sl 21

 0    50 Datenblatt    ganajerski
mp3 downloaden Drucken spielen überprüfen
 
Frage Antworten
Ik woon in Rotterdam.
Lernen beginnen
Mieszkam w Rotterdamie.
Jij hebt een mooie fiets.
Lernen beginnen
Masz ładny rower.
Wij gaan morgen naar het park.
Lernen beginnen
Jutro idziemy do parku.
Ik drink graag koffie.
Lernen beginnen
Lubię pić kawę.
Het is vandaag koud.
Lernen beginnen
Dziś jest zimno.
Ik werk in een kantoor.
Lernen beginnen
Pracuję w biurze.
Zij leest een boek.
Lernen beginnen
Ona czyta książkę.
Wij eten brood met kaas.
Lernen beginnen
Jemy chleb z serem.
Ik neem de bus naar school.
Lernen beginnen
Jadę autobusem do szkoły.
Hij spreekt een beetje Nederlands.
Lernen beginnen
On mówi trochę po niderlandzku.
Ik heb twee katten.
Lernen beginnen
Mam dwa koty.
De winkel is open.
Lernen beginnen
Sklep jest otwarty.
Ik zoek mijn jas.
Lernen beginnen
Szukam swojej kurtki.
Wij wonen dichtbij het centrum.
Lernen beginnen
Mieszkamy blisko centrum.
Ik luister naar muziek.
Lernen beginnen
Słucham muzyki.
Zij werkt in een restaurant.
Lernen beginnen
Ona pracuje w restauracji.
Ik wil graag water.
Lernen beginnen
Chciałbym wodę.
De trein komt om acht uur.
Lernen beginnen
Pociąg przyjeżdża o ósmej.
Ik maak het huis schoon.
Lernen beginnen
Sprzątam dom.
Wij fietsen naar het strand.
Lernen beginnen
Jedziemy rowerem na plażę.
Ik heb vandaag geen tijd.
Lernen beginnen
Nie mam dziś czasu.
Hij koopt een nieuwe jas.
Lernen beginnen
On kupuje nową kurtkę.
Ik slaap acht uur per nacht.
Lernen beginnen
Śpię osiem godzin każdej nocy.
Wij kijken een film.
Lernen beginnen
Oglądamy film.
Ik leer Nederlands elke dag.
Lernen beginnen
Uczę się niderlandzkiego codziennie.
Zij woont alleen.
Lernen beginnen
Ona mieszka sama.
Ik schrijf een korte e-mail.
Lernen beginnen
Piszę krótkiego maila.
De kinderen spelen buiten.
Lernen beginnen
Dzieci bawią się na zewnątrz.
Ik neem een douche.
Lernen beginnen
Biorę prysznic.
Wij koken samen.
Lernen beginnen
Gotujemy razem.
Ik heb honger.
Lernen beginnen
Jestem głodny.
Het regent veel in Nederland.
Lernen beginnen
W Holandii dużo pada.
Ik ga vroeg naar bed.
Lernen beginnen
Idę wcześnie spać.
Zij draagt een rode jas.
Lernen beginnen
Ona nosi czerwoną kurtkę.
Ik betaal met pin.
Lernen beginnen
Płacę kartą.
Wij wachten op de tram.
Lernen beginnen
Czekamy na tramwaj.
Ik open het raam.
Lernen beginnen
Otwieram okno.
Hij woont op de derde verdieping.
Lernen beginnen
On mieszka na trzecim piętrze.
Ik koop fruit op de markt.
Lernen beginnen
Kupuję owoce na targu.
Wij hebben een afspraak om tien uur.
Lernen beginnen
Mamy spotkanie o dziesiątej.
Ik draag vandaag een blauwe trui.
Lernen beginnen
Mam dziś na sobie niebieski sweter.
Zij drinkt thee zonder suiker.
Lernen beginnen
Ona pije herbatę bez cukru.
Ik loop naar mijn werk.
Lernen beginnen
Idę pieszo do pracy.
De auto staat voor het huis.
Lernen beginnen
Samochód stoi przed domem.
Ik begrijp het niet.
Lernen beginnen
Nie rozumiem tego.
Wij blijven thuis dit weekend.
Lernen beginnen
Zostajemy w domu w ten weekend.
Ik eet graag appel.
Lernen beginnen
Lubię jeść jabłko.
Hij kijkt uit het raam.
Lernen beginnen
On patrzy przez okno.
Ik schrijf mijn naam.
Lernen beginnen
Piszę swoje imię.
Wij gaan samen boodschappen doen.
Lernen beginnen
Idziemy razem na zakupy.

Sie müssen eingeloggt sein, um einen Kommentar zu schreiben.