sl 14

 0    40 Datenblatt    ganajerski
mp3 downloaden Drucken spielen überprüfen
 
Frage Antworten
De flesdop zit vast.
Lernen beginnen
Zakrętka jest mocno dokręcona.
De maat past goed.
Lernen beginnen
Rozmiar dobrze pasuje.
De opa slaapt in de stoel.
Lernen beginnen
Dziadek śpi na krześle.
De oma komt op bezoek.
Lernen beginnen
Babcia przychodzi w odwiedziny.
De buur helpt mij.
Lernen beginnen
Sąsiad(ka) mi pomaga.
De eigenaar opent de deur.
Lernen beginnen
Właściciel otwiera drzwi.
De patiënt voelt zich beter.
Lernen beginnen
Pacjent czuje się lepiej.
De verkoper geeft informatie.
Lernen beginnen
Sprzedawca udziela informacji.
De muur is wit.
Lernen beginnen
Ściana jest biała.
Het dak is rood.
Lernen beginnen
Dach jest czerwony.
De bel gaat.
Lernen beginnen
Dzwonek dzwoni.
De boterham is lekker.
Lernen beginnen
Kanapka jest smaczna.
Ik doe jam op mijn brood.
Lernen beginnen
Nakładam dżem na chleb.
Ik neem een kaasplak.
Lernen beginnen
Biorę plaster sera.
De worst is vers.
Lernen beginnen
Kiełbasa jest świeża.
De komkommer is groen.
Lernen beginnen
Ogórek jest zielony.
De sla is knapperig.
Lernen beginnen
Sałata jest chrupiąca.
Ik voeg peper toe.
Lernen beginnen
Dodaję pieprz.
De maaltijd is klaar.
Lernen beginnen
Posiłek jest gotowy.
De winkelwagen is vol.
Lernen beginnen
Wózek sklepowy jest pełny.
De verpakking is nieuw.
Lernen beginnen
Opakowanie jest nowe.
Het etiket is duidelijk.
Lernen beginnen
Etykieta jest wyraźna.
De plattegrond helpt mij.
Lernen beginnen
Plan miasta mi pomaga.
Ik wacht bij de halte.
Lernen beginnen
Czekam na przystanku.
De rit duurt tien minuten.
Lernen beginnen
Przejazd trwa dziesięć minut.
De hoek is scherp.
Lernen beginnen
Róg jest ostry.
Het centrum is dichtbij.
Lernen beginnen
Centrum jest blisko.
Een minuut gaat snel voorbij.
Lernen beginnen
Minuta szybko mija.
Wacht een moment.
Lernen beginnen
Poczekaj chwilę.
Ik voel de kou.
Lernen beginnen
Czuję zimno.
De student schrijft mee.
Lernen beginnen
Uczeń/student zapisuje.
Het lokaal is groot.
Lernen beginnen
Sala lekcyjna jest duża.
Ik krijg een kans.
Lernen beginnen
Dostaję szansę.
Ik maak een keuze.
Lernen beginnen
Dokonuję wyboru.
Ik gebruik zeep.
Lernen beginnen
Używam mydła.
Ik pak een borstel.
Lernen beginnen
Biorę szczotkę.
Ik kam mijn haar.
Lernen beginnen
Czeszę włosy.
De regen valt hard.
Lernen beginnen
Deszcz mocno pada.
Het blad is geel.
Lernen beginnen
Liść jest żółty.
De steen is zwaar.
Lernen beginnen
Kamień jest ciężki.

Sie müssen eingeloggt sein, um einen Kommentar zu schreiben.