigen
Ik wil je uitnodigen voor het avondeten.
to congratulate
I congratulate you on your birthday.
Lernen beginnen
feliciteren
Ik feliciteer je met je verjaardag.
to celebrate
We celebrate Christmas together.
Lernen beginnen
vieren
We vieren Kerstmis samen.
to plan
Let's plan the holiday.
Lernen beginnen
plannen
Laten we de vakantie plannen.
to prepare
She prepares for the exam.
Lernen beginnen
voorbereiden
Ze bereidt zich voor op het examen.
to clean
He cleans the house on Saturday.
Lernen beginnen
schoonmaken
Hij maakt het huis schoon op zaterdag.
to cook
I cook dinner every evening.
Lernen beginnen
koken
Ik kook elke avond het avondeten.
to wash
Wash your hands before eating.
Lernen beginnen
wassen
Was je handen voor het eten.
to repair
The mechanic repairs the car.
Lernen beginnen
repareren
De monteur repareert de auto.
to build
They are building a new house.
Lernen beginnen
bouwen
Ze bouwen een nieuw huis.
to design
She designs websites.
Lernen beginnen
ontwerpen
Ze ontwerpt websites.
to draw
The child draws a picture.
Lernen beginnen
tekenen
Het kind tekent een tekening.
to paint
He paints landscapes.
Lernen beginnen
schilderen
Hij schildert landschappen.
to sing
She sings in a choir.
Lernen beginnen
zingen
Ze zingt in een koor.
to play
The children play outside.
Lernen beginnen
spelen
De kinderen spelen buiten.
to win
Our team won the match.
Lernen beginnen
winnen
Ons team won de wedstrijd.
to lose a game
We lost the game.
Lernen beginnen
verliezen
We verloren het spel.
to exercise
I exercise three times a week.
Lernen beginnen
sporten
Ik sport drie keer per week.
to swim
He swims every morning.
Lernen beginnen
zwemmen
Hij zwemt elke ochtend.
to cycle
Many Dutch people cycle to work.
Lernen beginnen
fietsen
Veel Nederlanders fietsen naar het werk.
to rent
We rent an apartment in the city.
Lernen beginnen
huren
We huren een appartement in de stad.
to borrow
Can I borrow your pen?
Lernen beginnen
lenen
Mag ik je pen lenen?
to save
She saves money every month.
Lernen beginnen
sparen
Ze spaart elke maand geld.
to spend
He spends too much money.
Lernen beginnen
uitgeven
Hij geeft te veel geld uit.
to share
We share the costs.
Lernen beginnen
delen
We delen de kosten.
to apply
I applied for a new job.
Lernen beginnen
solliciteren
Ik solliciteerde naar een nieuwe baan.
to interview
They interviewed ten candidates.
Lernen beginnen
interviewen
Ze interviewden tien kandidaten.
to hire
The company hired three people.
Lernen beginnen
aannemen
Het bedrijf nam drie mensen aan.
to fire
He was fired last week.
Lernen beginnen
ontslaan
Hij werd vorige week ontslagen.
to retire
She retires next year.
Lernen beginnen
met pensioen gaan
Ze gaat volgend jaar met pensioen.
to vote
Did you vote in the election?
Lernen beginnen
stemmen
Heb je gestemd bij de verkiezingen?
to complain
He complained about the noise.
Lernen beginnen
klagen
Hij klaagde over het lawaai.
to agree with
I agree with your opinion.
Lernen beginnen
het eens zijn met
Ik ben het eens met jouw mening.
to disagree
We disagree on this point.
Lernen beginnen
het oneens zijn
We zijn het oneens over dit punt.
to discuss
Let's discuss the problem.
Lernen beginnen
bespreken
Laten we het probleem bespreken.
to argue
They argue about money.
Lernen beginnen
ruziemaken
Ze maken ruzie over geld.
to apologise
I apologise for being late.
Lernen beginnen
zich verontschuldigen
Ik verontschuldig me voor het te laat zijn.
to forgive
Can you forgive me?
Lernen beginnen
vergeven
Kun je me vergeven?
to promise
I promise to be on time.
Lernen beginnen
beloven
Ik beloof op tijd te zijn.
to refuse
She refused to sign the contract.
Lernen beginnen
weigeren
Ze weigerde het contract te tekenen.
to accept
He accepted the offer.
Lernen beginnen
accepteren
Hij accepteerde het aanbod.
to reject
The application was rejected.
Lernen beginnen
afwijzen
De aanvraag werd afgewezen.
to confirm
Please confirm your reservation.
Lernen beginnen
bevestigen
Bevestig alsjeblieft uw reservering.
to receive
Did you receive my email?
Lernen beginnen
ontvangen
Heb je mijn e-mail ontvangen?
to deliver
The parcel was delivered yesterday.
Lernen beginnen
bezorgen
Het pakket werd gisteren bezorgd.
to order
I'd like to order a coffee.
Lernen beginnen
bestellen
Ik wil graag een koffie bestellen.
to reserve
I'd like to reserve a table.
Lernen beginnen
reserveren
Ik wil graag een tafel reserveren.
to complain about
She complained about the service.
Lernen beginnen
klagen over
Ze klaagde over de service.
to depend on
It depends on the weather.
Lernen beginnen
afhangen van
Het hangt af van het weer.
to consist of
Breakfast consists of bread and cheese.
Lernen beginnen
bestaan uit
Het ontbijt bestaat uit brood en kaas.
to result in
Stress can lead to health problems.
Lernen beginnen
leiden tot
Stress kan leiden tot gezondheidsproblemen.
to take care of
She takes care of her elderly mother.
Lernen beginnen
zorgen voor
Ze zorgt voor haar bejaarde moeder.
to be responsible for
He is responsible for the project.
Lernen beginnen
verantwoordelijk zijn voor
Hij is verantwoordelijk voor het project.
to be interested in
Are you interested in art?
Lernen beginnen
geïnteresseerd zijn in
Ben je geïnteresseerd in kunst?
to be afraid of
She is afraid of heights.
Lernen beginnen
bang zijn voor
Ze is bang voor hoogten.
to be proud of
I am proud of my children.
Lernen beginnen
trots zijn op
Ik ben trots op mijn kinderen.
to be used to
I'm used to cold weather.
Lernen beginnen
gewend zijn aan
Ik ben gewend aan koud weer.
to look forward to
I look forward to the holidays.
Lernen beginnen
uitkijken naar
Ik kijk uit naar de vakantie.
to complain
Stop moaning about everything.
Lernen beginnen
mopperen
Stop met mopperen over alles.
to concentrate
I can't concentrate with that noise.
Lernen beginnen
concentreren
Ik kan me niet concentreren met dat lawaai.
to communicate
It's important to communicate clearly.
Lernen beginnen
communiceren
Het is belangrijk om duidelijk te communiceren.
to cooperate
We cooperate with other organisations.
Lernen beginnen
samenwerken
We werken samen met andere organisaties.
to compete
Companies compete for customers.
Lernen beginnen
concurreren
Bedrijven concurreren om klanten.
to contribute
Everyone should contribute to society.
Lernen beginnen
bijdragen
Iedereen zou moeten bijdragen aan de samenleving.
to benefit from
You can benefit from this offer.
Lernen beginnen
profiteren van
Je kunt profiteren van dit aanbod.
to suffer from
He suffers from back pain.
Lernen beginnen
lijden aan
Hij lijdt aan rugpijn.
to recover from
She is recovering from her illness.
Lernen beginnen
herstellen van
Ze herstelt van haar ziekte.
to deal with
How do you deal with stress?
Lernen beginnen
omgaan met
Hoe ga je om met stress?
to refer to
The doctor referred me to a specialist.
Lernen beginnen
verwijzen naar
De dokter verwees me naar een specialist.
to consist of
The course consists of ten lessons.
Lernen beginnen
bestaan uit
De cursus bestaat uit tien lessen.
neighbour
My neighbour is very friendly.
Lernen beginnen
buur
Mijn buur is erg vriendelijk.
colleague
She introduced her colleague.
Lernen beginnen
collega
Ze stelde haar collega voor.
employee
The employees work hard.
Lernen beginnen
werknemer
De werknemers werken hard.
employer
The employer offers good benefits.
Lernen beginnen
werkgever
De werkgever biedt goede voordelen.
customer
The customer is always right.
Lernen beginnen
klant
De klant heeft altijd gelijk.
citizen
Every citizen has rights.
Lernen beginnen
burger
Elke burger heeft rechten.
volunteer
She works as a volunteer.
Lernen beginnen
vrijwilliger
Ze werkt als vrijwilliger.
patient
The patient waits in the waiting room.
Lernen beginnen
patiënt
De patiënt wacht in de wachtkamer.
candidate
Three candidates applied for the job.
Lernen beginnen
kandidaat
Drie kandidaten solliciteerden op de baan.
member
He is a member of the club.
Lernen beginnen
lid
Hij is lid van de club.
owner
Who is the owner of this car?
Lernen beginnen
eigenaar
Wie is de eigenaar van deze auto?
manager
The manager held a meeting.
Lernen beginnen
manager
De manager hield een vergadering.
government
The government announced new rules.
Lernen beginnen
overheid
De overheid kondigde nieuwe regels aan.
law
Everyone must follow the law.
Lernen beginnen
wet
Iedereen moet de wet volgen.
rule
What are the rules here?
Lernen beginnen
regel
Wat zijn hier de regels?
right
You have the right to remain silent.
Lernen beginnen
recht
Je hebt het recht om te zwijgen.
duty
It is your duty to vote.
Lernen beginnen
plicht
Het is je plicht om te stemmen.
freedom
Freedom of speech is important.
Lernen beginnen
vrijheid
Vrijheid van meningsuiting is belangrijk.
responsibility
Take responsibility for your actions.
Lernen beginnen
verantwoordelijkheid
Neem verantwoordelijkheid voor je acties.
opportunity
This is a great opportunity.
Lernen beginnen
kans
Dit is een geweldige kans.
experience
She has a lot of experience.
Lernen beginnen
ervaring
Ze heeft veel ervaring.
knowledge
Knowledge is power.
Lernen beginnen
kennis
Kennis is macht.
skill
Good communication is an important skill.
Lernen beginnen
vaardigheid
Goede communicatie is een belangrijke vaardigheid.
education
A good education opens doors.
Lernen beginnen
opleiding
Een goede opleiding opent deuren.
training
The training lasts three days.
Lernen beginnen
training
De training duurt drie dagen.
certificate
She received a certificate.
Lernen beginnen
certificaat
Ze ontving een certificaat.
degree
He has a university degree.
Lernen beginnen
diploma
Hij heeft een universitair diploma.
exam
The exam is on Friday.
Lernen beginnen
examen
Het examen is op vrijdag.
result
The results will be announced next week.
Lernen beginnen
resultaat
De resultaten worden volgende week bekendgemaakt.
grade
She got a high grade.
Lernen beginnen
cijfer
Ze kreeg een hoog cijfer.
mistake
Everyone makes mistakes.
Lernen beginnen
fout
Iedereen maakt fouten.
advice
Can you give me some advice?
Lernen beginnen
advies
Kun je me wat advies geven?
information
I need more information.
Lernen beginnen
informatie
Ik heb meer informatie nodig.
news
Have you heard the latest news?
Lernen beginnen
nieuws
Heb je het laatste nieuws gehoord?
report
She wrote a detailed report.
Lernen beginnen
rapport
Ze schreef een gedetailleerd rapport.
letter
I received a letter from the bank.
Lernen beginnen
brief
Ik ontving een brief van de bank.
form
Please fill in this form.
Lernen beginnen
formulier
Vul dit formulier alsjeblieft in.
document
Sign the document here.
Lernen beginnen
document
Teken het document hier.
contract
Read the contract carefully.
Lernen beginnen
contract
Lees het contract zorgvuldig.
agreement
We reached an agreement.
Lernen beginnen
overeenkomst
We bereikten een overeenkomst.
meeting
The meeting starts at ten.
Lernen beginnen
vergadering
De vergadering begint om tien uur.
presentation
She gave an excellent presentation.
Lernen beginnen
presentatie
Ze gaf een uitstekende presentatie.
project
The project is almost finished.
Lernen beginnen
project
Het project is bijna klaar.
deadline
The deadline is tomorrow.
Lernen beginnen
deadline
De deadline is morgen.
problem
There is a problem with the system.
Lernen beginnen
probleem
Er is een probleem met het systeem.
solution
We found a solution.
Lernen beginnen
oplossing
We vonden een oplossing.
plan
What is your plan?
Lernen beginnen
plan
Wat is jouw plan?
goal
My goal is to speak fluent Dutch.
Lernen beginnen
doel
Mijn doel is vloeiend Nederlands spreken.
result
What was the outcome?
Lernen beginnen
uitkomst
Wat was de uitkomst?
progress
I see good progress.
Lernen beginnen
vooruitgang
Ik zie goede vooruitgang.
success
I wish you success.
Lernen beginnen
succes
Ik wens je succes.
failure
Failure is part of learning.
Lernen beginnen
mislukking
Mislukking maakt deel uit van leren.
effort
It takes a lot of effort.
Lernen beginnen
inspanning
Het kost veel inspanning.
difference
What is the difference?
Lernen beginnen
verschil
Wat is het verschil?
similarity
There are many similarities.
Lernen beginnen
overeenkomst
Er zijn veel overeenkomsten.
advantage
What are the advantages?
Lernen beginnen
voordeel
Wat zijn de voordelen?
disadvantage
There are some disadvantages.
Lernen beginnen
nadeel
Er zijn enkele nadelen.
choice
It is your choice.
Lernen beginnen
keuze
Het is jouw keuze.
decision
Make a decision now.
Lernen beginnen
beslissing
Neem nu een beslissing.
opinion
In my opinion this is wrong.
Lernen beginnen
mening
Naar mijn mening is dit fout.
reason
What is the reason for this?
Lernen beginnen
reden
Wat is de reden hiervoor?
cause
What caused the problem?
Lernen beginnen
oorzaak
Wat veroorzaakte het probleem?
effect
What is the effect of stress?
Lernen beginnen
effect
Wat is het effect van stress?
example
Can you give an example?
Lernen beginnen
voorbeeld
Kun je een voorbeeld geven?
question
I have a question.
Lernen beginnen
vraag
Ik heb een vraag.
answer
I don't know the answer.
Lernen beginnen
antwoord
Ik weet het antwoord niet.
subject
What is the subject of the email?
Lernen beginnen
onderwerp
Wat is het onderwerp van de e-mail?
topic
The topic of the lesson is grammar.
Lernen beginnen
thema
Het thema van de les is grammatica.
language
How many languages do you speak?
Lernen beginnen
taal
Hoeveel talen spreek je?
translation
The translation is incorrect.
Lernen beginnen
vertaling
De vertaling is onjuist.
pronunciation
Dutch pronunciation is difficult.
Lernen beginnen
uitspraak
De Nederlandse uitspraak is moeilijk.
grammar
Grammar is important in language learning.
Lernen beginnen
grammatica
Grammatica is belangrijk bij taalonderwijs.
vocabulary
You need to expand your vocabulary.
Lernen beginnen
woordenschat
Je moet je woordenschat uitbreiden.
sentence
Write a sentence with this word.
Lernen beginnen
zin
Schrijf een zin met dit woord.
word
What does this word mean?
Lernen beginnen
woord
Wat betekent dit woord?
meaning
What is the meaning of this?
Lernen beginnen
betekenis
Wat is de betekenis hiervan?
definition
Look up the definition in the dictionary.
Lernen beginnen
definitie
Zoek de definitie op in het woordenboek.
dictionary
I always use a dictionary.
Lernen beginnen
woordenboek
Ik gebruik altijd een woordenboek.
exercise
Do the exercises on page five.
Lernen beginnen
oefening
Doe de oefeningen op pagina vijf.
lesson
The lesson lasts forty-five minutes.
Lernen beginnen
les
De les duurt vijfenveertig minuten.
course
I am taking a Dutch course.
Lernen beginnen
cursus
Ik volg een Nederlandse cursus.
school
The children go to school.
Lernen beginnen
school
De kinderen gaan naar school.
university
She studies at a university.
Lernen beginnen
universiteit
Ze studeert aan een universiteit.
library
I borrowed a book from the library.
Lernen beginnen
bibliotheek
Ik leende een boek van de bibliotheek.
hospital
He was taken to hospital.
Lernen beginnen
ziekenhuis
Hij werd naar het ziekenhuis gebracht.
pharmacy
I need to go to the pharmacy.
Lernen beginnen
apotheek
Ik moet naar de apotheek.
doctor
I have an appointment with the doctor.
Lernen beginnen
dokter
Ik heb een afspraak bij de dokter.
dentist
She goes to the dentist twice a year.
Lernen beginnen
tandarts
Ze gaat twee keer per jaar naar de tandarts.
nurse
The nurse took my blood pressure.
Lernen beginnen
verpleegkundige
De verpleegkundige mat mijn bloeddruk.
medicine
Take this medicine twice a day.
Lernen beginnen
medicijn
Neem dit medicijn twee keer per dag.
pain
I have a pain in my back.
Lernen beginnen
pijn
Ik heb pijn in mijn rug.
illness
She has a serious illness.
Lernen beginnen
ziekte
Ze heeft een ernstige ziekte.
health
Health is more important than money.
Lernen beginnen
gezondheid
Gezondheid is belangrijker dan geld.
insurance
Do you have health insurance?
Lernen beginnen
verzekering
Heb je een zorgverzekering?
emergency
Call the emergency services!
Lernen beginnen
noodgeval
Bel de hulpdiensten!
accident
There was an accident on the road.
Lernen beginnen
ongeluk
Er was een ongeluk op de weg.
injury
He sustained a minor injury.
Lernen beginnen
verwonding
Hij liep een kleine verwonding op.
operation
She had an operation last week.
Lernen beginnen
operatie
Ze had vorige week een operatie.
appointment
I need to make an appointment.
Lernen beginnen
afspraak
Ik moet een afspraak maken.
waiting room
Please wait in the waiting room.
Lernen beginnen
wachtkamer
Wacht alsjeblieft in de wachtkamer.
prescription
The doctor gave me a prescription.
Lernen beginnen
recept
De dokter gaf me een recept.
symptom
What are the symptoms?
Lernen beginnen
symptoom
Wat zijn de symptomen?
allergy
I have an allergy to peanuts.
Lernen beginnen
allergie
Ik ben allergisch voor pinda's.
diet
She is on a strict diet.
Lernen beginnen
dieet
Ze is op een streng dieet.
exercise
Regular exercise is good for your health.
Lernen beginnen
lichaamsbeweging
Regelmatige lichaamsbeweging is goed voor je gezondheid.
stress
He suffers from a lot of stress.
Lernen beginnen
stress
Hij lijdt aan veel stress.
rest
You need to get some rest.
Lernen beginnen
rust
Je moet wat rust nemen.
sleep
A good night's sleep is important.
Lernen beginnen
slaap
Een goede nachtrust is belangrijk.
flat
They live in a flat in Amsterdam.
Lernen beginnen
appartement
Ze wonen in een appartement in Amsterdam.
house
We bought a new house.
Lernen beginnen
huis
We kochten een nieuw huis.
room
The room is small but cosy.
Lernen beginnen
kamer
De kamer is klein maar gezellig.
kitchen
She cooks in the kitchen.
Lernen beginnen
keuken
Ze kookt in de keuken.
bathroom
The bathroom needs cleaning.
Lernen beginnen
badkamer
De badkamer moet schoongemaakt worden.
bedroom
The bedroom is on the first floor.
Lernen beginnen
slaapkamer
De slaapkamer is op de eerste verdieping.
living room
We watch TV in the living room.
Lernen beginnen
woonkamer
We kijken TV in de woonkamer.
garden
He grows vegetables in the garden.
Lernen beginnen
tuin
Hij kweekt groenten in de tuin.
balcony
She drinks coffee on the balcony.
Lernen beginnen
balkon
Ze drinkt koffie op het balkon.
furniture
They bought new furniture.
Lernen beginnen
meubels
Ze kochten nieuwe meubels.
rent
The rent increased this year.
Lernen beginnen
huur
De huur steeg dit jaar.
mortgage
They took out a mortgage.
Lernen beginnen
hypotheek
Ze namen een hypotheek.
landlord
The landlord fixed the heating.
Lernen beginnen
verhuurder
De verhuurder repareerde de verwarming.
tenant
The tenant pays rent on time.
Lernen beginnen
huurder
De huurder betaalt de huur op tijd.
address
What is your address?
Lernen beginnen
adres
Wat is jouw adres?
postcode
What is the postcode here?
Lernen beginnen
postcode
Wat is hier de postcode?
street
She lives on a quiet street.
Lernen beginnen
straat
Ze woont op een rustige straat.
city
Amsterdam is a beautiful city.
Lernen beginnen
stad
Amsterdam is een mooie stad.
village
He grew up in a small village.
Lernen beginnen
dorp
Hij groeide op in een klein dorp.
country
Which country are you from?
Lernen beginnen
land
Uit welk land kom je?
region
This region is known for its cheese.
Lernen beginnen
regio
Deze regio is bekend om zijn kaas.
border
We crossed the border.
Lernen beginnen
grens
We staken de grens over.
capital
Amsterdam is the capital of the Netherlands.
Lernen beginnen
hoofdstad
Amsterdam is de hoofdstad van Nederland.
public transport
I use public transport every day.
Lernen beginnen
openbaar vervoer
Ik gebruik elke dag het openbaar vervoer.
train
The train is often on time.
Lernen beginnen
trein
De trein is vaak op tijd.
bus
Which bus goes to the centre?
Lernen beginnen
bus
Welke bus gaat naar het centrum?
tram
The tram stops here.
Lernen beginnen
tram
De tram stopt hier.
bicycle
She cycles everywhere.
Lernen beginnen
fiets
Ze fietst overal heen.
car
He drives to work by car.
Lernen beginnen
auto
Hij rijdt met de auto naar zijn werk.
ticket
I need to buy a train ticket.
Lernen beginnen
kaartje
Ik moet een treinkaartje kopen.
platform
The train departs from platform three.
Lernen beginnen
perron
De trein vertrekt van perron drie.
station
The station is in the centre.
Lernen beginnen
station
Het station staat in het centrum.
airport
The airport is outside the city.
Lernen beginnen
luchthaven
De luchthaven ligt buiten de stad.
flight
The flight is delayed.
Lernen beginnen
vlucht
De vlucht heeft vertraging.
passport
Don't forget your passport.
Lernen beginnen
paspoort
Vergeet je paspoort niet.
luggage
I have only one piece of luggage.
Lernen beginnen
bagage
Ik heb maar één stuk bagage.
hotel
We stay in a hotel downtown.
Lernen beginnen
hotel
We verblijven in een hotel in het centrum.
reservation
I have a reservation for tonight.
Lernen beginnen
reservering
Ik heb een reservering voor vanavond.
check-in
Check-in starts at two o'clock.
Lernen beginnen
inchecken
Inchecken begint om twee uur.
supermarket
The supermarket is around the corner.
Lernen beginnen
supermarkt
De supermarkt is om de hoek.
bakery
The bakery opens at seven.
Lernen beginnen
bakkerij
De bakkerij opent om zeven uur.
butcher
She buys meat at the butcher.
Lernen beginnen
slager
Ze koopt vlees bij de slager.
market
There is a market on Saturday.
Lernen beginnen
markt
Er is zaterdag een markt.
shop
The shop closes at six.
Lernen beginnen
winkel
De winkel sluit om zes uur.
price
The price has gone up.
Lernen beginnen
prijs
De prijs is gestegen.
discount
Is there a discount?
Lernen beginnen
korting
Is er korting?
receipt
Can I have a receipt?
Lernen beginnen
bon
Mag ik een bon?
cash
Do you have cash?
Lernen beginnen
contant geld
Heb je contant geld?
credit card
Can I pay by credit card?
Lernen beginnen
creditcard
Kan ik met een creditcard betalen?
bank account
I opened a bank account.
Lernen beginnen
bankrekening
Ik opende een bankrekening.
loan
He took out a loan.
Lernen beginnen
lening
Hij nam een lening.
interest
The interest rate is low.
Lernen beginnen
rente
De rente is laag.
tax
Everyone pays taxes.
Lernen beginnen
belasting
Iedereen betaalt belasting.
invoice
Please send me the invoice.
Lernen beginnen
factuur
Stuur me alsjeblieft de factuur.
budget
We need to stick to our budget.
Lernen beginnen
budget
We moeten ons aan ons budget houden.
profit
The company made a profit.
Lernen beginnen
winst
Het bedrijf maakte winst.
loss
They suffered a loss.
Lernen beginnen
verlies
Ze leden een verlies.
cost
What are the total costs?
Lernen beginnen
kosten
Wat zijn de totale kosten?
income
Her income has increased.
Lernen beginnen
inkomen
Haar inkomen is gestegen.
expense
Food is my biggest expense.
Lernen beginnen
uitgave
Eten is mijn grootste uitgave.
investment
It is a good investment.
Lernen beginnen
investering
Het is een goede investering.
weather
The weather is nice today.
Lernen beginnen
weer
Het weer is vandaag mooi.
temperature
The temperature drops at night.
Lernen beginnen
temperatuur
De temperatuur daalt 's nachts.
rain
It rains a lot in autumn.
Lernen beginnen
regen
Het regent veel in de herfst.
snow
There is snow in the mountains.
Lernen beginnen
sneeuw
Er is sneeuw in de bergen.
wind
The wind is strong today.
Lernen beginnen
wind
De wind is vandaag sterk.
storm
There was a big storm last night.
Lernen beginnen
storm
Er was gisteravond een grote storm.
sunshine
I enjoy the sunshine.
Lernen beginnen
zonneschijn
Ik geniet van de zonneschijn.
cloud
The sky is full of clouds.
Lernen beginnen
wolk
De lucht is vol wolken.
fog
There is thick fog on the road.
Lernen beginnen
mist
Er is dikke mist op de weg.
frost
There was frost last night.
Lernen beginnen
vorst
Er was gisteravond vorst.
flood
The flood caused a lot of damage.
Lernen beginnen
overstroming
De overstroming veroorzaakte veel schade.
drought
The drought affected the harvest.
Lernen beginnen
droogte
De droogte beïnvloedde de oogst.
climate
Climate change is a serious problem.
Lernen beginnen
klimaat
Klimaatverandering is een ernstig probleem.
environment
We must protect the environment.
Lernen beginnen
milieu
We moeten het milieu beschermen.
pollution
Air pollution is bad for health.
Lernen beginnen
vervuiling
Luchtvervuiling is slecht voor de gezondheid.
energy
Renewable energy is the future.
Lernen beginnen
energie
Hernieuwbare energie is de toekomst.
electricity
The electricity was cut off.
Lernen beginnen
elektriciteit
De elektriciteit werd afgesneden.
gas
The gas bill is very high.
Lernen beginnen
gas
De gasrekening is erg hoog.
water
Save water when possible.
Lernen beginnen
water
Bespaar water waar mogelijk.
recycling
Recycling is important for the planet.
Lernen beginnen
recycling
Recycling is belangrijk voor de planeet.
waste
Put the waste in the bin.
Lernen beginnen
afval
Gooi het afval in de prullenbak.
nature
I love walking in nature.
Lernen beginnen
natuur
Ik hou van wandelen in de natuur.
forest
There is a large forest nearby.
Lernen beginnen
bos
Er is een groot bos in de buurt.
river
The river flows through the city.
Lernen beginnen
rivier
De rivier stroomt door de stad.
sea
We went to the sea in summer.
Lernen beginnen
zee
We gingen in de zomer naar de zee.
mountain
He climbed the mountain.
Lernen beginnen
berg
Hij beklom de berg.
island
She lives on a small island.
Lernen beginnen
eiland
Ze woont op een klein eiland.
beach
We spent the day at the beach.
Lernen beginnen
strand
We brachten de dag door op het strand.
park
The children play in the park.
Lernen beginnen
park
De kinderen spelen in het park.
animal
There are many animals in the zoo.
Lernen beginnen
dier
Er zijn veel dieren in de dierentuin.
plant
She waters the plants every day.
Lernen beginnen
plant
Ze geeft elke dag water aan de planten.
flower
He gave her a bunch of flowers.
Lernen beginnen
bloem
Hij gaf haar een bos bloemen.
tree
The tree is very old.
Lernen beginnen
boom
De boom is erg oud.
food
Fresh food is important.
Lernen beginnen
voedsel
Vers voedsel is belangrijk.
vegetable
Eat more vegetables.
Lernen beginnen
groente
Eet meer groenten.
fruit
Fresh fruit is healthy.
Lernen beginnen
fruit
Vers fruit is gezond.
meat
She doesn't eat meat.
Lernen beginnen
vlees
Ze eet geen vlees.
fish
Fish is rich in protein.
Lernen beginnen
vis
Vis is rijk aan eiwitten.
bread
Dutch people eat a lot of bread.
Lernen beginnen
brood
Nederlanders eten veel brood.
cheese
The Netherlands is famous for its cheese.
Lernen beginnen
kaas
Nederland is beroemd om zijn kaas.
milk
I drink a glass of milk every morning.
Lernen beginnen
melk
Ik drink elke ochtend een glas melk.
coffee
Would you like a cup of coffee?
Lernen beginnen
koffie
Wil je een kopje koffie?
tea
I prefer tea in the evening.
Lernen beginnen
thee
Ik geef de voorkeur aan thee 's avonds.
water
I drink two litres of water a day.
Lernen beginnen
water
Ik drink twee liter water per dag.
juice
She drinks orange juice for breakfast.
Lernen beginnen
sap
Ze drinkt sinaasappelsap bij het ontbijt.
beer
Dutch beer is well known.
Lernen beginnen
bier
Nederlands bier is goed bekend.
wine
A glass of wine with dinner.
Lernen beginnen
wijn
Een glas wijn bij het avondeten.
breakfast
I never skip breakfast.
Lernen beginnen
ontbijt
Ik sla het ontbijt nooit over.
lunch
We have lunch at noon.
Lernen beginnen
lunch
We lunchen om twaalf uur.
dinner
Dinner is ready at six.
Lernen beginnen
avondeten
Het avondeten is om zes uur klaar.
snack
She eats a snack at three.
Lernen beginnen
snack
Ze eet om drie uur een snack.
recipe
I tried a new recipe.
Lernen beginnen
recept
Ik probeerde een nieuw recept.
ingredient
What ingredients do you need?
Lernen beginnen
ingrediënt
Welke ingrediënten heb je nodig?
flavour
The flavour is delicious.
Lernen beginnen
smaak
De smaak is heerlijk.
portion
The portion is very large.
Lernen beginnen
portie
De portie is erg groot.
menu
Can I see the menu?
Lernen beginnen
menu
Mag ik het menu zien?
waiter
The waiter took our order.
Lernen beginnen
ober
De ober nam onze bestelling op.
tip
Did you leave a tip?
Lernen beginnen
fooi
Heb je fooi gegeven?
bill
Can we have the bill please?
Lernen beginnen
rekening
Kunnen we de rekening alstublieft krijgen?
restaurant
Let's go to a restaurant.
Lernen beginnen
restaurant
Laten we naar een restaurant gaan.
café
I work in a café.
Lernen beginnen
café
Ik werk in een café.
bar
He met his friends at the bar.
Lernen beginnen
kroeg
Hij ontmoette zijn vrienden in de kroeg.
family
Family is very important.
Lernen beginnen
familie
Familie is erg belangrijk.
parents
My parents live nearby.
Lernen beginnen
ouders
Mijn ouders wonen in de buurt.
mother
My mother is a teacher.
Lernen beginnen
moeder
Mijn moeder is lerares.
father
His father works in construction.
Lernen beginnen
vader
Zijn vader werkt in de bouw.
child
The child is very curious.
Lernen beginnen
kind
Het kind is erg nieuwsgierig.
baby
The baby is sleeping.
Lernen beginnen
baby
De baby slaapt.
brother
My brother lives in Rotterdam.
Lernen beginnen
broer
Mijn broer woont in Rotterdam.
sister
Her sister is a nurse.
Lernen beginnen
zus
Haar zus is verpleegkundige.
grandmother
My grandmother makes great soup.
Lernen beginnen
oma
Mijn oma maakt geweldige soep.
grandfather
He visits his grandfather every week.
Lernen beginnen
opa
Hij bezoekt zijn opa elke week.
aunt
My aunt lives in Belgium.
Lernen beginnen
tante
Mijn tante woont in België.
uncle
His uncle is a doctor.
Lernen beginnen
oom
Zijn oom is dokter.
cousin
She has many cousins.
Lernen beginnen
neef/nicht
Ze heeft veel neven en nichten.
husband
Her husband works abroad.
Lernen beginnen
echtgenoot
Haar echtgenoot werkt in het buitenland.
wife
His wife is a lawyer.
Lernen beginnen
echtgenote
Zijn echtgenote is advocaat.
partner
My partner and I travel a lot.
Lernen beginnen
partner
Mijn partner en ik reizen veel.
friend
She is my best friend.
Lernen beginnen
vriend
Ze is mijn beste vriendin.
colleague
He is a helpful colleague.
Lernen beginnen
collega
Hij is een behulpzame collega.
boss
My boss is very demanding.
Lernen beginnen
baas
Mijn baas is erg veeleisend.
stranger
Don't talk to strangers.
Lernen beginnen
vreemde
Praat niet met vreemden.
age
What is your age?
Lernen beginnen
leeftijd
Wat is je leeftijd?
birthday
Happy birthday!
Lernen beginnen
verjaardag
Gefeliciteerd met je verjaardag!
hobby
What are your hobbies?
Lernen beginnen
hobby
Wat zijn je hobby's?
interest
I have an interest in music.
Lernen beginnen
interesse
Ik heb interesse in muziek.
sport
Which sport do you play?
Lernen beginnen
sport
Welke sport beoefen je?
music
She plays music every evening.
Lernen beginnen
muziek
Ze speelt elke avond muziek.
film
What kind of films do you like?
Lernen beginnen
film
Wat voor films vind je leuk?
book
I read a book every week.
Lernen beginnen
boek
Ik lees elke week een boek.
art
She is interested in modern art.
Lernen beginnen
kunst
Ze is geïnteresseerd in moderne kunst.
theatre
We went to the theatre.
Lernen beginnen
theater
We gingen naar het theater.
concert
The concert was amazing.
Lernen beginnen
concert
Het concert was geweldig.
museum
The museum is open on Sunday.
Lernen beginnen
museum
Het museum is zondag open.
exhibition
There is an interesting exhibition.
Lernen beginnen
tentoonstelling
Er is een interessante tentoonstelling.
festival
The festival attracts many visitors.
Lernen beginnen
festival
Het festival trekt veel bezoekers.
party
She organised a party.
Lernen beginnen
feest
Ze organiseerde een feest.
celebration
The celebration was unforgettable.
Lernen beginnen
viering
De viering was onvergetelijk.
holiday
Where did you go on holiday?
Lernen beginnen
vakantie
Waar ging je op vakantie?
trip
We made a trip to Belgium.
Lernen beginnen
reis
We maakten een reis naar België.
journey
The journey took three hours.
Lernen beginnen
tocht
De tocht duurde drie uur.
destination
What is your destination?
Lernen beginnen
bestemming
Wat is je bestemming?
culture
Dutch culture is fascinating.
Lernen beginnen
cultuur
De Nederlandse cultuur is fascinerend.
tradition
Every country has its own traditions.
Lernen beginnen
traditie
Elk land heeft zijn eigen tradities.
habit
It is a bad habit.
Lernen beginnen
gewoonte
Het is een slechte gewoonte.
custom
It is a local custom.
Lernen beginnen
gebruik
Het is een plaatselijk gebruik.
value
Family values are important.
Lernen beginnen
waarde
Familiewaarden zijn belangrijk.
belief
She has strong beliefs.
Lernen beginnen
overtuiging
Ze heeft sterke overtuigingen.
religion
They respect different religions.
Lernen beginnen
religie
Ze respecteren verschillende religies.
politics
I don't talk about politics.
Lernen beginnen
politiek
Ik praat niet over politiek.
election
The election is next month.
Lernen beginnen
verkiezing
De verkiezing is volgende maand.
party
Which political party do you support?
Lernen beginnen
partij
Welke politieke partij steun je?
prime minister
The prime minister gave a speech.
Lernen beginnen
minister-president
De minister-president hield een toespraak.
minister
The minister announced new policy.
Lernen beginnen
minister
De minister kondigde nieuw beleid aan.
policy
The company has a clear policy.
Lernen beginnen
beleid
Het bedrijf heeft een duidelijk beleid.
economy
The economy is growing.
Lernen beginnen
economie
De economie groeit.
unemployment
Unemployment is rising.
Lernen beginnen
werkloosheid
De werkloosheid neemt toe.
poverty
Poverty is a global problem.
Lernen beginnen
armoede
Armoede is een wereldwijd probleem.
inequality
Social inequality must be addressed.
Lernen beginnen
ongelijkheid
Sociale ongelijkheid moet worden aangepakt.
immigration
Immigration policy is debated.
Lernen beginnen
immigratie
Immigratiebeleid wordt bediscussieerd.
integration
Integration into society takes time.
Lernen beginnen
integratie
Integratie in de samenleving kost tijd.
diversity
Diversity makes society richer.
Lernen beginnen
diversiteit
Diversiteit maakt de samenleving rijker.
discrimination
Discrimination is not acceptable.
Lernen beginnen
discriminatie
Discriminatie is niet acceptabel.
equality
Equality is a fundamental right.
Lernen beginnen
gelijkheid
Gelijkheid is een fundamenteel recht.
justice
Everyone deserves justice.
Lernen beginnen
rechtvaardigheid
Iedereen verdient rechtvaardigheid.
crime
The crime rate has dropped.
Lernen beginnen
misdaad
Het misdaadcijfer is gedaald.
police
Call the police!
Lernen beginnen
politie
Bel de politie!
court
The case went to court.
Lernen beginnen
rechtbank
De zaak ging naar de rechtbank.
judge
The judge made a decision.
Lernen beginnen
rechter
De rechter nam een beslissing.
prison
He was sent to prison.
Lernen beginnen
gevangenis
Hij werd naar de gevangenis gestuurd.
fine
She got a fine for speeding.
Lernen beginnen
boete
Ze kreeg een boete voor te hard rijden.
technology
Technology changes fast.
Lernen beginnen
technologie
Technologie verandert snel.
computer
My computer is broken.
Lernen beginnen
computer
Mijn computer is kapot.
internet
The internet connection is slow.
Lernen beginnen
internet
De internetverbinding is traag.
website
Visit our website for more information.
Lernen beginnen
website
Bezoek onze website voor meer informatie.
app
Download the app for free.
Lernen beginnen
app
Download de app gratis.
smartphone
She is always on her smartphone.
Lernen beginnen
smartphone
Ze is altijd op haar smartphone.
social media
Social media can be addictive.
Lernen beginnen
sociale media
Sociale media kunnen verslavend zijn.
email
I'll send you an email tonight.
Lernen beginnen
e-mail
Ik stuur je vanavond een e-mail.
password
Don't share your password.
Lernen beginnen
wachtwoord
Deel je wachtwoord niet.
data
Your data is protected.
Lernen beginnen
data
Jouw data is beschermd.
software
Update your software regularly.
Lernen beginnen
software
Update je software regelmatig.
screen
The screen is cracked.
Lernen beginnen
scherm
Het scherm is gebarsten.
keyboard
The keyboard is not working.
Lernen beginnen
toetsenbord
Het toetsenbord werkt niet.
printer
The printer is out of paper.
Lernen beginnen
printer
De printer heeft geen papier meer.
network
Connect to the network.
Lernen beginnen
netwerk
Verbind met het netwerk.
to download
I downloaded the file.
Lernen beginnen
downloaden
Ik downloadde het bestand.
to upload
She uploaded the photo.
Lernen beginnen
uploaden
Ze uploadde de foto.
to search online
I searched online for information.
Lernen beginnen
online zoeken
Ik zocht online naar informatie.
to log in
Log in with your username.
Lernen beginnen
inloggen
Log in met je gebruikersnaam.
to log out
Don't forget to log out.
Lernen beginnen
uitloggen
Vergeet niet uit te loggen.
to save a file
Save the file before closing.
Lernen beginnen
een bestand opslaan
Sla het bestand op voor het sluiten.
to delete
Delete the old files.
Lernen beginnen
verwijderen
Verwijder de oude bestanden.
job
She found a new job.
Lernen beginnen
baan
Ze vond een nieuwe baan.
career
He has a successful career.
Lernen beginnen
carrière
Hij heeft een succesvolle carrière.
profession
What is your profession?
Lernen beginnen
beroep
Wat is je beroep?
office
The office is on the third floor.
Lernen beginnen
kantoor
Het kantoor is op de derde verdieping.
factory
He works in a factory.
Lernen beginnen
fabriek
Hij werkt in een fabriek.
shop
She manages a small shop.
Lernen beginnen
winkel
Ze beheert een kleine winkel.
company
The company has fifty employees.
Lernen beginnen
bedrijf
Het bedrijf heeft vijftig werknemers.
organisation
She works for a charity organisation.
Lernen beginnen
organisatie
Ze werkt voor een liefdadigheidsorganisatie.
department
Which department do you work in?
Lernen beginnen
afdeling
Op welke afdeling werk je?
colleague
My colleagues are very supportive.
Lernen beginnen
collega
Mijn collega's zijn erg ondersteunend.
task
I have many tasks today.
Lernen beginnen
taak
Ik heb vandaag veel taken.
workload
The workload is too high.
Lernen beginnen
werkdruk
De werkdruk is te hoog.
shift
She works the night shift.
Lernen beginnen
dienst
Ze werkt de nachtdienst.
overtime
He does a lot of overtime.
Lernen beginnen
overwerk
Hij doet veel overwerk.
break
I need a short break.
Lernen beginnen
pauze
Ik heb een korte pauze nodig.
promotion
She got a promotion.
Lernen beginnen
promotie
Ze kreeg een promotie.
raise
He asked for a raise.
Lernen beginnen
loonsverhoging
Hij vroeg om een loonsverhoging.
resignation
She handed in her resignation.
Lernen beginnen
ontslag
Ze diende haar ontslag in.
unemployment benefit
He receives unemployment benefit.
Lernen beginnen
werkloosheidsuitkering
Hij ontvangt een werkloosheidsuitkering.
to negotiate
They negotiated a better deal.
Lernen beginnen
onderhandelen
Ze onderhandelden over een betere deal.
to manage
She manages a team of ten.
Lernen beginnen
beheren
Ze beheert een team van tien.
to organise
He organises the events.
Lernen beginnen
organiseren
Hij organiseert de evenementen.
to present
She presented the results.
Lernen beginnen
presenteren
Ze presenteerde de resultaten.
to evaluate
We evaluate performance every year.
Lernen beginnen
evalueren
We evalueren de prestaties elk jaar.
to implement
The plan was implemented successfully.
Lernen beginnen
implementeren
Het plan werd succesvol geïmplementeerd.
to achieve
She achieved her goals.
Lernen beginnen
bereiken
Ze bereikte haar doelen.
to develop
He developed a new product.
Lernen beginnen
ontwikkelen
Hij ontwikkelde een nieuw product.
to research
Scientists research new medicines.
Lernen beginnen
onderzoeken
Wetenschappers onderzoeken nieuwe medicijnen.
to analyse
We need to analyse the data.
Lernen beginnen
analyseren
We moeten de data analyseren.
to compare
Compare the two options.
Lernen beginnen
vergelijken
Vergelijk de twee opties.
to calculate
Can you calculate the total?
Lernen beginnen
berekenen
Kun je het totaal berekenen?
to estimate
It is hard to estimate the cost.
Lernen beginnen
schatten
Het is moeilijk om de kosten te schatten.
to measure
Measure the room carefully.
Lernen beginnen
meten
Meet de kamer zorgvuldig op.
to test
We will test the system tomorrow.
Lernen beginnen
testen
We testen het systeem morgen.
to prove
He proved his innocence.
Lernen beginnen
bewijzen
Hij bewees zijn onschuld.
to predict
It is hard to predict the future.
Lernen beginnen
voorspellen
Het is moeilijk de toekomst te voorspellen.
to influence
Friends influence your choices.
Lernen beginnen
beïnvloeden
Vrienden beïnvloeden je keuzes.
to affect
Stress affects your health.
Lernen beginnen
beïnvloeden
Stress beïnvloedt je gezondheid.
to cause
What caused the accident?
Lernen beginnen
veroorzaken
Wat veroorzaakte het ongeluk?
to prevent
How can we prevent this?
Lernen beginnen
voorkomen
Hoe kunnen we dit voorkomen?
to reduce
We need to reduce waste.
Lernen beginnen
verminderen
We moeten afval verminderen.
to increase
The number of students is increasing.
Lernen beginnen
toenemen
Het aantal studenten neemt toe.
to decrease
Sales have decreased this year.
Lernen beginnen
afnemen
De verkoop is dit jaar afgenomen.
to maintain
We must maintain the equipment.
Lernen beginnen
onderhouden
We moeten de apparatuur onderhouden.
to replace
Replace the battery every year.
Lernen beginnen
vervangen
Vervang de batterij elk jaar.
to improve
The service has improved a lot.
Lernen beginnen
verbeteren
De service is veel verbeterd.
to review
Please review the document.
Lernen beginnen
beoordelen
Beoordeel het document alsjeblieft.
to update
Update your contact information.
Lernen beginnen
bijwerken
Werk uw contactinformatie bij.
to report
Report any problems immediately.
Lernen beginnen
rapporteren
Meld eventuele problemen onmiddellijk.
to record
Record your hours carefully.
Lernen beginnen
registreren
Registreer je uren zorgvuldig.
to store
Store the data securely.
Lernen beginnen
opslaan
Sla de gegevens veilig op.
to protect
We protect your personal data.
Lernen beginnen
beschermen
We beschermen uw persoonlijke gegevens.
to access
Only staff can access this area.
Lernen beginnen
toegang hebben tot
Alleen personeel heeft toegang tot dit gebied.
to connect
Connect the cable to the computer.
Lernen beginnen
verbinden
Verbind de kabel met de computer.
to communicate
It's important to communicate well.
Lernen beginnen
communiceren
Het is belangrijk om goed te communiceren.
to negotiate
He negotiated a lower price.
Lernen beginnen
onderhandelen
Hij onderhandelde over een lagere prijs.
to complain
She complained to the manager.
Lernen beginnen
klagen
Ze klaagde bij de manager.
to request
I request your cooperation.
Lernen beginnen
verzoeken
Ik verzoek om uw medewerking.
to demand
He demanded an explanation.
Lernen beginnen
eisen
Hij eiste een verklaring.
to permit
Smoking is not permitted here.
Lernen beginnen
toestaan
Roken is hier niet toegestaan.
to forbid
It is forbidden to park here.
Lernen beginnen
verbieden
Het is verboden om hier te parkeren.
to require
The job requires experience.
Lernen beginnen
vereisen
De baan vereist ervaring.
to recommend
I recommend this restaurant.
Lernen beginnen
aanbevelen
Ik beveel dit restaurant aan.
to guarantee
We guarantee quality.
Lernen beginnen
garanderen
We garanderen kwaliteit.
to provide
They provide free training.
Lernen beginnen
verstrekken
Ze verstrekken gratis training.
to limit
We must limit our expenses.
Lernen beginnen
beperken
We moeten onze uitgaven beperken.
to expand
The company wants to expand.
Lernen beginnen
uitbreiden
Het bedrijf wil uitbreiden.
to establish
They established a new company.
Lernen beginnen
oprichten
Ze richtten een nieuw bedrijf op.
to found
The organisation was founded in 1990.
Lernen beginnen
oprichten
De organisatie werd opgericht in 1990.
to close down
The factory closed down.
Lernen beginnen
sluiten
De fabriek sloot.
to merge
The two companies merged.
Lernen beginnen
fuseren
De twee bedrijven fuseerden.
to invest
They invested in new technology.
Lernen beginnen
investeren
Ze investeerden in nieuwe technologie.
to produce
The factory produces cars.
Lernen beginnen
produceren
De fabriek produceert auto's.
to export
The Netherlands exports a lot of food.
Lernen beginnen
exporteren
Nederland exporteert veel voedsel.
to import
We import goods from Asia.
Lernen beginnen
importeren
We importeren goederen uit Azië.
to distribute
They distribute products nationwide.
Lernen beginnen
distribueren
Ze distribueren producten door het hele land.
to market
The new product will be marketed next month.
Lernen beginnen
op de markt brengen
Het nieuwe product wordt volgende maand op de markt gebracht.
to advertise
They advertise on social media.
Lernen beginnen
adverteren
Ze adverteren op sociale media.
to promote
He promotes healthy living.
Lernen beginnen
promoten
Hij promoot een gezonde levensstijl.
to launch
The company launched a new app.
Lernen beginnen
lanceren
Het bedrijf lanceerde een nieuwe app.
to innovate
We must innovate to stay competitive.
Lernen beginnen
innoveren
We moeten innoveren om concurrerend te blijven.
to collaborate
Let's collaborate on this project.
Lernen beginnen
samenwerken
Laten we samenwerken aan dit project.
to network
She networks at every event.
Lernen beginnen
netwerken
Ze netwerkт bij elk evenement.
to present
He presented his ideas clearly.
Lernen beginnen
presenteren
Hij presenteerde zijn ideeën duidelijk.
to demonstrate
She demonstrated the new software.
Lernen beginnen
demonstreren
Ze demonstreerde de nieuwe software.
to inspect
The inspector inspected the building.
Lernen beginnen
inspecteren
De inspecteur inspecteert het gebouw.
to approve
The manager approved the plan.
Lernen beginnen
goedkeuren
De manager keurde het plan goed.
to reject
The proposal was rejected.
Lernen beginnen
afwijzen
Het voorstel werd afgewezen.
to postpone
The meeting was postponed.
Lernen beginnen
uitstellen
De vergadering werd uitgesteld.
to reschedule
Can we reschedule for next week?
Lernen beginnen
verzetten
Kunnen we het verzetten naar volgende week?
to attend
Everyone must attend the meeting.
Lernen beginnen
bijwonen
Iedereen moet de vergadering bijwonen.
to cancel
The event was cancelled.
Lernen beginnen
annuleren
Het evenement werd geannuleerd.
to schedule
Schedule a meeting for Monday.
Lernen beginnen
plannen
Plan een vergadering voor maandag.
to complete
He completed the task on time.
Lernen beginnen
voltooien
Hij voltooide de taak op tijd.
to submit
Submit the report by Friday.
Lernen beginnen
indienen
Dien het rapport in voor vrijdag.
to revise
Revise your answer before submitting.
Lernen beginnen
herzien
Herzie je antwoord voor het indienen.
to review
The committee reviewed the application.
Lernen beginnen
herzien
De commissie herzag de aanvraag.
to assess
Teachers assess students regularly.
Lernen beginnen
beoordelen
Leraren beoordelen studenten regelmatig.
to qualify
She qualified for the final round.
Lernen beginnen
kwalificeren
Ze kwalificeerde zich voor de finale ronde.
to specialise
He specialises in tax law.
Lernen beginnen
specialiseren
Hij is gespecialiseerd in belastingrecht.
to concentrate on
She concentrates on her studies.
Lernen beginnen
zich concentreren op
Ze concentreert zich op haar studie.
to focus on
Focus on the most important tasks.
Lernen beginnen
focussen op
Concentreer je op de belangrijkste taken.
gradually
The situation improved gradually.
Lernen beginnen
geleidelijk
De situatie verbeterde geleidelijk.
immediately
Call me immediately if there is a problem.
Lernen beginnen
onmiddellijk
Bel me onmiddellijk als er een probleem is.
eventually
Eventually he found a solution.
Lernen beginnen
uiteindelijk
Uiteindelijk vond hij een oplossing.
meanwhile
Meanwhile the others waited outside.
Lernen beginnen
ondertussen
Ondertussen wachtten de anderen buiten.
therefore
It was raining therefore we stayed home.
Lernen beginnen
daarom
Het regende dus bleven we thuis.
however
The plan was good however it failed.
Lernen beginnen
echter
Het plan was goed maar het mislukte.
although
Although it was cold we went outside.
Lernen beginnen
hoewel
Hoewel het koud was gingen we naar buiten.
unless
Unless you hurry you will be late.
Lernen beginnen
tenzij
Tenzij je je haast zul je te laat zijn.
whereas
She likes sport whereas he prefers reading.
Lernen beginnen
terwijl
Ze houdt van sport terwijl hij liever leest.
furthermore
The price is high furthermore the quality is poor.
Lernen beginnen
bovendien
De prijs is hoog en bovendien is de kwaliteit slecht.
nevertheless
It was difficult nevertheless he succeeded.
Lernen beginnen
toch
Het was moeilijk maar toch slaagde hij.
on the other hand
On the other hand there are advantages.
Lernen beginnen
aan de andere kant
Aan de andere kant zijn er voordelen.
in addition
In addition we offer free parking.
Lernen beginnen
daarnaast
Daarnaast bieden we gratis parkeren aan.
as a result
As a result production increased.
Lernen beginnen
als gevolg
Als gevolg nam de productie toe.
due to
Due to the rain the event was cancelled.
Lernen beginnen
vanwege
Vanwege de regen werd het evenement geannuleerd.
according to
According to the report sales increased.
Lernen beginnen
volgens
Volgens het rapport is de verkoop gestegen.
in spite of
In spite of the difficulties she succeeded.
Lernen beginnen
ondanks
Ondanks de moeilijkheden slaagde ze.
instead of
Use water instead of oil.
Lernen beginnen
in plaats van
Gebruik water in plaats van olie.
as well as
She speaks French as well as Dutch.
Lernen beginnen
evenals
Ze spreekt Frans evenals Nederlands.
in order to
He studied hard in order to pass.
Lernen beginnen
om te
Hij studeerde hard om te slagen.
provided that
You can go provided that you finish first.
Lernen beginnen
mits
Je kunt gaan mits je eerst klaar bent.
to hesitate
Don't hesitate to ask for help.
Lernen beginnen
aarzelen
Aarzel niet om hulp te vragen.
to convince
He convinced her to stay.
Lernen beginnen
overtuigen
Hij overtuigde haar om te blijven.
to motivate
A good leader motivates the team.
Lernen beginnen
motiveren
Een goede leider motiveert het team.
to interrupt
Please don't interrupt me.
Lernen beginnen
onderbreken
Onderbreek me alsjeblieft niet.
to estimate
Can you estimate the time needed?
Lernen beginnen
schatten
Kun je de benodigde tijd schatten?
to assume
I assume you have read the contract.
Lernen beginnen
aannemen
Ik neem aan dat je het contract hebt gelezen.
to conclude
We can conclude that it works.
Lernen beginnen
concluderen
We kunnen concluderen dat het werkt.
to summarise
Can you summarise the article?
Lernen beginnen
samenvatten
Kun je het artikel samenvatten?
to emphasise
She emphasised the importance of punctuality.
Lernen beginnen
benadrukken
Ze benadrukte het belang van stiptheid.
to illustrate
He illustrated his point with examples.
Lernen beginnen
illustreren
Hij illustreerde zijn punt met voorbeelden.
to indicate
The sign indicates the exit.
Lernen beginnen
aangeven
Het bord geeft de uitgang aan.
to represent
She represents the company abroad.
Lernen beginnen
vertegenwoordigen
Ze vertegenwoordigt het bedrijf in het buitenland.
to respond
Please respond to the email.
Lernen beginnen
reageren
Reageer alsjeblieft op de e-mail.
to ensure
Please ensure the door is locked.
Lernen beginnen
zorgen voor
Zorg er alsjeblieft voor dat de deur op slot is.
to maintain
We maintain high standards.
Lernen beginnen
handhaven
We handhaven hoge standaarden.
to achieve
She achieved her dream.
Lernen beginnen
verwezenlijken
Ze verwezenlijkte haar droom.
to adapt
He adapted quickly to the new job.
Lernen beginnen
aanpassen
Hij paste zich snel aan de nieuwe baan aan.
to adjust
Adjust the settings if necessary.
Lernen beginnen
aanpassen
Pas de instellingen indien nodig aan.
to overcome
She overcame her fear of flying.
Lernen beginnen
overwinnen
Ze overwon haar vliegangst.
to endure
He endured many difficulties.
Lernen beginnen
doorstaan
Hij doorstond veel moeilijkheden.
to succeed
It didn't work out as planned.
Lernen beginnen
lukken
Het lukte niet zoals gepland.
to turn out
It turned out to be a great idea.
Lernen beginnen
blijken
Het bleek een geweldig idee te zijn.
to point out
She pointed out the mistake.
Lernen beginnen
wijzen op
Ze wees op de fout.
to carry out
The plan was carried out perfectly.
Lernen beginnen
uitvoeren
Het plan werd perfect uitgevoerd.
to take part
Everyone is welcome to take part.
Lernen beginnen
deelnemen
Iedereen is welkom om deel te nemen.
to make use of
Make use of every opportunity.
Lernen beginnen
gebruik maken van
Maak gebruik van elke kans.
to get used to
It takes time to get used to a new country.
Lernen beginnen
wennen aan
Het kost tijd om te wennen aan een nieuw land.
to be aware of
Be aware of the risks.
Lernen beginnen
bewust zijn van
Wees je bewust van de risico's.
to keep in mind
Keep in mind that the deadline is Friday.
Lernen beginnen
in gedachten houden
Houd in gedachten dat de deadline vrijdag is.
to take into account
Take the weather into account.
Lernen beginnen
rekening houden met
Houd rekening met het weer.
to run out of
We have run out of milk.
Lernen beginnen
opraken
We zijn door de melk heen.
to come across
I came across an interesting article.
Lernen beginnen
tegenkomen
Ik kwam een interessant artikel tegen.
to look up
Look up the word in the dictionary.
Lernen beginnen
opzoeken
Zoek het woord op in het woordenboek.
to point at
He pointed at the map.
Lernen beginnen
wijzen naar
Hij wees naar de kaart.
to give up
Never give up on your dreams.
Lernen beginnen
opgeven
Geef je dromen nooit op.
to put off
Don't put off what you can do today.
Lernen beginnen
uitstellen
Stel niet uit wat je vandaag kunt doen.
to announce
The government announced new measures.
Lernen beginnen
aankondigen
De overheid kondigde nieuwe maatregelen aan.
to investigate
Police are investigating the incident.
Lernen beginnen
onderzoeken
De politie onderzoekt het incident.
to confirm
The minister confirmed the news.
Lernen beginnen
bevestigen
De minister bevestigde het nieuws.
to deny
He denied all accusations.
Lernen beginnen
ontkennen
Hij ontkende alle beschuldigingen.
to resign
The minister resigned yesterday.
Lernen beginnen
aftreden
De minister trad gisteren af.
to protest
Thousands protested in the streets.
Lernen beginnen
protesteren
Duizenden protesteerden op straat.
to demonstrate
People demonstrated against the new law.
Lernen beginnen
demonstreren
Mensen demonstreerden tegen de nieuwe wet.
to report
Journalists reported from the scene.
Lernen beginnen
rapporteren
Journalisten rapporteerden vanaf de locatie.
to broadcast
The news was broadcast live.
Lernen beginnen
uitzenden
Het nieuws werd live uitgezonden.
to publish
The newspaper published the story.
Lernen beginnen
publiceren
De krant publiceerde het verhaal.
to reveal
The report revealed serious problems.
Lernen beginnen
onthullen
Het rapport onthulde ernstige problemen.
to warn
Experts warn about climate risks.
Lernen beginnen
waarschuwen
Experts waarschuwen voor klimaatrisico's.
to threaten
The storm threatens the coast.
Lernen beginnen
dreigen
De storm bedreigt de kust.
to support
Many people support the new policy.
Lernen beginnen
steunen
Veel mensen steunen het nieuwe beleid.
to oppose
Several parties oppose the plan.
Lernen beginnen
zich verzetten tegen
Meerdere partijen verzetten zich tegen het plan.
to criticise
The opposition criticised the budget.
Lernen beginnen
bekritiseren
De oppositie bekritiseerde de begroting.
to approve
Parliament approved the new law.
Lernen beginnen
goedkeuren
Het parlement keurde de nieuwe wet goed.
to reject
The proposal was rejected by the senate.
Lernen beginnen
verwerpen
Het voorstel werd door de senaat verworpen.
to negotiate
The two countries are negotiating a deal.
Lernen beginnen
onderhandelen
De twee landen onderhandelen over een akkoord.
to sign
Both leaders signed the agreement.
Lernen beginnen
ondertekenen
Beide leiders ondertekenden de overeenkomst.
to impose
The EU imposed new sanctions.
Lernen beginnen
opleggen
De EU legde nieuwe sancties op.
to lift
The ban was lifted after two years.
Lernen beginnen
opheffen
Het verbod werd na twee jaar opgeheven.
to fund
The project is funded by the government.
Lernen beginnen
financieren
Het project wordt gefinancierd door de overheid.
to cut
The government cut spending on health.
Lernen beginnen
bezuinigen
De overheid bezuinigde op de zorguitgaven.
to raise
Taxes were raised by five percent.
Lernen beginnen
verhogen
De belastingen werden met vijf procent verhoogd.
to drop
Unemployment dropped to a record low.
Lernen beginnen
dalen
De werkloosheid daalde naar een recordlaag.
to rise
House prices continue to rise.
Lernen beginnen
stijgen
Huizenprijzen blijven stijgen.
to collapse
The company collapsed overnight.
Lernen beginnen
instorten
Het bedrijf stortte 's nachts in.
to recover
The economy is slowly recovering.
Lernen beginnen
herstellen
De economie herstelt langzaam.
to grow
The population is growing rapidly.
Lernen beginnen
groeien
De bevolking groeit snel.
to shrink
The workforce is shrinking.
Lernen beginnen
krimpen
De beroepsbevolking krimpt.
to spread
The virus spread quickly.
Lernen beginnen
verspreiden
Het virus verspreidde zich snel.
to contain
Authorities tried to contain the outbreak.
Lernen beginnen
indammen
Autoriteiten probeerden de uitbraak in te dammen.
to affect
The floods affected thousands of people.
Lernen beginnen
treffen
De overstromingen troffen duizenden mensen.
to damage
The storm damaged many homes.
Lernen beginnen
beschadigen
De storm beschadigde veel huizen.
to destroy
The fire destroyed the building.
Lernen beginnen
vernietigen
De brand vernietigde het gebouw.
to rebuild
They are rebuilding the damaged area.
Lernen beginnen
herbouwen
Ze herbouwen het beschadigde gebied.
to evacuate
Residents were evacuated from their homes.
Lernen beginnen
evacueren
Bewoners werden geëvacueerd uit hun huizen.
to rescue
Firefighters rescued twelve people.
Lernen beginnen
redden
Brandweerlieden redden twaalf mensen.
to survive
Three passengers survived the crash.
Lernen beginnen
overleven
Drie passagiers overleefden de crash.
to arrest
The suspect was arrested last night.
Lernen beginnen
arresteren
De verdachte werd gisteravond gearresteerd.
to charge
He was charged with fraud.
Lernen beginnen
beschuldigen
Hij werd beschuldigd van fraude.
to sentence
She was sentenced to three years.
Lernen beginnen
veroordelen
Ze werd veroordeeld tot drie jaar.
to release
The hostages were released unharmed.
Lernen beginnen
vrijlaten
De gijzelaars werden ongedeerd vrijgelaten.
to ban
The product was banned in Europe.
Lernen beginnen
verbieden
Het product werd verboden in Europa.
to allow
Visitors are allowed in the museum.
Lernen beginnen
toestaan
Bezoekers zijn welkom in het museum.
to introduce
The company introduced a new system.
Lernen beginnen
invoeren
Het bedrijf voerde een nieuw systeem in.
to abolish
The law was abolished in 2020.
Lernen beginnen
afschaffen
De wet werd afgeschaft in 2020.
to reform
The government wants to reform healthcare.
Lernen beginnen
hervormen
De overheid wil de gezondheidszorg hervormen.
to modernise
The infrastructure needs to be modernised.
Lernen beginnen
moderniseren
De infrastructuur moet worden gemoderniseerd.
incident
A serious incident occurred downtown.
Lernen beginnen
incident
Er deed zich een ernstig incident voor in het centrum.
crisis
The country is facing an economic crisis.
Lernen beginnen
crisis
Het land staat voor een economische crisis.
conflict
The conflict has lasted for years.
Lernen beginnen
conflict
Het conflict duurt al jaren.
agreement
A new trade agreement was reached.
Lernen beginnen
akkoord
Een nieuw handelsakkoord werd bereikt.
treaty
Both countries signed the treaty.
Lernen beginnen
verdrag
Beide landen ondertekenden het verdrag.
sanction
New sanctions were imposed on the country.
Lernen beginnen
sanctie
Nieuwe sancties werden opgelegd aan het land.
measure
Strict measures have been introduced.
Lernen beginnen
maatregel
Strenge maatregelen zijn ingevoerd.
regulation
New regulations apply from January.
Lernen beginnen
regulering
Nieuwe regelgeving geldt vanaf januari.
legislation
The legislation will be updated.
Lernen beginnen
wetgeving
De wetgeving zal worden bijgewerkt.
debate
There was a heated debate in parliament.
Lernen beginnen
debat
Er was een verhit debat in het parlement.
discussion
The discussion lasted two hours.
Lernen beginnen
discussie
De discussie duurde twee uur.
statement
The president made a statement.
Lernen beginnen
verklaring
De president deed een verklaring.
speech
She gave an inspiring speech.
Lernen beginnen
toespraak
Ze hield een inspirerende toespraak.
press conference
The minister held a press conference.
Lernen beginnen
persconferentie
De minister hield een persconferentie.
interview
The CEO gave an interview.
Lernen beginnen
interview
De CEO gaf een interview.
survey
A survey showed that most people agree.
Lernen beginnen
enquête
Een enquête toonde aan dat de meeste mensen het eens zijn.
poll
The latest poll shows a tie.
Lernen beginnen
peiling
De laatste peiling toont een gelijkspel.
statistics
The statistics are alarming.
Lernen beginnen
statistieken
De statistieken zijn alarmerend.
percentage
Twenty percent voted in favour.
Lernen beginnen
percentage
Twintig procent stemde voor.
majority
A majority supported the proposal.
Lernen beginnen
meerderheid
Een meerderheid steunde het voorstel.
minority
A small minority opposed the idea.
Lernen beginnen
minderheid
Een kleine minderheid was tegen het idee.
population
The population has grown significantly.
Lernen beginnen
bevolking
De bevolking is aanzienlijk gegroeid.
community
The local community organised a protest.
Lernen beginnen
gemeenschap
De lokale gemeenschap organiseerde een protest.
society
We all play a role in society.
Lernen beginnen
samenleving
We spelen allemaal een rol in de samenleving.
authority
Local authorities responded quickly.
Lernen beginnen
autoriteit
Lokale autoriteiten reageerden snel.
institution
Trust in public institutions has fallen.
Lernen beginnen
instelling
Het vertrouwen in publieke instellingen is gedaald.
organisation
The organisation helps refugees.
Lernen beginnen
organisatie
De organisatie helpt vluchtelingen.
charity
The charity raised one million euros.
Lernen beginnen
liefdadigheidsinstelling
De liefdadigheidsinstelling haalde een miljoen euro op.
foundation
A new foundation was set up.
Lernen beginnen
stichting
Een nieuwe stichting werd opgericht.
coalition
The coalition government collapsed.
Lernen beginnen
coalitie
De coalitieregering viel.
opposition
The opposition demanded answers.
Lernen beginnen
oppositie
De oppositie eiste antwoorden.
parliament
Parliament voted on the new law.
Lernen beginnen
parlement
Het parlement stemde over de nieuwe wet.
senate
The senate approved the budget.
Lernen beginnen
senaat
De senaat keurde de begroting goed.
cabinet
The cabinet met this morning.
Lernen beginnen
kabinet
Het kabinet vergaderde vanochtend.
minister
The finance minister presented the budget.
Lernen beginnen
minister
De minister van Financiën presenteerde de begroting.
prime minister
The premier addressed the nation.
Lernen beginnen
premier
De premier sprak de natie toe.
president
The president met world leaders.
Lernen beginnen
president
De president ontmoette wereldleiders.
ambassador
The ambassador was recalled.
Lernen beginnen
ambassadeur
De ambassadeur werd teruggeroepen.
refugee
Thousands of refugees arrived at the border.
Lernen beginnen
vluchteling
Duizenden vluchtelingen kwamen aan bij de grens.
asylum seeker
The number of asylum seekers increased.
Lernen beginnen
asielzoeker
Het aantal asielzoekers nam toe.
migration
Migration is a hot topic in politics.
Lernen beginnen
migratie
Migratie is een heet politiek thema.
border control
Border controls were tightened.
Lernen beginnen
grenscontrole
De grenscontroles werden aangescherpt.
economy
The economy shrank last quarter.
Lernen beginnen
economie
De economie kromp afgelopen kwartaal.
recession
The country entered a recession.
Lernen beginnen
recessie
Het land ging een recessie in.
inflation
Inflation is at a ten year high.
Lernen beginnen
inflatie
De inflatie is op een tienjarig hoogtepunt.
interest rate
The central bank raised interest rates.
Lernen beginnen
rentestand
De centrale bank verhoogde de rentestand.
budget
The government presented its annual budget.
Lernen beginnen
begroting
De overheid presenteerde zijn jaarlijkse begroting.
deficit
The budget deficit grew last year.
Lernen beginnen
tekort
Het begrotingstekort groeide vorig jaar.
surplus
The trade surplus increased.
Lernen beginnen
overschot
Het handelsoverschot nam toe.
subsidy
Farmers receive government subsidies.
Lernen beginnen
subsidie
Boeren ontvangen overheidssubsidies.
pension
The pension age will be raised.
Lernen beginnen
pensioen
De pensioenleeftijd wordt verhoogd.
minimum wage
The minimum wage was increased.
Lernen beginnen
minimumloon
Het minimumloon werd verhoogd.
trade
International trade is growing.
Lernen beginnen
handel
De internationale handel groeit.
export
Dutch exports reached a record high.
Lernen beginnen
export
De Nederlandse export bereikte een recordhoogte.
import
Imports from Asia have increased.
Lernen beginnen
import
De invoer uit Azië is toegenomen.
supply chain
Supply chains were disrupted.
Lernen beginnen
toeleveringsketen
Toeleveringsketens werden verstoord.
shortage
There is a shortage of housing.
Lernen beginnen
tekort
Er is een tekort aan woningen.
demand
Demand for electric cars is rising.
Lernen beginnen
vraag
De vraag naar elektrische auto's stijgt.
supply
Supply cannot keep up with demand.
Lernen beginnen
aanbod
Het aanbod kan de vraag niet bijhouden.
market
The housing market is overheated.
Lernen beginnen
markt
De woningmarkt is oververhit.
shares
Share prices fell sharply.
Lernen beginnen
aandelen
De aandelenkoersen daalden scherp.
stock exchange
The stock exchange closed lower.
Lernen beginnen
beurs
De beurs sloot lager.
bankruptcy
The company filed for bankruptcy.
Lernen beginnen
faillissement
Het bedrijf vroeg faillissement aan.
merger
The two banks announced a merger.
Lernen beginnen
fusie
De twee banken kondigden een fusie aan.
takeover
A foreign company made a takeover bid.
Lernen beginnen
overname
Een buitenlands bedrijf deed een overnamebod.
innovation
Innovation drives economic growth.
Lernen beginnen
innovatie
Innovatie stimuleert economische groei.
startup
Many startups are based in Amsterdam.
Lernen beginnen
startup
Veel startups zijn gevestigd in Amsterdam.
artificial intelligence
Artificial intelligence is changing the job market.
Lernen beginnen
kunstmatige intelligentie
Kunstmatige intelligentie verandert de arbeidsmarkt.
digital
The government is investing in digital services.
Lernen beginnen
digitaal
De overheid investeert in digitale diensten.
platform
The online platform was hacked.
Lernen beginnen
platform
Het onlineplatform werd gehackt.
algorithm
The algorithm determines what you see.
Lernen beginnen
algoritme
Het algoritme bepaalt wat je ziet.
privacy
New laws protect your online privacy.
Lernen beginnen
privacy
Nieuwe wetten beschermen je online privacy.
cybersecurity
Cybersecurity is a growing concern.
Lernen beginnen
cyberbeveiliging
Cyberbeveiliging is een groeiende zorg.
hack
The government system was hacked.
Lernen beginnen
hack
Het overheidssysteem werd gehackt.
misinformation
Misinformation spreads fast online.
Lernen beginnen
desinformatie
Desinformatie verspreidt zich snel online.
climate change
Climate change affects everyone.
Lernen beginnen
klimaatverandering
Klimaatverandering heeft invloed op iedereen.
emission
CO2 emissions must be reduced.
Lernen beginnen
uitstoot
CO2-uitstoot moet worden verminderd.
renewable energy
Investment in renewable energy is growing.
Lernen beginnen
hernieuwbare energie
De investering in hernieuwbare energie groeit.
solar panel
More households are installing solar panels.
Lernen beginnen
zonnepaneel
Meer huishoudens installeren zonnepanelen.
wind turbine
Wind turbines generate clean energy.
Lernen beginnen
windturbine
Windturbines genereren schone energie.
fossil fuel
Fossil fuels must be phased out.
Lernen beginnen
fossiele brandstof
Fossiele brandstoffen moeten worden afgebouwd.
sustainability
Sustainability is central to the policy.
Lernen beginnen
duurzaamheid
Duurzaamheid staat centraal in het beleid.
carbon footprint
Reduce your carbon footprint.
Lernen beginnen
CO2-voetafdruk
Verklein je CO2-voetafdruk.
deforestation
Deforestation is a global threat.
Lernen beginnen
ontbossing
Ontbossing is een wereldwijde bedreiging.
biodiversity
Biodiversity is declining worldwide.
Lernen beginnen
biodiversiteit
Biodiversiteit neemt wereldwijd af.
earthquake
An earthquake hit the region.
Lernen beginnen
aardbeving
Een aardbeving trof de regio.
hurricane
The hurricane caused major damage.
Lernen beginnen
orkaan
De orkaan veroorzaakte grote schade.
wildfire
Wildfires destroyed thousands of hectares.
Lernen beginnen
bosbrand
Bosbranden vernielden duizenden hectaren.
sea level
Sea levels are rising due to climate change.
Lernen beginnen
zeeniveau
Het zeeniveau stijgt door klimaatverandering.
heat wave
The heat wave broke records.
Lernen beginnen
hittegolf
De hittegolf brak records.
pandemic
The pandemic changed everyday life.
Lernen beginnen
pandemie
De pandemie veranderde het dagelijks leven.
vaccine
The vaccine was approved quickly.
Lernen beginnen
vaccin
Het vaccin werd snel goedgekeurd.
outbreak
An outbreak was reported in the south.
Lernen beginnen
uitbraak
Een uitbraak werd gemeld in het zuiden.
lockdown
The country went into lockdown.
Lernen beginnen
lockdown
Het land ging in lockdown.
quarantine
Travellers must go into quarantine.
Lernen beginnen
quarantaine
Reizigers moeten in quarantaine.
variant
A new variant was detected.
Lernen beginnen
variant
Een nieuwe variant werd gedetecteerd.
healthcare system
The healthcare system is under pressure.
Lernen beginnen
zorgstelsel
Het zorgstelsel staat onder druk.
public health
Public health is a priority.
Lernen beginnen
volksgezondheid
Volksgezondheid is een prioriteit.
research
Research shows promising results.
Lernen beginnen
onderzoek
Onderzoek toont veelbelovende resultaten.
scientist
Scientists discovered a new treatment.
Lernen beginnen
wetenschapper
Wetenschappers ontdekten een nieuwe behandeling.
expert
The expert gave her opinion.
Lernen beginnen
deskundige
De deskundige gaf haar mening.
study
A new study was published today.
Lernen beginnen
studie
Een nieuwe studie werd vandaag gepubliceerd.
trial
The drug is in clinical trials.
Lernen beginnen
proef
Het medicijn bevindt zich in klinische proeven.
discovery
The discovery was groundbreaking.
Lernen beginnen
ontdekking
De ontdekking was baanbrekend.
breakthrough
Scientists made a major breakthrough.
Lernen beginnen
doorbraak
Wetenschappers bereikten een grote doorbraak.
evidence
There is no evidence of wrongdoing.
Lernen beginnen
bewijs
Er is geen bewijs van wangedrag.
data
The data was collected over ten years.
Lernen beginnen
gegevens
De gegevens werden over tien jaar verzameld.
analysis
The analysis revealed surprising results.
Lernen beginnen
analyse
De analyse onthulde verrassende resultaten.
conclusion
What is the conclusion of the report?
Lernen beginnen
conclusie
Wat is de conclusie van het rapport?
recommendation
The committee made several recommendations.
Lernen beginnen
aanbeveling
De commissie deed meerdere aanbevelingen.
initiative
A new initiative was launched.
Lernen beginnen
initiatief
Een nieuw initiatief werd gelanceerd.
programme
The government launched a new programme.
Lernen beginnen
programma
De overheid lanceerde een nieuw programma.
project
The infrastructure project was delayed.
Lernen beginnen
project
Het infrastructuurproject liep vertraging op.
strategy
The new strategy focuses on growth.
Lernen beginnen
strategie
De nieuwe strategie richt zich op groei.
target
The climate target was not met.
Lernen beginnen
doelstelling
De klimaatdoelstelling werd niet gehaald.
deadline
The deadline for applications is Monday.
Lernen beginnen
termijn
De termijn voor aanvragen is maandag.
progress
Progress on the negotiations is slow.
Lernen beginnen
voortgang
De voortgang van de onderhandelingen verloopt traag.
challenge
The biggest challenge is housing.
Lernen beginnen
uitdaging
De grootste uitdaging is huisvesting.
solution
There is no easy solution.
Lernen beginnen
oplossing
Er is geen gemakkelijke oplossing.
approach
A new approach is needed.
Lernen beginnen
aanpak
Een nieuwe aanpak is nodig.
result
The results were disappointing.
Lernen beginnen
resultaat
De resultaten waren teleurstellend.
impact
The impact of the decision is unclear.
Lernen beginnen
impact
De impact van de beslissing is onduidelijk.
consequence
What are the consequences?
Lernen beginnen
gevolg
Wat zijn de gevolgen?
risk
The risks must be assessed.
Lernen beginnen
risico
De risico's moeten worden beoordeeld.
threat
Cybercrime is a growing threat.
Lernen beginnen
bedreiging
Cybercriminaliteit is een groeiende bedreiging.
opportunity
There is a great opportunity here.
Lernen beginnen
kans
Er is hier een geweldige kans.
pressure
There is pressure to act quickly.
Lernen beginnen
druk
Er is druk om snel te handelen.
tension
Tensions between the countries increased.
Lernen beginnen
spanning
De spanningen tussen de landen namen toe.
crisis management
Good crisis management is essential.
Lernen beginnen
crisismanagement
Goed crisismanagement is essentieel.
transparency
Transparency is key in politics.
Lernen beginnen
transparantie
Transparantie is essentieel in de politiek.
accountability
Politicians must be held accountable.
Lernen beginnen
verantwoording
Politici moeten verantwoording afleggen.
corruption
Corruption remains a serious problem.
Lernen beginnen
corruptie
Corruptie blijft een ernstig probleem.
scandal
The scandal led to his resignation.
Lernen beginnen
schandaal
Het schandaal leidde tot zijn ontslag.
accusation
He denied the accusations.
Lernen beginnen
beschuldiging
Hij ontkende de beschuldigingen.
investigation
An investigation has been opened.
Lernen beginnen
onderzoek
Er is een onderzoek geopend.
verdict
The jury delivered its verdict.
Lernen beginnen
uitspraak
De jury deed zijn uitspraak.
trial
The trial begins next month.
Lernen beginnen
rechtszaak
De rechtszaak begint volgende maand.
witness
A witness came forward.
Lernen beginnen
getuige
Een getuige meldde zich.
evidence
The evidence was presented in court.
Lernen beginnen
bewijsmateriaal
Het bewijsmateriaal werd gepresenteerd in de rechtbank.
suspect
The suspect is in custody.
Lernen beginnen
verdachte
De verdachte zit vast.
victim
The victims received compensation.
Lernen beginnen
slachtoffer
De slachtoffers ontvingen compensatie.
attack
There was an attack on the embassy.
Lernen beginnen
aanval
Er was een aanval op de ambassade.
security
National security is a priority.
Lernen beginnen
veiligheid
Nationale veiligheid is een prioriteit.
defence
The defence budget was increased.
Lernen beginnen
defensie
Het defensiebudget werd verhoogd.
army
The army was deployed to the border.
Lernen beginnen
leger
Het leger werd ingezet aan de grens.
military
Military cooperation was strengthened.
Lernen beginnen
militair
Militaire samenwerking werd versterkt.
weapon
New weapons were discovered.
Lernen beginnen
wapen
Nieuwe wapens werden ontdekt.
ceasefire
A ceasefire was agreed.
Lernen beginnen
staakt-het-vuren
Een staakt-het-vuren werd overeengekomen.
peace talks
Peace talks resumed this week.
Lernen beginnen
vredesgesprekken
Vredesgesprekken werden deze week hervat.
humanitarian
A humanitarian crisis is unfolding.
Lernen beginnen
humanitair
Een humanitaire crisis ontvouwt zich.
aid
International aid was sent.
Lernen beginnen
hulp
Internationale hulp werd gestuurd.
donation
Donations poured in after the disaster.
Lernen beginnen
donatie
Donaties stroomden binnen na de ramp.
volunteer
Volunteers helped with the relief effort.
Lernen beginnen
vrijwilliger
Vrijwilligers hielpen bij de hulpverlening.
disaster
The earthquake was a natural disaster.
Lernen beginnen
ramp
De aardbeving was een natuurramp.
relief
Relief workers arrived on the scene.
Lernen beginnen
hulpverlening
Hulpverleners arriveerden ter plaatse.
journalist
The journalist investigated the story.
Lernen beginnen
journalist
De journalist onderzocht het verhaal.
editor
The editor approved the article.
Lernen beginnen
redacteur
De redacteur keurde het artikel goed.
headline
The headline caught my attention.
Lernen beginnen
kop
De kop trok mijn aandacht.
article
I read an interesting article.
Lernen beginnen
artikel
Ik las een interessant artikel.
column
She writes a weekly column.
Lernen beginnen
column
Ze schrijft een wekelijkse column.
documentary
I watched a documentary about climate.
Lernen beginnen
documentaire
Ik keek een documentaire over klimaat.
podcast
The podcast has millions of listeners.
Lernen beginnen
podcast
De podcast heeft miljoenen luisteraars.
episode
The latest episode is very good.
Lernen beginnen
aflevering
De laatste aflevering is erg goed.
host
The host interviewed the minister.
Lernen beginnen
presentator
De presentator interviewde de minister.
guest
Tonight's guest is a famous scientist.
Lernen beginnen
gast
De gast van vanavond is een beroemde wetenschapper.
audience
The audience reacted strongly.
Lernen beginnen
publiek
Het publiek reageerde sterk.
viewer
Millions of viewers watched the debate.
Lernen beginnen
kijker
Miljoenen kijkers keken naar het debat.
listener
The programme has many loyal listeners.
Lernen beginnen
luisteraar
Het programma heeft veel trouwe luisteraars.
source
Always check the source.
Lernen beginnen
bron
Controleer altijd de bron.
fact
Stick to the facts.
Lernen beginnen
feit
Houd je aan de feiten.
opinion
Everyone has a right to their opinion.
Lernen beginnen
standpunt
Iedereen heeft recht op zijn standpunt.
bias
The report was accused of bias.
Lernen beginnen
vooringenomenheid
Het rapport werd beschuldigd van vooringenomenheid.
censorship
Censorship undermines press freedom.
Lernen beginnen
censuur
Censuur ondermijnt de persvrijheid.
freedom of speech
Freedom of speech is a fundamental right.
Lernen beginnen
vrijheid van meningsuiting
Vrijheid van meningsuiting is een fundamenteel recht.
fake news
Fake news spread rapidly.
Lernen beginnen
nepnieuws
Nepnieuws verspreidde zich snel.
social media
Social media influenced the election.
Lernen beginnen
sociale media
Sociale media beïnvloedden de verkiezing.
trending
The story is trending online.
Lernen beginnen
trending
Het verhaal is trending online.
viral
The video went viral overnight.
Lernen beginnen
viraal
De video werd 's nachts viraal.
hashtag
The hashtag was used millions of times.
Lernen beginnen
hashtag
De hashtag werd miljoenen keren gebruikt.
influencer
The influencer promoted the campaign.
Lernen beginnen
influencer
De influencer promootte de campagne.
campaign
The election campaign has started.
Lernen beginnen
campagne
De verkiezingscampagne is begonnen.
slogan
The party used a powerful slogan.
Lernen beginnen
slogan
De partij gebruikte een krachtige slogan.
rally
Thousands attended the political rally.
Lernen beginnen
bijeenkomst
Duizenden wisten de politieke bijeenkomst.
protest
The protest turned violent.
Lernen beginnen
protest
Het protest werd gewelddadig.
demonstration
A peaceful demonstration was held.
Lernen beginnen
demonstratie
Er werd een vreedzame demonstratie gehouden.
strike
Workers went on strike.
Lernen beginnen
staking
Werknemers gingen in staking.
union
The union demanded higher wages.
Lernen beginnen
vakbond
De vakbond eiste hogere lonen.
rights
Human rights must be protected.
Lernen beginnen
rechten
Mensenrechten moeten worden beschermd.
movement
The environmental movement is growing.
Lernen beginnen
beweging
De milieubeweging groeit.
awareness
Awareness of the issue is growing.
Lernen beginnen
bewustzijn
Het bewustzijn over het probleem groeit.
petition
Over a million signed the petition.
Lernen beginnen
petitie
Meer dan een miljoen mensen ondertekenden de petitie.
referendum
A referendum was called.
Lernen beginnen
referendum
Er werd een referendum uitgeschreven.
result
The election results were announced.
Lernen beginnen
uitslag
De verkiezingsuitslag werd bekendgemaakt.
turnout
Voter turnout was very high.
Lernen beginnen
opkomst
De kiesopkomst was erg hoog.
candidate
Three candidates are running.
Lernen beginnen
kandidaat
Drie kandidaten dingen mee.
coalition
Forming a coalition took months.
Lernen beginnen
coalitie
Het vormen van een coalitie duurde maanden.
compromise
A compromise was reached.
Lernen beginnen
compromis
Er werd een compromis bereikt.
deadline
The deadline passed without a deal.
Lernen beginnen
deadline
De deadline verstreek zonder akkoord.
summit
World leaders met at the summit.
Lernen beginnen
top
Wereldleiders kwamen bijeen op de top.
headquarters
The headquarters is in Brussels.
Lernen beginnen
hoofdkantoor
Het hoofdkantoor is in Brussel.
spokesperson
The spokesperson denied the rumour.
Lernen beginnen
woordvoerder
De woordvoerder ontkende het gerucht.
rumour
Rumours circulated about his resignation.
Lernen beginnen
gerucht
Er gingen geruchten over zijn aftreden.
leak
A document was leaked to the press.
Lernen beginnen
lek
Een document werd gelekt naar de pers.
whistleblower
The whistleblower revealed wrongdoing.
Lernen beginnen
klokkenluider
De klokkenluider onthulde wangedrag.
transparency
The organisation lacks transparency.
Lernen beginnen
transparantie
De organisatie mist transparantie.
protest movement
The protest movement gained momentum.
Lernen beginnen
protestbeweging
De protestbeweging won aan kracht.
civil rights
Civil rights were violated.
Lernen beginnen
burgerrechten
Burgerrechten werden geschonden.
democracy
Democracy is under pressure.
Lernen beginnen
democratie
Democratie staat onder druk.
dictatorship
The dictatorship suppressed dissent.
Lernen beginnen
dictatuur
De dictatuur onderdrukte afwijkende meningen.
human rights
Human rights violations were reported.
Lernen beginnen
mensenrechten
Mensenrechtenschendingen werden gemeld.
gender equality
Gender equality remains a challenge.
Lernen beginnen
gendergelijkheid
Gendergelijkheid blijft een uitdaging.
racial equality
Racial equality is a key issue.
Lernen beginnen
rassengelijkheid
Rassengelijkheid is een belangrijk thema.
discrimination
Discrimination in the workplace is illegal.
Lernen beginnen
discriminatie
Discriminatie op de werkvloer is illegaal.
harassment
Workplace harassment must be addressed.
Lernen beginnen
intimidatie
Intimidatie op de werkvloer moet worden aangepakt.
inclusion
Inclusion is a company priority.
Lernen beginnen
inclusie
Inclusie is een bedrijfsprioriteit.
welfare
Social welfare is being cut.
Lernen beginnen
welzijn
De sociale bijstand wordt bezuinigd.
poverty
Child poverty is rising.
Lernen beginnen
armoede
Kinderarmoede neemt toe.
homelessness
Homelessness increased in cities.
Lernen beginnen
dakloosheid
Dakloosheid nam toe in steden.
housing crisis
The housing crisis affects young people most.
Lernen beginnen
woningcrisis
De woningcrisis treft jongeren het meest.
affordability
The affordability of housing is a concern.
Lernen beginnen
betaalbaarheid
De betaalbaarheid van woningen is een zorg.
infrastructure
Infrastructure investment is needed.
Lernen beginnen
infrastructuur
Investering in infrastructuur is nodig.
transport
Public transport needs improvement.
Lernen beginnen
vervoer
Het openbaar vervoer heeft verbetering nodig.
congestion
Traffic congestion is a daily problem.
Lernen beginnen
filevorming
Filevorming is een dagelijks probleem.
construction
Construction costs have risen sharply.
Lernen beginnen
bouw
De bouwkosten zijn scherp gestegen.
urban
Urban areas face unique challenges.
Lernen beginnen
stedelijk
Stedelijke gebieden staan voor unieke uitdagingen.
rural
Rural communities are shrinking.
Lernen beginnen
landelijk
Plattelandsgemeenschappen krimpen.
region
The northern region was hardest hit.
Lernen beginnen
regio
De noordelijke regio werd het hardst getroffen.
municipality
The municipality approved the plan.
Lernen beginnen
gemeente
De gemeente keurde het plan goed.
council
The city council voted on the issue.
Lernen beginnen
raad
De gemeenteraad stemde over het onderwerp.
regulation
New regulations came into force.
Lernen beginnen
regeling
Nieuwe regelingen traden in werking.
compliance
Companies must ensure compliance.
Lernen beginnen
naleving
Bedrijven moeten naleving waarborgen.
penalty
Heavy penalties were imposed.
Lernen beginnen
boete
Zware boetes werden opgelegd.
compensation
Victims received financial compensation.
Lernen beginnen
compensatie
Slachtoffers ontvingen financiële compensatie.
legal
The matter is under legal review.
Lernen beginnen
juridisch
De zaak is onder juridische toetsing.
illegal
Illegal waste dumping was discovered.
Lernen beginnen
illegaal
Illegale afvaldumping werd ontdekt.
court ruling
The court ruling was appealed.
Lernen beginnen
rechterlijke uitspraak
De rechterlijke uitspraak werd aangevochten.
appeal
The company filed an appeal.
Lernen beginnen
beroep
Het bedrijf diende een beroep in.
settlement
A settlement was reached out of court.
Lernen beginnen
schikking
Een schikking werd buiten de rechtbank bereikt.
agreement
The agreement was signed by both parties.
Lernen beginnen
overeenkomst
De overeenkomst werd door beide partijen ondertekend.
contract
The contract was cancelled.
Lernen beginnen
contract
Het contract werd geannuleerd.
deal
A major deal was announced.
Lernen beginnen
deal
Een grote deal werd aangekondigd.
partnership
A new partnership was formed.
Lernen beginnen
partnerschap
Een nieuw partnerschap werd gevormd.
cooperation
International cooperation is vital.
Lernen beginnen
samenwerking
Internationale samenwerking is van vitaal belang.
alliance
The alliance was strengthened.
Lernen beginnen
alliantie
De alliantie werd versterkt.
network
They built a strong network.
Lernen beginnen
netwerk
Ze bouwden een sterk netwerk.
sector
The public sector faces cuts.
Lernen beginnen
sector
De publieke sector staat voor bezuinigingen.
industry
The car industry is changing.
Lernen beginnen
industrie
De auto-industrie verandert.
manufacturer
The manufacturer recalled the product.
Lernen beginnen
fabrikant
De fabrikant riep het product terug.
consumer
Consumer confidence is low.
Lernen beginnen
consument
Het consumentenvertrouwen is laag.
competitor
The competitor launched a cheaper product.
Lernen beginnen
concurrent
De concurrent lanceerde een goedkoper product.
shareholder
Shareholders approved the deal.
Lernen beginnen
aandeelhouder
Aandeelhouders keurden de deal goed.
profit
Profits fell sharply last year.
Lernen beginnen
winst
De winst daalde sterk vorig jaar.
revenue
Revenue increased by fifteen percent.
Lernen beginnen
omzet
De omzet steeg met vijftien procent.
tax
Corporation tax will be increased.
Lernen beginnen
belasting
De vennootschapsbelasting wordt verhoogd.
debt
National debt is at a record level.
Lernen beginnen
schuld
De nationale schuld staat op een recordniveau.
loan
The country requested an emergency loan.
Lernen beginnen
lening
Het land vroeg om een noodlening.
grant
A grant was awarded to the project.
Lernen beginnen
subsidie
Een subsidie werd toegekend aan het project.
funding
More funding is needed for research.
Lernen beginnen
financiering
Er is meer financiering nodig voor onderzoek.
donation
The charity received large donations.
Lernen beginnen
donatie
De instelling ontving grote donaties.
budget cut
Budget cuts affect public services.
Lernen beginnen
bezuiniging
Bezuinigingen hebben invloed op publieke diensten.
austerity
Austerity measures were introduced.
Lernen beginnen
bezuinigingsbeleid
Bezuinigingsmaatregelen werden ingevoerd.
welfare state
The welfare state is being reformed.
Lernen beginnen
verzorgingsstaat
De verzorgingsstaat wordt hervormd.
pension fund
The pension fund has a deficit.
Lernen beginnen
pensioenfonds
Het pensioenfonds heeft een tekort.
real estate
Real estate prices are at a record high.
Lernen beginnen
vastgoed
Vastgoedprijzen staan op een recordhoogte.
mortgage
Mortgage rates have increased.
Lernen beginnen
hypotheek
De hypotheekrentes zijn gestegen.
rent
Rents in cities are unaffordable.
Lernen beginnen
huur
Huren in steden zijn onbetaalbaar.
eviction
Thousands face eviction.
Lernen beginnen
uitzetting
Duizenden staan voor uitzetting.
energy bill
Energy bills doubled last winter.
Lernen beginnen
energierekening
De energierekening verdubbelde afgelopen winter.
price cap
A price cap was introduced.
Lernen beginnen
prijsplafond
Een prijsplafond werd ingesteld.
supply
Gas supply was disrupted.
Lernen beginnen
levering
De gaslevering werd verstoord.
shortage
There is a shortage of workers.
Lernen beginnen
schaarste
Er is een tekort aan werknemers.
queue
People queue outside the embassy.
Lernen beginnen
rij
Mensen staan in de rij voor de ambassade.
waiting list
The waiting list for housing is long.
Lernen beginnen
wachtlijst
De wachtlijst voor woningen is lang.
capacity
The hospital is at full capacity.
Lernen beginnen
capaciteit
Het ziekenhuis is op volle capaciteit.
overloaded
The system is overloaded.
Lernen beginnen
overbelast
Het systeem is overbelast.
shortage
There is a shortage of doctors.
Lernen beginnen
tekort
Er is een tekort aan artsen.
staff
Staff shortages are critical.
Lernen beginnen
personeel
Personeelstekorten zijn nijpend.
turnover
Staff turnover is very high.
Lernen beginnen
verloop
Het personeelsverloop is erg hoog.
remote work
Remote work became the new normal.
Lernen beginnen
thuiswerken
Thuiswerken werd de nieuwe norm.
hybrid
Hybrid working is now common.
Lernen beginnen
hybride
Hybride werken is nu gewoon.
automation
Automation is replacing jobs.
Lernen beginnen
automatisering
Automatisering vervangt banen.
retraining
Workers need retraining.
Lernen beginnen
omscholing
Werknemers hebben omscholing nodig.
skills gap
The skills gap is widening.
Lernen beginnen
vaardigheidstekort
Het vaardigheidstekort neemt toe.
labour market
The labour market is very tight.
Lernen beginnen
arbeidsmarkt
De arbeidsmarkt is erg krap.
unemployment
Youth unemployment remains high.
Lernen beginnen
werkloosheid
Jeugdwerkloosheid blijft hoog.
wage
Wages have not kept up with inflation.
Lernen beginnen
loon
De lonen zijn de inflatie niet bijgehouden.
strike
A strike paralysed the railway.
Lernen beginnen
staking
Een staking legde het spoor lam.
negotiation
Negotiations are still ongoing.
Lernen beginnen
onderhandeling
De onderhandelingen zijn nog gaande.
contract
She signed a permanent contract.
Lernen beginnen
arbeidscontract
Ze tekende een vast contract.
freelance
More people work freelance.
Lernen beginnen
freelance
Meer mensen werken als freelancer.
gig economy
The gig economy is expanding.
Lernen beginnen
platformeconomie
De platformeconomie groeit.
inequality
Income inequality is growing.
Lernen beginnen
ongelijkheid
De inkomensongelijkheid groeit.
gap
The wealth gap is widening.
Lernen beginnen
kloof
De vermogenskloof wordt groter.
middle class
The middle class is shrinking.
Lernen beginnen
middenklasse
De middenklasse krimpt.
tax evasion
Tax evasion costs billions.
Lernen beginnen
belastingontduiking
Belastingontduiking kost miljarden.
offshore
The money was held offshore.
Lernen beginnen
offshore
Het geld werd offshore bewaard.
transparency
Financial transparency is essential.
Lernen beginnen
transparantie
Financiële transparantie is essentieel.
audit
An audit revealed irregularities.
Lernen beginnen
audit
Een audit onthulde onregelmatigheden.
fine
The company was fined heavily.
Lernen beginnen
boete
Het bedrijf werd zwaar beboet.
regulation
Stricter regulation is needed.
Lernen beginnen
regelgeving
Strengere regelgeving is nodig.
watchdog
The watchdog launched an investigation.
Lernen beginnen
toezichthouder
De toezichthouder startte een onderzoek.
accountability
Corporate accountability must improve.
Lernen beginnen
aansprakelijkheid
Zakelijke aansprakelijkheid moet verbeteren.
lobby
Lobbyists influenced the decision.
Lernen beginnen
lobby
Lobbyisten beïnvloedden de beslissing.
interest group
Several interest groups opposed the plan.
Lernen beginnen
belangengroep
Meerdere belangengroepen waren tegen het plan.
public opinion
Public opinion has shifted.
Lernen beginnen
publieke opinie
De publieke opinie is verschoven.
trust
Trust in politics is declining.
Lernen beginnen
vertrouwen
Het vertrouwen in de politiek neemt af.
approval rating
The premier's approval rating fell.
Lernen beginnen
populariteitspeiling
De populariteitspeiling van de premier daalde.
survey
A survey found growing dissatisfaction.
Lernen beginnen
onderzoek
Een onderzoek vond groeiende ontevredenheid.
headline
The headline made international news.
Lernen beginnen
nieuws
Het nieuws haalde internationale koppen.
breaking news
Breaking news interrupted the broadcast.
Lernen beginnen
breaking news
Breaking news onderbrak de uitzending.
live
The event was broadcast live.
Lernen beginnen
live
Het evenement werd live uitgezonden.
update
Follow us for live updates.
Lernen beginnen
update
Volg ons voor live updates.
coverage
Media coverage was extensive.
Lernen beginnen
berichtgeving
De mediaberichtgeving was uitgebreid.
exclusive
An exclusive interview was published.
Lernen beginnen
exclusief
Een exclusief interview werd gepubliceerd.
anonymous
The source remained anonymous.
Lernen beginnen
anoniem
De bron bleef anoniem.
off the record
The minister spoke off the record.
Lernen beginnen
off the record
De minister sprak off the record.
quote
The quote was taken out of context.
Lernen beginnen
citaat
Het citaat werd uit zijn context getrokken.
context
You need to understand the context.
Lernen beginnen
context
Je moet de context begrijpen.
background
What is the background of the story?
Lernen beginnen
achtergrond
Wat is de achtergrond van het verhaal?
timeline
Here is the timeline of events.
Lernen beginnen
tijdlijn
Dit is de tijdlijn van de gebeurtenissen.
chronological
The events are listed chronologically.
Lernen beginnen
chronologisch
De gebeurtenissen worden chronologisch vermeld.
overview
Here is an overview of the situation.
Lernen beginnen
overzicht
Hier is een overzicht van de situatie.
summary
A short summary was provided.
Lernen beginnen
samenvatting
Een korte samenvatting werd gegeven.
detail
The details are still unclear.
Lernen beginnen
detail
De details zijn nog onduidelijk.
development
New developments emerged today.
Lernen beginnen
ontwikkeling
Er kwamen vandaag nieuwe ontwikkelingen.
update
The situation is constantly updating.
Lernen beginnen
bijwerking
De situatie wordt voortdurend bijgewerkt.
follow up
A follow-up report will be published.
Lernen beginnen
vervolgbericht
Een vervolgrapport zal worden gepubliceerd.
reaction
The reaction was overwhelmingly positive.
Lernen beginnen
reactie
De reactie was overweldigend positief.
response
The government's response was criticised.
Lernen beginnen
antwoord
De reactie van de overheid werd bekritiseerd.
criticism
The decision faced harsh criticism.
Lernen beginnen
kritiek
De beslissing kreeg zware kritiek.
praise
The initiative received praise.
Lernen beginnen
lof
Het initiatief ontving lof.
controversy
The decision caused controversy.
Lernen beginnen
controverse
De beslissing veroorzaakte controverse.
debate
A public debate was organised.
Lernen beginnen
debat
Er werd een openbaar debat georganiseerd.
discussion
The discussion is still ongoing.
Lernen beginnen
gesprek
De discussie is nog gaande.
agreement
Most experts agree on this point.
Lernen beginnen
eens zijn
De meeste experts zijn het hierover eens.
disagreement
There is strong disagreement on the issue.
Lernen beginnen
onenigheid
Er is grote onenigheid over het onderwerp.
compromise
A compromise must be found.
Lernen beginnen
schikking
Er moet een compromis worden gevonden.
stalemate
Negotiations reached a stalemate.
Lernen beginnen
patstelling
Onderhandelingen bereikten een patstelling.
breakthrough
A diplomatic breakthrough was achieved.
Lernen beginnen
doorbraak
Een diplomatieke doorbraak werd bereikt.
progress
Progress was made at the summit.
Lernen beginnen
vooruitgang
Er werd vooruitgang geboekt op de top.
setback
The project suffered a major setback.
Lernen beginnen
tegenslag
Het project leed een grote tegenslag.
delay
The decision was delayed by months.
Lernen beginnen
vertraging
De beslissing werd maanden vertraagd.
postpone
The summit was postponed.
Lernen beginnen
uitstellen
De top werd uitgesteld.
cancel
The visit was cancelled at short notice.
Lernen beginnen
annuleren
Het bezoek werd op korte termijn geannuleerd.
resume
Talks were resumed after a break.
Lernen beginnen
hervatten
De gesprekken werden hervat na een pauze.
conclude
The negotiations concluded successfully.
Lernen beginnen
afronden
De onderhandelingen werden succesvol afgerond.
sign
The agreement was signed in Brussels.
Lernen beginnen
tekenen
De overeenkomst werd ondertekend in Brussel.
ratify
The treaty was ratified by all members.
Lernen beginnen
ratificeren
Het verdrag werd door alle leden geratificeerd.
implement
The new rules will be implemented in January.
Lernen beginnen
uitvoeren
De nieuwe regels worden in januari ingevoerd.
enforce
The law must be enforced strictly.
Lernen beginnen
handhaven
De wet moet strikt worden gehandhaafd.
monitor
Progress will be monitored closely.
Lernen beginnen
monitoren
De voortgang zal nauwlettend worden gevolgd.
evaluate
The results will be evaluated next year.
Lernen beginnen
evalueren
De resultaten worden volgend jaar geëvalueerd.
revise
The plan was revised after criticism.
Lernen beginnen
herzien
Het plan werd herzien na kritiek.
adapt
The strategy was adapted to new circumstances.
Lernen beginnen
aanpassen
De strategie werd aangepast aan nieuwe omstandigheden.
extend
The deadline was extended by one week.
Lernen beginnen
verlengen
De deadline werd met één week verlengd.
expire
The agreement expires in December.
Lernen beginnen
verlopen
De overeenkomst verloopt in december.
renew
The contract was renewed for three years.
Lernen beginnen
vernieuwen
Het contract werd verlengd voor drie jaar.
strengthen
The partnership was strengthened.
Lernen beginnen
versterken
Het partnerschap werd versterkt.
weaken
The economy has weakened.
Lernen beginnen
verzwakken
De economie is verzwakt.
stabilise
The situation began to stabilise.
Lernen beginnen
stabiliseren
De situatie begon te stabiliseren.
deteriorate
The situation deteriorated overnight.
Lernen beginnen
verslechteren
De situatie verslechterde 's nachts.
improve
Relations between the countries improved.
Lernen beginnen
verbeteren
De betrekkingen tussen de landen verbeterden.
worsen
The humanitarian situation has worsened.
Lernen beginnen
verslechteren
De humanitaire situatie is verslechterd.
escalate
The conflict is escalating.
Lernen beginnen
escaleren
Het conflict escaleert.
de-escalate
Both sides agreed to de-escalate.
Lernen beginnen
de-escaleren
Beide partijen kwamen overeen te de-escaleren.
resolve
The dispute was resolved peacefully.
Lernen beginnen
oplossen
Het geschil werd vreedzaam opgelost.
address
The government must address the housing crisis.
Lernen beginnen
aanpakken
De overheid moet de woningcrisis aanpakken.
tackle
We need to tackle inequality.
Lernen beginnen
aanpakken
We moeten ongelijkheid aanpakken.
face
The country faces serious challenges.
Lernen beginnen
geconfronteerd worden met
Het land staat voor ernstige uitdagingen.
overcome
They overcame major obstacles.
Lernen beginnen
overwinnen
Ze overwonnen grote obstakels.
acknowledge
The government acknowledged its mistakes.
Lernen beginnen
erkennen
De overheid erkende haar fouten.
admit
He admitted the policy had failed.
Lernen beginnen
toegeven
Hij gaf toe dat het beleid was mislukt.
insist
The union insists on higher wages.
Lernen beginnen
aandringen
De vakbond dringt aan op hogere lonen.
claim
The company claims it broke no rules.
Lernen beginnen
beweren
Het bedrijf beweert geen regels te hebben overtreden.
argue
Experts argue that more funding is needed.
Lernen beginnen
betogen
Experts betogen dat meer financiering nodig is.
emphasise
The report emphasises long-term risks.
Lernen beginnen
benadrukken
Het rapport benadrukt langetermijnrisico's.
highlight
The documentary highlighted poverty.
Lernen beginnen
belichten
De documentaire belichte armoede.
underline
The crisis underlines the need for reform.
Lernen beginnen
onderstrepen
De crisis onderstreept de behoefte aan hervorming.
illustrate
The case illustrates a wider problem.
Lernen beginnen
illustreren
De zaak illustreert een breder probleem.
demonstrate
The results demonstrate clear progress.
Lernen beginnen
aantonen
De resultaten tonen duidelijke vooruitgang aan.
indicate
Polls indicate a shift in opinion.
Lernen beginnen
aangeven
Peilingen geven een verschuiving in mening aan.
suggest
Evidence suggests a link.
Lernen beginnen
suggereren
Bewijs suggereert een verband.
reveal
The files revealed the truth.
Lernen beginnen
onthullen
De bestanden onthulden de waarheid.
expose
The journalist exposed the scandal.
Lernen beginnen
blootleggen
De journalist legde het schandaal bloot.
uncover
Investigators uncovered new evidence.
Lernen beginnen
ontdekken
Onderzoekers ontdekten nieuw bewijs.
challenge
The decision was challenged in court.
Lernen beginnen
uitdagen
De beslissing werd aangevochten in de rechtbank.
question
Critics questioned the data.
Lernen beginnen
in twijfel trekken
Critici trokken de gegevens in twijfel.
dispute
The findings were disputed.
Lernen beginnen
betwisten
De bevindingen werden betwist.
doubt
Experts doubt the official figures.
Lernen beginnen
betwijfelen
Experts betwijfelen de officiële cijfers.
contradict
The report contradicts earlier claims.
Lernen beginnen
tegenspreken
Het rapport spreekt eerdere beweringen tegen.
confirm
The tests confirmed the diagnosis.
Lernen beginnen
bevestigen
De tests bevestigden de diagnose.
prove
The investigation proved wrongdoing.
Lernen beginnen
bewijzen
Het onderzoek bewees wangedrag.
disprove
The theory was disproved.
Lernen beginnen
weerleggen
De theorie werd weerlegd.
challenge
Several scientists challenged the results.
Lernen beginnen
betwisten
Meerdere wetenschappers betwistten de resultaten.
verify
Please verify the information before publishing.
Lernen beginnen
verifiëren
Verifieer de informatie alstublieft voor publicatie.
fact-check
Journalists must fact-check claims.
Lernen beginnen
controleren op feiten
Journalisten moeten beweringen controleren op feiten.
mislead
The advertisement misled consumers.
Lernen beginnen
misleiden
De advertentie misleidde consumenten.
manipulate
Data was manipulated to hide the truth.
Lernen beginnen
manipuleren
Gegevens werden gemanipuleerd om de waarheid te verbergen.
distort
The facts were distorted in the report.
Lernen beginnen
verdraaien
De feiten werden verdraaid in het rapport.
bias
The study was biased.
Lernen beginnen
beïnvloeden
De studie was bevooroordeeld.
independent
An independent inquiry was launched.
Lernen beginnen
onafhankelijk
Een onafhankelijk onderzoek werd gestart.
neutral
The journalist tried to remain neutral.
Lernen beginnen
neutraal
De journalist probeerde neutraal te blijven.
objective
Objective reporting is essential.
Lernen beginnen
objectief
Objectieve berichtgeving is essentieel.
reliable
Is the source reliable?
Lernen beginnen
betrouwbaar
Is de bron betrouwbaar?
accurate
The data must be accurate.
Lernen beginnen
nauwkeurig
De gegevens moeten nauwkeurig zijn.
transparent
The process must be transparent.
Lernen beginnen
transparant
Het proces moet transparant zijn.
consistent
The policy must be consistent.
Lernen beginnen
consistent
Het beleid moet consistent zijn.
effective
The measures proved effective.
Lernen beginnen
effectief
De maatregelen bleken effectief.
efficient
A more efficient system is needed.
Lernen beginnen
efficiënt
Een efficiënter systeem is nodig.
sustainable
The model must be financially sustainable.
Lernen beginnen
duurzaam
Het model moet financieel duurzaam zijn.
affordable
Housing must be made more affordable.
Lernen beginnen
betaalbaar
Huisvesting moet betaalbaarder worden gemaakt.
accessible
Healthcare must be accessible to all.
Lernen beginnen
toegankelijk
Gezondheidszorg moet voor iedereen toegankelijk zijn.
fair
The system must be fair.
Lernen beginnen
eerlijk
Het systeem moet eerlijk zijn.
equal
All citizens must be treated equally.
Lernen beginnen
gelijk
Alle burgers moeten gelijk worden behandeld.
urgent
Action is urgently needed.
Lernen beginnen
dringend
Actie is dringend nodig.
critical
The situation is critical.
Lernen beginnen
kritiek
De situatie is kritiek.
severe
The consequences could be severe.
Lernen beginnen
ernstig
De gevolgen kunnen ernstig zijn.
significant
A significant increase was recorded.
Lernen beginnen
significant
Een significante toename werd geregistreerd.
substantial
Substantial investment is required.
Lernen beginnen
aanzienlijk
Aanzienlijke investering is vereist.
considerable
Considerable progress has been made.
Lernen beginnen
aanzienlijk
Er is aanzienlijke vooruitgang geboekt.
dramatic
There was a dramatic increase.
Lernen beginnen
dramatisch
Er was een dramatische toename.
sharp
A sharp drop in prices was observed.
Lernen beginnen
scherp
Een scherpe daling van prijzen werd waargenomen.
gradual
There has been a gradual improvement.
Lernen beginnen
geleidelijk
Er is een geleidelijke verbetering.
steady
Steady growth is expected.
Lernen beginnen
gestaag
Gestage groei wordt verwacht.
rapid
Rapid change is needed.
Lernen beginnen
snel
Snelle verandering is nodig.
slow
The recovery has been slow.
Lernen beginnen
traag
Het herstel is traag geweest.
unexpected
The result was unexpected.
Lernen beginnen
onverwacht
Het resultaat was onverwacht.
surprising
The findings were surprising.
Lernen beginnen
verrassend
De bevindingen waren verrassend.
controversial
The decision was highly controversial.
Lernen beginnen
controversieel
De beslissing was zeer controversieel.
sensitive
This is a sensitive topic.
Lernen beginnen
gevoelig
Dit is een gevoelig onderwerp.
complex
The situation is complex.
Lernen beginnen
complex
De situatie is complex.
unclear
The cause is still unclear.
Lernen beginnen
onduidelijk
De oorzaak is nog onduidelijk.
uncertain
The future remains uncertain.
Lernen beginnen
onzeker
De toekomst blijft onzeker.
inevitable
Change is inevitable.
Lernen beginnen
onvermijdelijk
Verandering is onvermijdelijk.
necessary
Reform is necessary.
Lernen beginnen
noodzakelijk
Hervorming is noodzakelijk.
possible
A solution is still possible.
Lernen beginnen
mogelijk
Een oplossing is nog steeds mogelijk.
impossible
Agreement seemed impossible.
Lernen beginnen
onmogelijk
Een akkoord leek onmogelijk.
likely
Further increases are likely.
Lernen beginnen
waarschijnlijk
Verdere verhogingen zijn waarschijnlijk.
unlikely
A quick recovery is unlikely.
Lernen beginnen
onwaarschijnlijk
Een snel herstel is onwaarschijnlijk.
according to
According to the minister the plan will work.
Lernen beginnen
volgens
Volgens de minister zal het plan werken.
despite
Despite the risks the project continues.
Lernen beginnen
ondanks
Ondanks de risico's gaat het project door.
due to
Due to rising costs prices increased.
Lernen beginnen
door
Door stijgende kosten stegen de prijzen.
as a result of
As a result of the crisis unemployment rose.
Lernen beginnen
als gevolg van
Als gevolg van de crisis steeg de werkloosheid.
in response to
In response to the protests the law was changed.
Lernen beginnen
als reactie op
Als reactie op de protesten werd de wet gewijzigd.
in spite of
In spite of opposition the bill passed.
Lernen beginnen
ondanks
Ondanks de oppositie werd het wetsvoorstel aangenomen.
following
Following the scandal he resigned.
Lernen beginnen
na aanleiding van
Na aanleiding van het schandaal trad hij af.
ahead of
Ahead of the election new polls were released.
Lernen beginnen
voorafgaand aan
Voorafgaand aan de verkiezing werden nieuwe peilingen gepubliceerd.
amid
Amid rising tensions talks broke down.
Lernen beginnen
te midden van
Te midden van toenemende spanningen braken de gesprekken af.
meanwhile
Meanwhile the investigation is ongoing.
Lernen beginnen
ondertussen
Ondertussen loopt het onderzoek door.
furthermore
Furthermore the costs continue to rise.
Lernen beginnen
bovendien
Bovendien blijven de kosten stijgen.
however
However the results are still positive.
Lernen beginnen
echter
De resultaten zijn echter nog positief.
therefore
Therefore immediate action is needed.
Lernen beginnen
daarom
Daarom is onmiddellijke actie nodig.
consequently
Consequently thousands lost their jobs.
Lernen beginnen
bijgevolg
Bijgevolg verloren duizenden hun baan.
nevertheless
Nevertheless the summit was productive.
Lernen beginnen
desondanks
Desondanks was de top productief.
on the contrary
On the contrary the data shows improvement.
Lernen beginnen
integendeel
Integendeel de gegevens tonen verbetering.
in contrast
In contrast the southern regions prospered.
Lernen beginnen
in tegenstelling
In tegenstelling daartoe floreerden de zuidelijke regio's.
similarly
Similarly other countries face this problem.
Lernen beginnen
op dezelfde manier
Op dezelfde manier worden andere landen met dit probleem geconfronteerd.
in addition
In addition new jobs were created.
Lernen beginnen
bovendien
Bovendien werden nieuwe banen gecreëerd.
above all
Above all trust must be restored.
Lernen beginnen
bovenal
Bovenal moet vertrouwen worden hersteld.
in particular
Young people in particular are affected.
Lernen beginnen
in het bijzonder
Jongeren worden in het bijzonder getroffen.
especially
Especially vulnerable groups need support.
Lernen beginnen
met name
Met name kwetsbare groepen hebben steun nodig.
overall
Overall the results are encouraging.
Lernen beginnen
over het geheel genomen
Over het geheel genomen zijn de resultaten bemoedigend.
broadly speaking
Broadly speaking the plan is sound.
Lernen beginnen
in grote lijnen
In grote lijnen is het plan solide.
in general
In general support for the policy is strong.
Lernen beginnen
in het algemeen
In het algemeen is de steun voor het beleid sterk.
to a large extent
This is to a large extent a political issue.
Lernen beginnen
grotendeels
Dit is grotendeels een politieke kwestie.
partly
The failure is partly due to poor planning.
Lernen beginnen
gedeeltelijk
Het falen is gedeeltelijk te wijten aan slechte planning.
entirely
The project was entirely funded by the state.
Lernen beginnen
volledig
Het project werd volledig gefinancierd door de staat.
largely
The plan was largely successful.
Lernen beginnen
grotendeels
Het plan was grotendeels succesvol.
mainly
The problem is mainly financial.
Lernen beginnen
voornamelijk
Het probleem is voornamelijk financieel.
primarily
The policy aims primarily at young families.
Lernen beginnen
primair
Het beleid richt zich primair op jonge gezinnen.
essentially
This is essentially a human rights issue.
Lernen beginnen
in wezen
Dit is in wezen een mensenrechtenkwestie.
technically
Technically the law allows this.
Lernen beginnen
technisch gezien
Technisch gezien staat de wet dit toe.
officially
Officially the talks have not started.
Lernen beginnen
officieel
Officieel zijn de gesprekken nog niet begonnen.
reportedly
Reportedly a deal has been reached.
Lernen beginnen
naar verluidt
Naar verluidt is er een deal bereikt.
allegedly
He allegedly accepted bribes.
Lernen beginnen
naar bewering
Hij zou naar bewering smeergeld hebben aangenomen.
apparently
Apparently the decision was made last week.
Lernen beginnen
klaarblijkelijk
Klaarblijkelijk werd de beslissing vorige week genomen.
arguably
This is arguably the biggest crisis in decades.
Lernen beginnen
zou kunnen worden betoogd
Dit zou kunnen worden betoogd de grootste crisis in decennia te zijn.
clearly
The situation is clearly worsening.
Lernen beginnen
duidelijk
De situatie verslechtert duidelijk.
obviously
Obviously more research is needed.
Lernen beginnen
uiteraard
Uiteraard is meer onderzoek nodig.
undoubtedly
This is undoubtedly a historic moment.
Lernen beginnen
ongetwijfeld
Dit is ongetwijfeld een historisch moment.
certainly
This will certainly have consequences.
Lernen beginnen
zeker
Dit zal zeker gevolgen hebben.
possibly
The situation could possibly improve.
Lernen beginnen
mogelijk
De situatie zou mogelijk kunnen verbeteren.
potentially
This is a potentially dangerous development.
Lernen beginnen
potentieel
Dit is een potentieel gevaarlijke ontwikkeling.
ultimately
Ultimately the decision rests with the voters.
Lernen beginnen
uiteindelijk
Uiteindelijk berust de beslissing bij de kiezers.
eventually
Eventually a compromise was found.
Lernen beginnen
uiteindelijk
Uiteindelijk werd een compromis gevonden.
recently
The law was recently amended.
Lernen beginnen
onlangs
De wet werd onlangs gewijzigd.
currently
The country is currently in recession.
Lernen beginnen
momenteel
Het land bevindt zich momenteel in een recessie.
previously
The minister had previously denied knowledge.
Lernen beginnen
eerder
De minister had eerder kennis ontkend.
historically
Historically this region has been prosperous.
Lernen beginnen
historisch gezien
Historisch gezien is deze regio welvarend geweest.
traditionally
Traditionally the party wins in the south.
Lernen beginnen
traditioneel
Traditioneel wint de partij in het zuiden.
increasingly
People are increasingly concerned.
Lernen beginnen
steeds meer
Mensen maken zich steeds meer zorgen.
rapidly
The situation is rapidly changing.
Lernen beginnen
snel
De situatie verandert snel.
gradually
The economy is gradually recovering.
Lernen beginnen
geleidelijk
De economie herstelt geleidelijk.
significantly
Crime has dropped significantly.
Lernen beginnen
aanzienlijk
Misdaad is aanzienlijk gedaald.
dramatically
Costs have increased dramatically.
Lernen beginnen
dramatisch
De kosten zijn dramatisch gestegen.
considerably
The situation has improved considerably.
Lernen beginnen
aanzienlijk
De situatie is aanzienlijk verbeterd.
substantially
The budget was substantially reduced.
Lernen beginnen
substantieel
Het budget werd substantieel verlaagd.
slightly
Unemployment fell slightly.
Lernen beginnen
licht
De werkloosheid daalde licht.
sharply
Prices rose sharply.
Lernen beginnen
scherp
De prijzen stegen scherp.
steadily
The economy grew steadily.
Lernen beginnen
gestaag
De economie groeide gestaag.
consistently
The party has consistently opposed the plan.
Lernen beginnen
consequent
De partij heeft het plan consequent tegengestaan.
effectively
The campaign was effectively managed.
Lernen beginnen
effectief
De campagne werd effectief beheerd.
successfully
The project was successfully completed.
Lernen beginnen
succesvol
Het project werd succesvol afgerond.
jointly
The statement was jointly issued.
Lernen beginnen
gezamenlijk
De verklaring werd gezamenlijk uitgebracht.
publicly
He publicly apologised.
Lernen beginnen
publiekelijk
Hij verontschuldigde zich publiekelijk.
privately
The deal was privately negotiated.
Lernen beginnen
privé
De deal werd privé onderhandeld.
formally
The complaint was formally submitted.
Lernen beginnen
formeel
De klacht werd formeel ingediend.
informally
They informally agreed on the terms.
Lernen beginnen
informeel
Ze kwamen informeel overeen over de voorwaarden.
voluntarily
He voluntarily stepped down.
Lernen beginnen
vrijwillig
Hij trad vrijwillig af.
forcibly
They were forcibly removed.
Lernen beginnen
gedwongen
Ze werden gedwongen verwijderd.
illegally
The building was illegally constructed.
Lernen beginnen
illegaal
Het gebouw werd illegaal gebouwd.
legally
Is this legally permitted?
Lernen beginnen
wettelijk
Is dit wettelijk toegestaan?
domestically
The product is sold domestically.
Lernen beginnen
binnenlands
Het product wordt binnenlands verkocht.
internationally
The agreement was internationally recognised.
Lernen beginnen
internationaal
De overeenkomst werd internationaal erkend.
globally
The problem affects people globally.
Lernen beginnen
wereldwijd
Het probleem treft mensen wereldwijd.
locally
The decision was taken locally.
Lernen beginnen
lokaal
De beslissing werd lokaal genomen.
regionally
The impact is felt regionally.
Lernen beginnen
regionaal
De impact wordt regionaal gevoeld.
nationally
The campaign ran nationally.
Lernen beginnen
nationaal
De campagne liep nationaal.
environmentally
The policy is environmentally sound.
Lernen beginnen
milieuvriendelijk
Het beleid is milieuvriendelijk verantwoord.
economically
The measure is economically justified.
Lernen beginnen
economisch
De maatregel is economisch gerechtvaardigd.
politically
The decision is politically motivated.
Lernen beginnen
politiek
De beslissing is politiek gemotiveerd.
socially
The programme is socially beneficial.
Lernen beginnen
sociaal
Het programma is sociaal voordelig.
culturally
The event is culturally significant.
Lernen beginnen
cultureel
Het evenement is cultureel significant.
scientifically
The claim is scientifically proven.
Lernen beginnen
wetenschappelijk
De bewering is wetenschappelijk bewezen.
statistically
The difference is statistically significant.
Lernen beginnen
statistisch
Het verschil is statistisch significant.
financially
The project is financially viable.
Lernen beginnen
financieel
Het project is financieel haalbaar.
technically
The system is technically advanced.
Lernen beginnen
technisch
Het systeem is technisch geavanceerd.
practically
The solution is practically impossible.
Lernen beginnen
praktisch
De oplossing is praktisch onmogelijk.
theoretically
Theoretically the plan could work.
Lernen beginnen
theoretisch
Theoretisch zou het plan kunnen werken.
ideally
Ideally the parties would cooperate.
Lernen beginnen
ideaal gezien
Ideaal gezien zouden de partijen samenwerken.
realistically
Realistically more time is needed.
Lernen beginnen
realistisch gezien
Realistisch gezien is meer tijd nodig.
relatively
The damage was relatively limited.
Lernen beginnen
relatief
De schade was relatief beperkt.
comparatively
Comparatively the results are good.
Lernen beginnen
vergelijkenderwijs
Vergelijkenderwijs zijn de resultaten goed.
proportionally
Costs rose proportionally.
Lernen beginnen
evenredig
De kosten stegen evenredig.
approximately
Approximately one thousand people attended.
Lernen beginnen
ongeveer
Ongeveer duizend mensen kwamen opdagen.
roughly
Roughly half of voters agreed.
Lernen beginnen
ruwweg
Ruwweg de helft van de kiezers stemde in.
precisely
It is not yet precisely known.
Lernen beginnen
precies
Het is nog niet precies bekend.
exactly
We don't know exactly what happened.
Lernen beginnen
exact
We weten niet exact wat er is gebeurd.
directly
The minister was directly questioned.
Lernen beginnen
direct
De minister werd direct ondervraagd.
indirectly
The policy indirectly affects workers.
Lernen beginnen
indirect
Het beleid beïnvloedt werknemers indirect.
openly
She openly criticised the government.
Lernen beginnen
openlijk
Ze bekritiseerde de overheid openlijk.
secretly
The deal was secretly negotiated.
Lernen beginnen
in het geheim
De deal werd in het geheim onderhandeld.
briefly
The president briefly commented.
Lernen beginnen
kort
De president reageerde kort.
extensively
The topic was extensively covered.
Lernen beginnen
uitgebreid
Het onderwerp werd uitgebreid behandeld.
thoroughly
The report was thoroughly reviewed.
Lernen beginnen
grondig
Het rapport werd grondig herzien.
carefully
The data was carefully analysed.
Lernen beginnen
zorgvuldig
De gegevens werden zorgvuldig geanalyseerd.
urgently
The situation requires urgent action.
Lernen beginnen
dringend
De situatie vereist dringend actie.
immediately
The measures take effect immediately.
Lernen beginnen
onmiddellijk
De maatregelen treden onmiddellijk in werking.
temporarily
The border was temporarily closed.
Lernen beginnen
tijdelijk
De grens werd tijdelijk gesloten.
permanently
The changes are permanent.
Lernen beginnen
permanent
De wijzigingen zijn permanent.
progressively
Taxes will be progressively raised.
Lernen beginnen
progressief
Belastingen zullen progressief worden verhoogd.
collectively
We must act collectively.
Lernen beginnen
gezamenlijk
We moeten gezamenlijk handelen.
independently
The report was produced independently.
Lernen beginnen
onafhankelijk
Het rapport werd onafhankelijk opgesteld.
consistently
The government acted consistently.
Lernen beginnen
consequent
De overheid handelde consequent.
transparently
Decisions must be made transparently.
Lernen beginnen
transparant
Beslissingen moeten transparant worden genomen.
responsibly
Companies must act responsibly.
Lernen beginnen
verantwoordelijk
Bedrijven moeten verantwoordelijk handelen.
sustainably
Resources must be used sustainably.
Lernen beginnen
duurzaam
Hulpbronnen moeten duurzaam worden gebruikt.
actively
Citizens should actively participate.
Lernen beginnen
actief
Burgers moeten actief deelnemen.
passively
The government reacted passively.
Lernen beginnen
passief
De overheid reageerde passief.
swiftly
The authorities responded swiftly.
Lernen beginnen
snel
De autoriteiten reageerden snel.
decisively
Leaders must act decisively.
Lernen beginnen
besluitvaardig
Leiders moeten besluitvaardig handelen.
cautiously
The bank acted cautiously.
Lernen beginnen
voorzichtig
De bank handelde voorzichtig.
aggressively
The company expanded aggressively.
Lernen beginnen
agressief
Het bedrijf breidde agressief uit.
peacefully
The protesters marched peacefully.
Lernen beginnen
vreedzaam
De betogers marcheerden vreedzaam.
violently
The demonstration turned violent.
Lernen beginnen
gewelddadig
De demonstratie werd gewelddadig.
rapidly
The virus spread rapidly.
Lernen beginnen
snel
Het virus verspreidde zich snel.
slowly
Recovery is proceeding slowly.
Lernen beginnen
langzaam
Het herstel verloopt langzaam.
broadly
The law is broadly supported.
Lernen beginnen
breed
De wet wordt breed gesteund.
narrowly
The bill narrowly passed.
Lernen beginnen
nipt
Het wetsvoorstel werd nipt aangenomen.
overwhelmingly
The proposal was overwhelmingly approved.
Lernen beginnen
overweldigend
Het voorstel werd overweldigend goedgekeurd.
unanimously
The council voted unanimously.
Lernen beginnen
unaniem
De raad stemde unaniem.
partially
The debt was partially repaid.
Lernen beginnen
gedeeltelijk
De schuld werd gedeeltelijk terugbetaald.
fully
The costs were fully covered.
Lernen beginnen
volledig
De kosten werden volledig gedekt.
barely
The party barely won the election.
Lernen beginnen
nauwelijks
De partij won de verkiezing nauwelijks.
hardly
Hardly any progress was made.
Lernen beginnen
amper
Er werd amper vooruitgang geboekt.
virtually
Virtually all experts agree.
Lernen beginnen
vrijwel
Vrijwel alle experts zijn het eens.
entirely
The budget was entirely used up.
Lernen beginnen
geheel
Het budget was geheel opgebruikt.
absolutely
This is absolutely unacceptable.
Lernen beginnen
absoluut
Dit is absoluut onaanvaardbaar.
firmly
The minister firmly denied the claim.
Lernen beginnen
vastberaden
De minister ontkende de bewering vastberaden.
strongly
The union strongly opposed the cuts.
Lernen beginnen
sterk
De vakbond verzette zich sterk tegen de bezuinigingen.
clearly
The data clearly shows a trend.
Lernen beginnen
duidelijk
De gegevens tonen duidelijk een trend.
openly
He openly admitted the mistake.
Lernen beginnen
open
Hij gaf de fout open toe.
honestly
She honestly assessed the situation.
Lernen beginnen
eerlijk
Ze beoordeelde de situatie eerlijk.
fairly
The system must operate fairly.
Lernen beginnen
eerlijk
Het systeem moet eerlijk functioneren.
equally
All should be treated equally.
Lernen beginnen
gelijk
Iedereen moet gelijk worden behandeld.
freely
Citizens can freely express opinions.
Lernen beginnen
vrij
Burgers kunnen vrijelijk meningen uiten.
widely
The report was widely discussed.
Lernen beginnen
wijd verspreid
Het rapport werd wijd besproken.
deeply
The scandal deeply shocked the public.
Lernen beginnen
diep
Het schandaal schokte het publiek diep.
seriously
The threat must be taken seriously.
Lernen beginnen
ernstig
De dreiging moet serieus worden genomen.
genuinely
She is genuinely committed to reform.
Lernen beginnen
oprecht
Ze is oprecht toegewijd aan hervorming.
largely
The claims are largely unproven.
Lernen beginnen
grotendeels
De beweringen zijn grotendeels ongegrond.
partly
The crisis is partly self-inflicted.
Lernen beginnen
ten dele
De crisis is ten dele zelfveroorzaakt.
mostly
The policy was mostly successful.
Lernen beginnen
meestal
Het beleid was meestal succesvol.
generally
The response was generally positive.
Lernen beginnen
over het algemeen
De reactie was over het algemeen positief.
commonly
This is commonly misunderstood.
Lernen beginnen
algemeen
Dit wordt algemeen verkeerd begrepen.
frequently
The topic is frequently debated.
Lernen beginnen
frequent
Het onderwerp wordt frequent bediscussieerd.
regularly
The figures are regularly updated.
Lernen beginnen
regelmatig
De cijfers worden regelmatig bijgewerkt.
occasionally
Meetings are occasionally cancelled.
Lernen beginnen
af en toe
Vergaderingen worden af en toe geannuleerd.
rarely
Such crises are rarely resolved quickly.
Lernen beginnen
zelden
Dergelijke crises worden zelden snel opgelost.

Sie müssen eingeloggt sein, um einen Kommentar zu schreiben.