sl 3

 0    50 Datenblatt    ganajerski
mp3 downloaden Drucken spielen überprüfen
 
Frage Antworten
Ik ga naar de dokter.
Lernen beginnen
Idę do lekarza.
Ik voel me niet goed.
Lernen beginnen
Nie czuję się dobrze.
Ik neem medicijnen.
Lernen beginnen
Biorę lekarstwa.
Ik blijf in bed.
Lernen beginnen
Zostaję w łóżku.
Ik maak het huis schoon.
Lernen beginnen
Sprzątam dom.
Ik was mijn kleren.
Lernen beginnen
Piorę ubrania.
Ik hang de was op.
Lernen beginnen
Wieszam pranie.
Ik strijk mijn kleren.
Lernen beginnen
Prasuję ubrania.
Ik maak de tafel klaar.
Lernen beginnen
Nakrywam do stołu.
Ik dek de tafel.
Lernen beginnen
Nakrywam stół.
Ik ruim de tafel af.
Lernen beginnen
Sprzątam ze stołu.
Ik doe de afwas.
Lernen beginnen
Zmywam naczynia.
Ik droog de borden af.
Lernen beginnen
Wycieram talerze.
Ik zet de vuilnis buiten.
Lernen beginnen
Wynoszę śmieci.
Ik open mijn laptop.
Lernen beginnen
Otwieram laptopa.
Ik zoek informatie.
Lernen beginnen
Szukam informacji.
Ik vul een formulier in.
Lernen beginnen
Wypełniam formularz.
Ik betaal de rekening.
Lernen beginnen
Płacę rachunek.
Ik neem een kop koffie.
Lernen beginnen
Biorę filiżankę kawy.
Ik eet een broodje.
Lernen beginnen
Jem kanapkę.
Ik ga wandelen.
Lernen beginnen
Idę na spacer.
Ik fiets naar school.
Lernen beginnen
Jadę rowerem do szkoły.
Ik leer Nederlands.
Lernen beginnen
Uczę się niderlandzkiego.
Ik oefen elke dag.
Lernen beginnen
Ćwiczę codziennie.
Ik maak een foto.
Lernen beginnen
Robię zdjęcie.
Ik bel mijn vriend.
Lernen beginnen
Dzwonię do przyjaciela.
Ik stuur een bericht.
Lernen beginnen
Wysyłam wiadomość.
Ik krijg een bericht.
Lernen beginnen
Dostaję wiadomość.
Ik ben bezig.
Lernen beginnen
Jestem zajęty/zajęta.
Ik heb pauze.
Lernen beginnen
Mam przerwę.
Ik ga verder.
Lernen beginnen
Kontynuuję.
Ik begrijp het wel.
Lernen beginnen
Rozumiem to.
Ik hoor het later.
Lernen beginnen
Usłyszę to później.
Ik zie je morgen.
Lernen beginnen
Do zobaczenia jutro.
Ik kom naar je toe.
Lernen beginnen
Przyjdę do ciebie.
Ik blijf nog even.
Lernen beginnen
Zostanę jeszcze chwilę.
Ik moet weg.
Lernen beginnen
Muszę iść.
Ik ben bijna klaar.
Lernen beginnen
Prawie skończyłem/skończyłam.
Ik ben klaar.
Lernen beginnen
Jestem gotowy/gotowa.
Ik heb geluk.
Lernen beginnen
Mam szczęście.
Ik heb pech.
Lernen beginnen
Mam pecha.
Ik vind het leuk.
Lernen beginnen
Podoba mi się to.
Ik vind het niet leuk.
Lernen beginnen
Nie podoba mi się to.
Ik probeer het.
Lernen beginnen
Próbuję.
Ik vergeet het.
Lernen beginnen
Zapominam o tym.
Ik herinner het me.
Lernen beginnen
Pamiętam to.
Ik zoek mijn sleutel.
Lernen beginnen
Szukam mojego klucza.
Ik heb mijn sleutel gevonden.
Lernen beginnen
Znalazłem/znalazłam mój klucz.
Ik ben onderweg.
Lernen beginnen
Jestem w drodze.
Ik ben aangekomen.
Lernen beginnen
Dotarłem/dotarłam.

Sie müssen eingeloggt sein, um einen Kommentar zu schreiben.