Pronominalne zaimki - er/daar

 0    77 Datenblatt    bartoszkowalewski90
mp3 downloaden Drucken spielen überprüfen
 
Frage Antworten
Ik wacht ___ tot hij belt.
czekam na to
Lernen beginnen
erop
Ik verheug me ___ om je weer te zien.
cieszę się na to
Lernen beginnen
erop
Je kunt ___ rekenen dat hij helpt.
możesz na to liczyć
Lernen beginnen
erop / daarop
Ze dringt ___ aan dat we vertrekken.
naciska na to
Lernen beginnen
erop
Ik kijk ___ uit om eindelijk vakantie te hebben.
nie mogę się doczekać
Lernen beginnen
ernaar
Hij verlangt ___ om weer thuis te zijn.
tęskni za tym
Lernen beginnen
ernaar / daarnaar
We streven ___ om beter te worden.
dążymy do tego
Lernen beginnen
ernaar
Ik ben ___ ___ eens.
zgadzam się z tym
Lernen beginnen
ermee
Wat doe je ___ ___?
co z tym robisz
Lernen beginnen
ermee
Hij helpt me ___ ___.
pomaga mi z tym
Lernen beginnen
ermee / daarmee
Ze is ___ ___ bezig.
jest tym zajęta
Lernen beginnen
ermee
Ik denk ___ ___ na.
zastanawiam się nad tym
Lernen beginnen
erover
We hebben het ___ gehad.
rozmawialiśmy o tym
Lernen beginnen
erover
Denk je ___ nog ___?
myślisz jeszcze o tym
Lernen beginnen
erover
Ik ben trots ___.
jestem z tego dumny
Lernen beginnen
erop
Ze reageerde slecht ___.
zareagowała na to źle
Lernen beginnen
erop
Ik neem ___ afscheid ___.
żegnam się z tym
Lernen beginnen
ervan
Hij is ___ overtuigd.
jest o tym przekonany
Lernen beginnen
ervan
Ik ben ___ zeker ___.
jestem tego pewien
Lernen beginnen
ervan / daarvan
Wat vind je ___?
co o tym myślisz
Lernen beginnen
ervan
Ik werk ___ ___.
pracuję nad tym
Lernen beginnen
eraan / daaraan
We zijn ___ begonnen.
zaczęliśmy to
Lernen beginnen
eraan
Hij blijft ___ werken.
dalej nad tym pracuje
Lernen beginnen
eraan / daaraan
Ze praat ___ met haar collega.
rozmawia o tym
Lernen beginnen
erover
Ik maak me __ zorgen __.
martwię się o to
Lernen beginnen
erover / daarover
We hebben ___ ___ gestemd.
głosowaliśmy nad tym
Lernen beginnen
erover
Ik reken ___ dat alles goed komt.
liczę na to
Lernen beginnen
erop / daarop
Je kunt ___ vertrouwen.
możesz na tym polegać
Lernen beginnen
erop / daarop
Hij wacht ___ tot hij antwoord krijgt.
czeka na to
Lernen beginnen
daarop
Ze dringt ___ aan dat we doorgaan.
naciska na to
Lernen beginnen
erop / daarop
Ik werk ___ ___.
pracuję nad tym
Lernen beginnen
daaraan
We zijn ___ begonnen.
zaczęliśmy to
Lernen beginnen
eraan / daaraan
Hij denkt ___ ___.
myśli o tym
Lernen beginnen
daaraan
Ze twijfelt ___ ___.
wątpi w to
Lernen beginnen
eraan / daaraan
Wat doe je ___ ___?
co z tym robisz
Lernen beginnen
ermee / daarmee
Hij helpt haar ___ ___.
pomaga jej z tym
Lernen beginnen
ermee / daarmee
We zijn ___ bezig.
jesteśmy tym zajęci
Lernen beginnen
daarmee
Ze is het ___ ___ eens.
zgadza się z tym
Lernen beginnen
daar / mee
We hebben het ___ ___ gehad.
rozmawialiśmy o tym
Lernen beginnen
erover / daarover
Ik denk ___ ___ na.
zastanawiam się nad tym
Lernen beginnen
daar / over
Maak je je ___ zorgen over?
martwisz się o to
Lernen beginnen
daarover
Ze klaagt ___ ___.
skarży się na to
Lernen beginnen
daar / over
Ik kijk ___ naar uit.
czekam na to z niecierpliwością
Lernen beginnen
daarnaar
Hij verlangt ___ ___.
tęskni za tym
Lernen beginnen
ernaar / daarnaar
We streven ___ ___.
dążymy do tego
Lernen beginnen
daar / naar
Wat vind je ___ ___?
co o tym sądzisz
Lernen beginnen
ervan / daarvan
Ik ben ___ overtuigd.
jestem o tym przekonany
Lernen beginnen
daarvan
Hij is ___ zeker.
jest tego pewien
Lernen beginnen
ervan / daarvan
Ze is trots ___.
jest z tego dumna
Lernen beginnen
erop / daarop
Ik heb ___ last ___.
mam z tego problem
Lernen beginnen
ervan / daarvan
Hij maakt ___ gebruik ___.
korzysta z tego
Lernen beginnen
ervan / daarvan
Ze ziet ___ ___ op.
boi się tego
Lernen beginnen
ertegen / daartegen
Ik kom ___ later ___ terug.
wrócę do tego później
Lernen beginnen
erop / daarop
Hij gaat ___ niet ___ akkoord.
nie zgadza się z tym
Lernen beginnen
ermee / daarmee
We moeten ___ af.
musimy się tego pozbyć
Lernen beginnen
ervan / daarvan
Ik hou ___ rekening ___.
liczę się z tym
Lernen beginnen
ermee / daarmee
Ze heeft ___ geen zin ___.
nie ma na to ochoty
Lernen beginnen
er / in
Ik kan ___ niet ___.
nie mogę tego znieść
Lernen beginnen
ertegen / daartegen
Hij doet ___ alles ___.
robi wszystko, żeby to osiągnąć
Lernen beginnen
eraan / daaraan
Ze blijft ___ ___.
trzyma się tego
Lernen beginnen
erbij / daarbij
Ik raak ___ ___ gewend.
przyzwyczajam się do tego
Lernen beginnen
eraan
Hij schaamt zich ___ ___.
wstydzi się tego
Lernen beginnen
ervoor / daarvoor
Ik heb ___ geen invloed ___.
nie mam na to wpływu
Lernen beginnen
erop / daarop
Ik heb ___ niets ___ te maken.
nie mam z tym nic wspólnego
Lernen beginnen
ermee / daarmee
Hij heeft ___ ervaring ___.
ma z tym doświadczenie
Lernen beginnen
ermee / daarmee
We moeten ___ vanaf.
musimy się tego pozbyć
Lernen beginnen
daar
Ik heb ___ geen controle ___.
nie mam nad tym kontroli
Lernen beginnen
daarover
Ze heeft ___ moeite ___.
ma z tym trudność
Lernen beginnen
daarmee
Hij komt ___ later ___ terug.
wróci do tego później
Lernen beginnen
erop / daarop
We zijn ___ afhankelijk ___.
jesteśmy od tego zależni
Lernen beginnen
ervan / daarvan
Ze houdt ___ rekening ___.
liczy się z tym
Lernen beginnen
daarmee
Ik ben ___ verantwoordelijk ___
jestem za to odpowiedzialny
Lernen beginnen
ervoor / daarvoor
Hij heeft ___ spijt ___.
żałuje tego
Lernen beginnen
daarvan
Ik heb ___ vertrouwen ___.
mam w tym zaufanie
Lernen beginnen
erin / daarin
Ze is ___ goed ___.
jest w tym dobra
Lernen beginnen
erin / daarin
We zijn ___ klaar ___.
mamy z tym dość
Lernen beginnen
ermee / daarmee
Hij is ___ niet ___ gediend.
nie jest z tego zadowolony
Lernen beginnen
ervan / daarvan

Sie müssen eingeloggt sein, um einen Kommentar zu schreiben.