sl 10

 0    60 Datenblatt    ganajerski
mp3 downloaden Drucken spielen überprüfen
 
Frage Antworten
Ik koop groenten zoals tomaten en komkommers.
Lernen beginnen
Kupuję warzywa, takie jak pomidory i ogórki.
De lucht is grijs.
Lernen beginnen
Niebo jest szare.
Ik zwaai naar mijn buurman.
Lernen beginnen
Macham do sąsiada.
Ik neem een pak melk.
Lernen beginnen
Biorę karton mleka.
Ik stap in de bus.
Lernen beginnen
Wsiadam do autobusu.
De doos is groot.
Lernen beginnen
Pudełko jest duże.
Ik wil het graag weten.
Lernen beginnen
Chcę to wiedzieć.
De winkel is op de hoek.
Lernen beginnen
Sklep jest na rogu.
Ik ben al klaar.
Lernen beginnen
Już jestem gotowy/gotowa.
Ik koop verse groente.
Lernen beginnen
Kupuję świeże warzywa.
Mijn portemonnee is leeg.
Lernen beginnen
Mój portfel jest pusty.
Ik volg een opleiding.
Lernen beginnen
Robię kurs/szkolenie.
De bus zit vol.
Lernen beginnen
Autobus jest pełny.
Ik ben aangekomen.
Lernen beginnen
Dotarłem/dotarłam.
Ik doe boodschappen in de supermarkt.
Lernen beginnen
Robię zakupy w supermarkecie.
Ik schil een aardappel.
Lernen beginnen
Obieram ziemniaka.
Ik moet meer oefenen.
Lernen beginnen
Muszę więcej ćwiczyć.
Ik luister muziek terwijl ik kook.
Lernen beginnen
Słucham muzyki, podczas gdy gotuję.
Ik wil meteen betalen.
Lernen beginnen
Chcę zapłacić od razu.
De toren is heel hoog.
Lernen beginnen
Wieża jest bardzo wysoka.
Ik ben pas begonnen.
Lernen beginnen
Dopiero zacząłem/zaczęłam.
Ik moet de dokter bellen.
Lernen beginnen
Muszę zadzwonić do lekarza.
De vuilnisbak is vol.
Lernen beginnen
Kosz na śmieci jest pełny.
Ik leg mijn kleren in de kast.
Lernen beginnen
Kładę ubrania do szafy.
De winkel is gesloten.
Lernen beginnen
Sklep jest zamknięty.
Ik zwaai naar mijn buurman.
Lernen beginnen
Macham do sąsiada.
Ik ben onderweg naar het station.
Lernen beginnen
Jestem w drodze na stację.
Dit is heel handig.
Lernen beginnen
To jest bardzo przydatne.
Ik krijg morgen bezoek.
Lernen beginnen
Jutro mam gości.
Ik koop nieuwe kleding.
Lernen beginnen
Kupuję nowe ubrania.
Ik ben bijna thuis.
Lernen beginnen
Jestem prawie w domu.
Ik neem een fles water.
Lernen beginnen
Kupuję butelkę wody.
Ik woon in een klein dorp.
Lernen beginnen
Mieszkam w małej wiosce.
Je uitspraak is erg goed.
Lernen beginnen
Twoja wymowa jest bardzo dobra.
Ik wil even bidden.
Lernen beginnen
Chcę się pomodlić.
Het mes is scherp.
Lernen beginnen
Nóż jest ostry.
Ik zet de tas op de stoel.
Lernen beginnen
Kładę torbę na krześle.
Ik doe de was.
Lernen beginnen
Robię pranie.
Ik ben op kantoor.
Lernen beginnen
Jestem w biurze.
Ik kies een andere jas.
Lernen beginnen
Wybieram inną kurtkę.
Ik houd eten over.
Lernen beginnen
Zostaje mi jedzenie.
Ik ga verder met werken.
Lernen beginnen
Kontynuuję pracę.
De appel is rood.
Lernen beginnen
Jabłko jest czerwone.
Ik leer Duits.
Lernen beginnen
Uczę się niemieckiego.
Deze broek is goedkoop.
Lernen beginnen
Te spodnie są tanie.
Ik moet de glazen afdrogen.
Lernen beginnen
Muszę wytrzeć szklanki.
De stoel is zacht.
Lernen beginnen
Krzesło jest miękkie.
Dit is belangrijk voor mij.
Lernen beginnen
To jest dla mnie ważne.
Uitstekend gedaan.
Lernen beginnen
Doskonale zrobione.
Ik spreek een beetje Frans.
Lernen beginnen
Mówię trochę po francusku.
Ik zet de vuilnis buiten.
Lernen beginnen
Wystawiam śmieci.
Ik strijk elke zondag.
Lernen beginnen
Prasuję w każdą niedzielę.
De tas is zwaar.
Lernen beginnen
Torba jest ciężka.
Ik ben onderweg.
Lernen beginnen
Jestem w drodze.
Ik dek de tafel.
Lernen beginnen
Nakrywam stół.
Ik volg deze cursus.
Lernen beginnen
Uczęszczam na ten kurs.
Het gebouw is nieuw.
Lernen beginnen
Budynek jest nowy.
Ik ben in de winkel.
Lernen beginnen
Jestem w sklepie.
Ik koop een fles water.
Lernen beginnen
Kupuję butelkę wody.
Ik hoor iets beneden.
Lernen beginnen
Słyszę coś na dole.

Sie müssen eingeloggt sein, um einen Kommentar zu schreiben.