sl 24

 0    100 Datenblatt    ganajerski
mp3 downloaden Drucken spielen überprüfen
 
Frage Antworten
Ik doe mijn jas uit.
Lernen beginnen
Zdejmuję kurtkę.
Zij zet haar tas op de tafel.
Lernen beginnen
Ona kładzie torbę na stole.
Ik neem een kop warme thee.
Lernen beginnen
Biorę kubek ciepłej herbaty.
Wij lopen samen naar school.
Lernen beginnen
Idziemy razem do szkoły.
Hij maakt het raam open.
Lernen beginnen
On otwiera okno.
Ik koop een broodje kaas.
Lernen beginnen
Kupuję kanapkę z serem.
Zij leest een boek in bed.
Lernen beginnen
Ona czyta książkę w łóżku.
Ik ga naar de winkel om brood te kopen.
Lernen beginnen
Idę do sklepu kupić chleb.
Wij zitten buiten in de zon.
Lernen beginnen
Siedzimy na zewnątrz w słońcu.
Ik heb een nieuwe trui gekocht.
Lernen beginnen
Kupiłem nowy sweter.
Hij eet een banaan.
Lernen beginnen
On je banana.
Ik schrijf een bericht op mijn telefoon.
Lernen beginnen
Piszę wiadomość na telefonie.
Wij wachten op onze vrienden.
Lernen beginnen
Czekamy na naszych przyjaciół.
Ik zie een kat op het dak.
Lernen beginnen
Widzę kota na dachu.
Zij draagt een warme muts.
Lernen beginnen
Ona nosi ciepłą czapkę.
Ik neem mijn lunch mee naar werk.
Lernen beginnen
Zabieram lunch do pracy.
Wij gaan naar de supermarkt.
Lernen beginnen
Idziemy do supermarketu.
Ik koop een zak aardappelen.
Lernen beginnen
Kupuję worek ziemniaków.
Hij kijkt naar een film.
Lernen beginnen
On ogląda film.
Ik maak mijn kamer schoon.
Lernen beginnen
Sprzątam swój pokój.
Wij drinken warme chocolademelk.
Lernen beginnen
Pijemy gorącą czekoladę.
Ik open de deur voor mijn buurman.
Lernen beginnen
Otwieram drzwi sąsiadowi.
Zij werkt in een café.
Lernen beginnen
Ona pracuje w kawiarni.
Ik neem de bus naar mijn werk.
Lernen beginnen
Jadę autobusem do pracy.
Wij eten samen pannenkoeken.
Lernen beginnen
Jemy razem naleśniki.
Ik heb een afspraak bij de kapper.
Lernen beginnen
Mam wizytę u fryzjera.
Hij zoekt zijn telefoon.
Lernen beginnen
On szuka swojego telefonu.
Ik zet mijn laptop aan.
Lernen beginnen
Włączam laptopa.
Wij praten over onze plannen.
Lernen beginnen
Rozmawiamy o naszych planach.
Ik neem een warme jas mee naar buiten.
Lernen beginnen
Zabieram ciepłą kurtkę na zewnątrz.
Zij eet een stuk kaas.
Lernen beginnen
Ona je kawałek sera.
Ik loop naar de bakker.
Lernen beginnen
Idę do piekarni.
Wij blijven nog even thuis.
Lernen beginnen
Zostajemy jeszcze chwilę w domu.
Ik heb een nieuwe agenda.
Lernen beginnen
Mam nowy kalendarz.
Hij maakt een kop thee.
Lernen beginnen
On robi filiżankę herbaty.
Ik schrijf mijn adres op.
Lernen beginnen
Zapisuję swój adres.
Wij gaan naar de bioscoop.
Lernen beginnen
Idziemy do kina.
Ik neem een fles water uit de koelkast.
Lernen beginnen
Biorę butelkę wody z lodówki.
Zij kijkt naar de sterren.
Lernen beginnen
Ona patrzy na gwiazdy.
Ik zet de radio aan.
Lernen beginnen
Włączam radio.
Wij eten kip met rijst.
Lernen beginnen
Jemy kurczaka z ryżem.
Ik heb een idee.
Lernen beginnen
Mam pomysł.
Hij loopt naar de bushalte.
Lernen beginnen
On idzie na przystanek autobusowy.
Ik koop een pak koffie.
Lernen beginnen
Kupuję paczkę kawy.
Wij drinken thee in de avond.
Lernen beginnen
Pijemy herbatę wieczorem.
Ik open mijn tas.
Lernen beginnen
Otwieram swoją torbę.
Zij draagt een zwarte jas.
Lernen beginnen
Ona nosi czarną kurtkę.
Ik neem de trap naar beneden.
Lernen beginnen
Schodzę po schodach.
Wij eten samen ontbijt.
Lernen beginnen
Jemy razem śniadanie.
Ik zie een vogel in de boom.
Lernen beginnen
Widzę ptaka na drzewie.
Hij maakt een salade.
Lernen beginnen
On robi sałatkę.
Ik schrijf een korte tekst.
Lernen beginnen
Piszę krótki tekst.
Wij gaan naar het strand.
Lernen beginnen
Idziemy na plażę.
Ik neem mijn sleutels uit mijn zak.
Lernen beginnen
Wyjmuję klucze z kieszeni.
Zij eet een mandarijn.
Lernen beginnen
Ona je mandarynkę.
Ik loop door de winkel.
Lernen beginnen
Idę przez sklep.
Wij praten met de kassamedewerker.
Lernen beginnen
Rozmawiamy z kasjerem.
Ik koop een fles mineraalwater.
Lernen beginnen
Kupuję butelkę wody mineralnej.
Hij kijkt naar zijn telefoon.
Lernen beginnen
On patrzy na swój telefon.
Ik zet mijn schoenen uit.
Lernen beginnen
Zdejmuję buty.
Wij eten soep met groenten.
Lernen beginnen
Jemy zupę z warzywami.
Ik heb een grote tas.
Lernen beginnen
Mam dużą torbę.
Zij werkt in een kantoor.
Lernen beginnen
Ona pracuje w biurze.
Ik neem een warme douche na het werk.
Lernen beginnen
Biorę ciepły prysznic po pracy.
Wij gaan naar de tramhalte.
Lernen beginnen
Idziemy na przystanek tramwajowy.
Ik koop een nieuwe jas.
Lernen beginnen
Kupuję nową kurtkę.
Hij leest een tijdschrift.
Lernen beginnen
On czyta czasopismo.
Ik schrijf een brief.
Lernen beginnen
Piszę list.
Wij drinken koffie met melk.
Lernen beginnen
Pijemy kawę z mlekiem.
Ik open de kast.
Lernen beginnen
Otwieram szafę.
Zij draagt een groene trui.
Lernen beginnen
Ona nosi zielony sweter.
Ik neem mijn portemonnee mee.
Lernen beginnen
Zabieram portfel.
Wij eten vis met salade.
Lernen beginnen
Jemy rybę z sałatką.
Ik loop naar de woonkamer.
Lernen beginnen
Idę do salonu.
Hij maakt de tafel klaar.
Lernen beginnen
On nakrywa stół.
Ik schrijf een boodschappenlijst.
Lernen beginnen
Piszę listę zakupów.
Wij gaan naar het museum.
Lernen beginnen
Idziemy do muzeum.
Ik koop een pak rijst.
Lernen beginnen
Kupuję paczkę ryżu.
Zij kijkt naar de bloemen in de tuin.
Lernen beginnen
Ona patrzy na kwiaty w ogrodzie.
Ik zet mijn muts op.
Lernen beginnen
Zakładam czapkę.
Wij eten yoghurt met muesli.
Lernen beginnen
Jemy jogurt z musli.
Ik heb een nieuwe rugzak gekocht.
Lernen beginnen
Kupiłem nowy plecak.
Hij loopt naar de slaapkamer.
Lernen beginnen
On idzie do sypialni.
Ik neem een kop warme soep.
Lernen beginnen
Biorę kubek ciepłej zupy.
Wij praten over onze dag.
Lernen beginnen
Rozmawiamy o naszym dniu.
Ik open de deur voor mijn vriendin.
Lernen beginnen
Otwieram drzwi mojej dziewczynie.
Zij eet een stukje chocolade.
Lernen beginnen
Ona je kawałek czekolady.
Ik loop naar de tram.
Lernen beginnen
Idę do tramwaju.
Wij drinken water tijdens het wandelen.
Lernen beginnen
Pijemy wodę podczas spaceru.
Ik koop een nieuwe broek.
Lernen beginnen
Kupuję nowe spodnie.
Hij kijkt naar de wolken.
Lernen beginnen
On patrzy na chmury.
Ik schrijf mijn e-mailadres op.
Lernen beginnen
Zapisuję swój adres e-mail.
Wij gaan naar een restaurant.
Lernen beginnen
Idziemy do restauracji.
Ik neem een warme sjaal mee.
Lernen beginnen
Zabieram ciepły szalik.
Zij draagt een rode jas.
Lernen beginnen
Ona nosi czerwoną kurtkę.
Ik eet een boterham met pindakaas.
Lernen beginnen
Jem kanapkę z masłem orzechowym.
Wij lopen door het centrum.
Lernen beginnen
Idziemy przez centrum.
Ik koop een fles water voor later.
Lernen beginnen
Kupuję butelkę wody na później.
Hij maakt een kop thee voor ons.
Lernen beginnen
On robi dla nas herbatę.
Ik sluit de deur zachtjes.
Lernen beginnen
Zamykam drzwi delikatnie.

Sie müssen eingeloggt sein, um einen Kommentar zu schreiben.