12 - Transport oraz pytania o drogę

 0    80 Datenblatt    bartoszkowalewski90
mp3 downloaden Drucken spielen überprüfen
 
Frage Antworten
Weet u waar het station ___?
Czy wie pan, gdzie znajduje się dworzec?
Lernen beginnen
Weet u waar het station ligt?
Ja, twee straten verderop. | Sorry, ik ben hier niet bekend.
ligt
Is dit de weg naar het ___?
Czy tędy do centrum?
Lernen beginnen
Is dit de weg naar het centrum?
Ja, als u rechtdoor loopt. | Nee, u moet de andere kant op.
centrum
Hoe kom ik bij het ___?
Jak dojdę do dworca?
Lernen beginnen
Hoe kom ik bij het station?
Ga bij het stoplicht linksaf. | Loop rechtdoor tot aan de rotonde.
station
Moet ik hier ___?
Czy muszę tutaj skręcić?
Lernen beginnen
Moet ik hier afslaan?
Ja, hier rechtsaf. | Nee, bij de volgende straat.
afslaan
Is het ver ___?
Czy to daleko pieszo?
Lernen beginnen
Is het ver lopen?
Nee, ongeveer vijf minuten. | Ja, je kunt beter de bus nemen.
lopen
Kan ik daar te voet ___?
Czy mogę tam dojść pieszo?
Lernen beginnen
Kan ik daar te voet komen?
Ja, het is vlakbij. | Nee, dat is behoorlijk ver lopen.
komen
Ben ik op de goede ___?
Czy idę właściwą drogą?
Lernen beginnen
Ben ik op de goede weg?
Ja, blijf rechtdoor lopen. | Nee, je bent al te ver gelopen.
weg
Ligt de bushalte om de ___?
Czy przystanek jest za rogiem?
Lernen beginnen
Ligt de bushalte om de hoek?
Ja, naast de supermarkt. | Nee, aan de andere kant van het plein.
hoek
Waar kan ik veilig ___?
Gdzie mogę bezpiecznie przejść przez ulicę?
Lernen beginnen
Waar kan ik veilig oversteken?
Bij het zebrapad verderop. | Aan de overkant van het kruispunt.
oversteken
Is er hier een ___?
Czy jest tutaj przejście dla pieszych?
Lernen beginnen
Is er hier een zebrapad?
Ja, iets verderop. | Nee, volgens mij niet.
zebrapad
Waar is de ___ van het station?
Gdzie jest wejście na dworzec?
Lernen beginnen
Waar is de ingang van het station?
Aan de voorkant van het gebouw. | Naast de fietsenstalling.
ingang
Waar is de ___?
Gdzie jest wyjście?
Lernen beginnen
Waar is de uitgang?
Aan het einde van de gang. | Neem de trap naar beneden.
uitgang
Heb ik de ___ straat genomen?
Czy skręciłem w złą ulicę?
Lernen beginnen
Heb ik de verkeerde straat genomen?
Ja, je moet één straat terug. | Nee hoor, je loopt goed.
verkeerde
Kunt u dat nog eens ___?
Czy może mi pan wyjaśnić to jeszcze raz?
Lernen beginnen
Kunt u dat nog eens uitleggen?
Natuurlijk, u moet hier linksaf. | Ja hoor, volg de borden naar het centrum.
uitleggen
Kan ik hier ___?
Czy mogę tutaj przejść na drugą stronę?
Lernen beginnen
Kan ik hier oversteken?
Ja, bij de verkeerslichten. | Nee, hier is het te gevaarlijk.
oversteken
Van welk ___ vertrekt de trein?
Z którego toru odjeżdża pociąg?
Lernen beginnen
Van welk spoor vertrekt de trein?
Van spoor vier. | Dat staat op het vertrekbord.
spoor
Is dit de trein ___ Utrecht?
Czy to pociąg do Utrechtu?
Lernen beginnen
Is dit de trein naar Utrecht?
Ja, dat klopt. | Nee, die vertrekt van het andere perron.
naar
Rijdt deze trein ___?
Czy ten pociąg jedzie bezpośrednio?
Lernen beginnen
Rijdt deze trein rechtstreeks?
Ja, je hoeft niet over te stappen. | Nee, je moet één keer overstappen.
rechtstreeks
Hoe laat ___ de trein?
O której odjeżdża pociąg?
Lernen beginnen
Hoe laat vertrekt de trein?
Over tien minuten. | Hij vertrekt later door een storing.
vertrekt
Hoe laat ___ de trein aan?
O której przyjeżdża pociąg?
Lernen beginnen
Hoe laat komt de trein aan?
Om kwart over drie. | Volgens het bord over vijf minuten.
komt
Moet ik onderweg ___?
Czy muszę się po drodze przesiąść?
Lernen beginnen
Moet ik onderweg overstappen?
Ja, één keer. | Nee, je kunt blijven zitten.
overstappen
Waar moet ik ___?
Gdzie muszę się przesiąść?
Lernen beginnen
Waar moet ik overstappen?
Op het volgende station. | Bij het eindpunt van deze lijn.
overstappen
Is de trein al ___?
Czy pociąg już odjechał?
Lernen beginnen
Is de trein al vertrokken?
Ja, net een minuut geleden. | Nee, hij staat er nog.
vertrokken
Heeft de trein ___?
Czy pociąg ma opóźnienie?
Lernen beginnen
Heeft de trein vertraging?
Ja, ongeveer een kwartier. | Nee hoor, hij rijdt op tijd.
vertraging
Is er een andere ___?
Czy jest inne połączenie?
Lernen beginnen
Is er een andere verbinding?
Ja, via een ander station. | Nee, op dit moment helaas niet.
verbinding
Is de volgende trein ___?
Czy następny pociąg został odwołany?
Lernen beginnen
Is de volgende trein uitgevallen?
Ja, er rijden vervangende bussen. | Nee, hij heeft alleen vertraging.
uitgevallen
Gaat deze trein nog ___?
Czy ten pociąg jedzie dalej?
Lernen beginnen
Gaat deze trein nog verder?
Ja, tot het eindstation. | Nee, iedereen moet hier uitstappen.
verder
Op welk spoor komt de trein ___?
Na który tor wjeżdża pociąg?
Lernen beginnen
Op welk spoor komt de trein aan?
Op spoor twee. | Dat is nog niet bekend.
aan
Kunt u zien welke trein ik moet ___?
Czy może pan sprawdzić, który pociąg mam wziąć?
Lernen beginnen
Kunt u zien welke trein ik moet nemen?
Ja, de intercity van tien over twee. | Vraag het even bij de informatiebalie.
nemen
Moet ik op dit perron ___?
Czy mam zostać na tym peronie?
Lernen beginnen
Moet ik op dit perron blijven?
Ja, de trein komt hier. | Nee, je moet naar de overkant.
blijven
Kan ik nog ___?
Czy mogę jeszcze wsiąść?
Lernen beginnen
Kan ik nog instappen?
Ja, de deuren zijn nog open. | Nee, de trein vertrekt al.
instappen
Moet ik hier ___?
Czy powinienem tutaj wysiąść?
Lernen beginnen
Moet ik hier uitstappen?
Ja, dit is jouw halte. | Nee, nog één halte verder.
uitstappen
Waar kan ik een ___ kopen?
Gdzie mogę kupić bilet?
Lernen beginnen
Waar kan ik een kaartje kopen?
Bij de automaat. | Dat kan ook in de app.
kaartje
Wilt u een enkele reis of een ___?
Czy chce pan bilet w jedną stronę czy powrotny?
Lernen beginnen
Wilt u een enkele reis of een retour?
Een enkele reis, graag. | Een retourtje, alstublieft.
retour
Heeft u al ___?
Czy już się pan odprawił (odbił kartę)?
Lernen beginnen
Heeft u al ingecheckt?
Ja, bij het poortje. | Nee, dat ben ik vergeten.
ingecheckt
Moet ik hier nog ___?
Czy muszę się tutaj jeszcze wyrejestrować (odbić kartę)?
Lernen beginnen
Moet ik hier nog uitchecken?
Ja, bij die paal daar. | Nee, je bent al uitgecheckt.
uitchecken
Kunt u uw kaartje even laten ___?
Czy może pan pokazać bilet?
Lernen beginnen
Kunt u uw kaartje even laten zien?
Natuurlijk, hier is het. | Momentje, ik kan het niet vinden.
zien
Werkt mijn ___ hier?
Czy moja karta OV-chipkaart tutaj działa?
Lernen beginnen
Werkt mijn OV-chipkaart hier?
Ja, die kunt u gebruiken. | Nee, u hebt een ander ticket nodig.
OV-chipkaart
Is dit kaartje nog ___?
Czy ten bilet jest jeszcze ważny?
Lernen beginnen
Is dit kaartje nog geldig?
Ja, tot vanavond. | Nee, het is verlopen.
geldig
Wat kost een ___?
Ile kosztuje bilet tam i z powrotem?
Lernen beginnen
Wat kost een retourtje?
Dat hangt af van de afstand. | Ik kan de prijs even opzoeken.
retourtje
Kan ik mijn kaartje ___?
Czy mogę zmienić termin biletu?
Lernen beginnen
Kan ik mijn kaartje omboeken?
Ja, via de website. | Nee, dit kaartje kunt u niet wijzigen.
omboeken
Heeft u een ___?
Czy ma pan abonament?
Lernen beginnen
Heeft u een abonnement?
Ja, een maandabonnement. | Nee, ik koop losse kaartjes.
abonnement
Is deze stoel ___?
Czy to miejsce jest zarezerwowane?
Lernen beginnen
Is deze stoel gereserveerd?
Ja, vanaf het volgende station. | Nee hoor, ga gerust zitten.
gereserveerd
Mag ik hier ___?
Czy mogę tutaj usiąść?
Lernen beginnen
Mag ik hier zitten?
Ja hoor, deze plek is vrij. | Sorry, hier zit al iemand.
zitten
Is hier nog ___?
Czy jest tu jeszcze miejsce?
Lernen beginnen
Is hier nog plek?
Ja, kom maar zitten. | Nee, het is helemaal vol.
plek
Kunt u uw tas even ___?
Czy może pan przestawić torbę?
Lernen beginnen
Kunt u uw tas even verplaatsen?
Ja hoor, geen probleem. | Sorry, ik heb nergens anders ruimte.
verplaatsen
Kan ik mijn koffer hier ___?
Czy mogę tutaj postawić walizkę?
Lernen beginnen
Kan ik mijn koffer hier neerzetten?
Ja, zolang het gangpad vrij blijft. | Nee, daarvoor is verderop een rek.
neerzetten
Wilt u bij het raam ___?
Czy chce pan siedzieć przy oknie?
Lernen beginnen
Wilt u bij het raam zitten?
Ja graag, als dat kan. | Nee, liever aan het gangpad.
zitten
Van welke ___ vertrekt de bus?
Z którego przystanku odjeżdża autobus?
Lernen beginnen
Van welke halte vertrekt de bus?
Van halte C. | Aan de overkant van het plein.
halte
Gaat deze bus naar het ___?
Czy ten autobus jedzie do centrum?
Lernen beginnen
Gaat deze bus naar het centrum?
Ja, je bent er zo. | Nee, je moet een andere lijn nemen.
centrum
Moet ik op de ___ drukken?
Czy muszę nacisnąć przycisk?
Lernen beginnen
Moet ik op de knop drukken?
Ja, voor de volgende halte. | Nee, dit is het eindpunt.
knop
Is dit de laatste ___?
Czy to ostatni przystanek?
Lernen beginnen
Is dit de laatste halte?
Ja, iedereen moet uitstappen. | Nee, er komen nog twee haltes.
halte
Hoeveel haltes zijn het ___?
Ile jeszcze przystanków?
Lernen beginnen
Hoeveel haltes zijn het nog?
Nog drie haltes. | Volgens mij nog twee.
nog
Stopt de bus bij het ___?
Czy autobus zatrzymuje się przy szpitalu?
Lernen beginnen
Stopt de bus bij het ziekenhuis?
Ja, vlak bij de hoofdingang. | Nee, je moet nog een stukje lopen.
ziekenhuis
Rijdt deze tram ook 's ___?
Czy ten tramwaj kursuje też wieczorem?
Lernen beginnen
Rijdt deze tram ook 's avonds?
Ja, tot vrij laat. | Nee, alleen overdag.
avonds
Mag ik hier ___?
Czy mogę tutaj wsiąść?
Lernen beginnen
Mag ik hier instappen?
Ja, stap maar in. | Nee, gebruik de voorste deur.
instappen
Waar moet ik ___?
Gdzie mam wysiąść?
Lernen beginnen
Waar moet ik uitstappen?
Bij de derde halte. | Bij het museum.
uitstappen
Kan ik nog ___?
Czy mogę się jeszcze zabrać?
Lernen beginnen
Kan ik nog mee?
Ja, stap maar in. | Nee, de bus zit helaas vol.
mee
Is dit de bus richting het ___?
Czy to autobus w kierunku ratusza?
Lernen beginnen
Is dit de bus richting het stadhuis?
Ja, die stopt daar. | Nee, die moet je aan de overkant hebben.
stadhuis
Is er vandaag een ___?
Czy dzisiaj jest objazd?
Lernen beginnen
Is er vandaag een omleiding?
Ja, de bus rijdt een andere route. | Nee, alles rijdt volgens de normale route.
omleiding
Hoe lang duurt het ___?
Jak długo to mniej więcej potrwa?
Lernen beginnen
Hoe lang duurt het ongeveer?
Een minuut of twintig. | Door de drukte misschien wat langer.
ongeveer
Komt er nog een ___?
Czy przyjedzie jeszcze autobus?
Lernen beginnen
Komt er nog een bus?
Ja, over tien minuten. | Nee, de laatste is al geweest.
bus
Mag mijn fiets ___?
Czy mogę zabrać rower ze sobą?
Lernen beginnen
Mag mijn fiets mee?
Ja, als er ruimte is. | Nee, fietsen zijn hier niet toegestaan.
mee
Waar kan ik mijn fiets ___?
Gdzie mogę zostawić/zaparkować rower?
Lernen beginnen
Waar kan ik mijn fiets stallen?
Bij de fietsenstalling. | Daar verderop staan fietsenrekken.
stallen
Waarom ___ de trein stil?
Dlaczego pociąg stoi?
Lernen beginnen
Waarom staat de trein stil?
Er is een technische storing. | We wachten op een vrij spoor.
staat
Hoe lang gaat de ___ duren?
Jak długo potrwa opóźnienie?
Lernen beginnen
Hoe lang gaat de vertraging duren?
Dat is nog niet bekend. | Waarschijnlijk ongeveer een kwartier.
vertraging
Is er vervangend ___?
Czy jest transport zastępczy?
Lernen beginnen
Is er vervangend vervoer?
Ja, er rijden bussen. | Nee, op dit moment niet.
vervoer
Waar vertrekt de ___?
Skąd odjeżdża autobus zastępczy?
Lernen beginnen
Waar vertrekt de pendelbus?
Voor het station. | Bij de tijdelijke halte aan de overkant.
pendelbus
Weet u wat er aan de ___ is?
Czy wie pan, co się stało?
Lernen beginnen
Weet u wat er aan de hand is?
Er is een technische storing. | Nee, er is nog niets bekend.
hand
Wanneer rijden de treinen weer ___?
Kiedy pociągi znów będą kursować normalnie?
Lernen beginnen
Wanneer rijden de treinen weer normaal?
Vanaf vier uur, zeggen ze. | Dat weten we nog niet.
normaal
Heeft u een andere ___?
Czy ma pan inną trasę?
Lernen beginnen
Heeft u een andere route?
Ja, via het centrum. | Nee, helaas niet.
route
Kan ik nog op tijd ___?
Czy zdążę jeszcze na czas?
Lernen beginnen
Kan ik nog op tijd komen?
Ja, als je nu vertrekt. | Nee, met deze vertraging wordt dat lastig.
komen
Ik heb mijn tas laten ___.
Zostawiłem gdzieś swoją torbę.
Lernen beginnen
Ik heb mijn tas laten liggen.
Waar hebt u hem voor het laatst gezien? | Vraag het even bij de afdeling gevonden voorwerpen.
liggen
Waar kan ik terecht voor gevonden ___?
Gdzie mogę zapytać o rzeczy znalezione?
Lernen beginnen
Waar kan ik terecht voor gevonden voorwerpen?
Bij de servicebalie. | Dat kan via de website.
voorwerpen
Heeft iemand mijn telefoon ___?
Czy ktoś znalazł mój telefon?
Lernen beginnen
Heeft iemand mijn telefoon gevonden?
Ja, die ligt bij de balie. | Nee, we hebben niets ontvangen.
gevonden
Kan iemand me even ___?
Czy ktoś może mi na chwilę pomóc?
Lernen beginnen
Kan iemand me even helpen?
Ja, wat is er aan de hand? | Sorry, ik heb nu haast.
helpen
Kunt u me bij het station ___?
Czy może pan wysadzić mnie przy dworcu?
Lernen beginnen
Kunt u me bij het station afzetten?
Natuurlijk, geen probleem. | Daar mag ik niet stoppen, maar iets verderop wel.
afzetten
Hoe lang is het nog ___?
Ile jeszcze potrwa jazda?
Lernen beginnen
Hoe lang is het nog rijden?
Nog ongeveer tien minuten. | Door de file duurt het wat langer.
rijden
Kunt u een ___ geven?
Czy może pan wystawić paragon?
Lernen beginnen
Kunt u een bonnetje geven?
Natuurlijk, alstublieft. | Sorry, de printer doet het niet.
bonnetje
Kan ik met mijn ___ betalen?
Czy mogę zapłacić kartą?
Lernen beginnen
Kan ik met mijn pinpas betalen?
Ja hoor, dat kan. | Nee, helaas alleen contant.
pinpas

Sie müssen eingeloggt sein, um einen Kommentar zu schreiben.