5 — Lekarz i apteka

 0    80 Datenblatt    bartoszkowalewski90
mp3 downloaden Drucken spielen überprüfen
 
Frage Antworten
Ik wil graag een ___ maken bij de huisarts.
Chciałbym umówić wizytę u lekarza rodzinnego.
Lernen beginnen
Ik wil graag een afspraak maken bij de huisarts.
Natuurlijk, waar heeft u last van? | U bent hier nog niet ingeschreven. Ik kijk even wat mogelijk is.
afspraak
Kan ik vandaag nog bij de huisarts ___?
Czy mogę jeszcze dziś dostać się do lekarza rodzinnego?
Lernen beginnen
Kan ik vandaag nog bij de huisarts terecht?
Ja, er is om drie uur nog een plek. | Er is geen plek meer. Wat zijn uw klachten? Dan overleg ik met de huisarts.
terecht
Bent u bij deze praktijk ___?
Czy jest pan zapisany do tej przychodni?
Lernen beginnen
Bent u bij deze praktijk ingeschreven?
Ja, ik ben hier al een paar jaar patiënt. | Nee, ik ben net verhuisd en zoek een huisarts.
ingeschreven
Belt u voor ___ of voor iemand anders?
Dzwoni pan we własnej sprawie czy w sprawie kogoś innego?
Lernen beginnen
Belt u voor uzelf of voor iemand anders?
Ik bel voor mezelf. | Ik bel voor mijn partner.
uzelf
Wat is de ___ van uw bezoek?
Jaki jest powód pana wizyty?
Lernen beginnen
Wat is de reden van uw bezoek?
Ik heb al drie dagen buikpijn. | Ik kom voor een controle.
reden
Heeft u uw ___ bij u?
Czy ma pan przy sobie dokument tożsamości?
Lernen beginnen
Heeft u uw identiteitsbewijs bij u?
Ja, hier is mijn identiteitsbewijs. | Nee, dat heb ik thuis laten liggen.
identiteitsbewijs
Bent u hier al ___ geweest?
Czy był pan tu już wcześniej?
Lernen beginnen
Bent u hier al eerder geweest?
Ja, vorig jaar. | Nee, dit is mijn eerste bezoek.
eerder
Wilt u even in de ___ plaatsnemen?
Czy zechce pan usiąść w poczekalni?
Lernen beginnen
Wilt u even in de wachtkamer plaatsnemen?
Ja hoor, ik ga daar zitten. | Ik blijf liever even staan, zitten doet pijn.
wachtkamer
De huisarts loopt een beetje ___.
Lekarz ma niewielkie opóźnienie.
Lernen beginnen
De huisarts loopt een beetje uit.
Geen probleem, ik wacht wel. | Hoe lang duurt het ongeveer? Ik moet straks weg.
uit
Heeft u hulp nodig bij het ___ van dit formulier?
Czy potrzebuje pan pomocy przy wypełnianiu tego formularza?
Lernen beginnen
Heeft u hulp nodig bij het invullen van dit formulier?
Ja graag, ik begrijp niet alle vragen. | Nee bedankt, het lukt wel.
invullen
Waar heeft u ___ van?
Co panu dolega?
Lernen beginnen
Waar heeft u last van?
Ik heb pijn in mijn onderrug. | Ik ben al een paar dagen misselijk.
last
Sinds wanneer heeft u deze ___?
Od kiedy ma pan te dolegliwości?
Lernen beginnen
Sinds wanneer heeft u deze klachten?
Sinds gisteravond. | Al ongeveer drie weken.
klachten
Waar zit de pijn ___?
Gdzie dokładnie pana boli?
Lernen beginnen
Waar zit de pijn precies?
Rechts in mijn buik. | In mijn nek, vooral aan de linkerkant.
precies
Wat voor ___ pijn is het?
Jaki to rodzaj bólu?
Lernen beginnen
Wat voor soort pijn is het?
Het is een stekende pijn. | Het voelt meer als een zeurende pijn.
soort
Heeft u er de hele ___ last van?
Czy odczuwa pan te dolegliwości przez cały czas?
Lernen beginnen
Heeft u er de hele tijd last van?
Ja, het is er de hele dag. | Nee, het komt en gaat.
tijd
Wanneer wordt de pijn ___?
Kiedy ból się nasila?
Lernen beginnen
Wanneer wordt de pijn erger?
Vooral als ik beweeg. | Vooral 's nachts, als ik lig.
erger
Heeft u dit eerder ___?
Czy miał pan to już wcześniej?
Lernen beginnen
Heeft u dit eerder gehad?
Ja, een paar maanden geleden. | Nee, dit is de eerste keer.
gehad
Wordt het ___ of juist erger?
Czy jest lepiej, czy raczej gorzej?
Lernen beginnen
Wordt het beter of juist erger?
Het gaat langzaam beter. | Het wordt juist steeds erger.
beter
Hoe erg is de pijn op een ___ van nul tot tien?
Jak silny jest ból w skali od zera do dziesięciu?
Lernen beginnen
Hoe erg is de pijn op een schaal van nul tot tien?
Ongeveer een drie. | Het is nu een acht.
schaal
Heeft u ___?
Czy ma pan gorączkę?
Lernen beginnen
Heeft u koorts?
Ja, sinds gisteravond. | Nee, ik heb geen koorts.
koorts
Moet u veel ___?
Czy dużo pan kaszle?
Lernen beginnen
Moet u veel hoesten?
Ja, vooral 's nachts. | Nee, ik hoest niet.
hoesten
Heeft u ___?
Czy boli pana gardło?
Lernen beginnen
Heeft u keelpijn?
Ja, vooral bij het slikken. | Nee, mijn keel doet geen pijn.
keelpijn
Bent u ___?
Czy ma pan duszności?
Lernen beginnen
Bent u benauwd?
Ja, ik heb moeite met ademhalen. | Nee, ik kan gewoon ademhalen.
benauwd
Bent u ___?
Czy kręci się panu w głowie?
Lernen beginnen
Bent u duizelig?
Ja, vooral als ik opsta. | Nee, daar heb ik geen last van.
duizelig
Voelt u zich ___?
Czy jest panu niedobrze?
Lernen beginnen
Voelt u zich misselijk?
Ja, en ik heb ook overgegeven. | Nee, ik ben niet misselijk.
misselijk
Heeft u last van ___?
Czy ma pan biegunkę?
Lernen beginnen
Heeft u last van diarree?
Ja, sinds vanochtend. | Nee, ik heb geen diarree.
diarree
Doet het pijn bij het ___?
Czy odczuwa pan ból przy oddawaniu moczu?
Lernen beginnen
Doet het pijn bij het plassen?
Ja, het brandt. | Nee, plassen doet geen pijn.
plassen
Heeft u ___?
Czy odczuwa pan swędzenie?
Lernen beginnen
Heeft u jeuk?
Ja, vooral op mijn armen. | Nee, het jeukt niet.
jeuk
Hoe ___ u de laatste tijd?
Jak pan ostatnio sypia?
Lernen beginnen
Hoe slaapt u de laatste tijd?
Ik slaap goed en word uitgerust wakker. | Ik kan moeilijk in slaap vallen en word vaak wakker.
slaapt
Heeft u veel last van ___?
Czy mocno odczuwa pan stres?
Lernen beginnen
Heeft u veel last van stress?
Ja, ik voel me de laatste tijd erg gespannen. | Nee, eigenlijk niet.
stress
Voelt u zich vaak ___?
Czy często czuje się pan przygnębiony?
Lernen beginnen
Voelt u zich vaak somber?
Ja, ik voel me de laatste tijd vaak somber. | Nee, eigenlijk niet.
somber
Heeft u zich ergens aan ___?
Czy uderzył się pan o coś?
Lernen beginnen
Heeft u zich ergens aan gestoten?
Ja, ik ben tegen een tafel gelopen. | Nee, ik heb me niet gestoten.
gestoten
Kunt u uw arm goed ___?
Czy może pan swobodnie poruszać ręką?
Lernen beginnen
Kunt u uw arm goed bewegen?
Ja, dat gaat zonder pijn. | Nee, ik krijg hem bijna niet omhoog.
bewegen
Wat heeft u zelf al ___?
Czego już pan próbował, żeby sobie pomóc?
Lernen beginnen
Wat heeft u zelf al geprobeerd?
Ik heb wat rust genomen. | Nog niets, ik wilde het eerst met u bespreken.
geprobeerd
Is er ___ nog iets waar u last van heeft?
Czy dolega panu jeszcze coś innego?
Lernen beginnen
Is er verder nog iets waar u last van heeft?
Ja, ik ben ook erg moe. | Nee, verder niet.
verder
Gebruikt u op dit moment ___?
Czy przyjmuje pan obecnie jakieś leki?
Lernen beginnen
Gebruikt u op dit moment medicijnen?
Ja, ik heb een lijstje meegenomen. | Nee, ik gebruik geen medicijnen.
medicijnen
Heeft u ook iets zonder ___ gebruikt?
Czy stosował pan również coś bez recepty?
Lernen beginnen
Heeft u ook iets zonder recept gebruikt?
Ja, ik heb iets bij de drogist gekocht. | Nee, alleen wat mijn arts heeft voorgeschreven.
recept
Bent u ergens ___ voor?
Czy jest pan na coś uczulony?
Lernen beginnen
Bent u ergens allergisch voor?
Ja, voor penicilline. | Nee, niet voor zover ik weet.
allergisch
Bent u onlangs in het ___ geweest?
Czy był pan ostatnio za granicą?
Lernen beginnen
Bent u onlangs in het buitenland geweest?
Ja, ik ben vorige week teruggekomen uit Spanje. | Nee, ik ben de afgelopen maanden niet weg geweest.
buitenland
Drinkt u ___?
Czy pije pan alkohol?
Lernen beginnen
Drinkt u alcohol?
Ja, af en toe. | Nee, ik drink geen alcohol.
alcohol
___ u?
Czy pan pali?
Lernen beginnen
Rookt u?
Ja, maar ik wil ermee stoppen. | Nee, ik rook niet.
Rookt
Mag ik uw buik even ___?
Czy mogę zbadać pana brzuch?
Lernen beginnen
Mag ik uw buik even onderzoeken?
Ja hoor, dat is goed. | Liever nog niet. Kunt u eerst uitleggen wat u gaat doen?
onderzoeken
Kunt u uw mouw even ___?
Czy może pan podwinąć rękaw?
Lernen beginnen
Kunt u uw mouw even opstropen?
Ja hoor, zo? | Nee, deze mouw zit te strak. Zal ik mijn trui uitdoen?
opstropen
___ rustig in en uit.
Proszę spokojnie wdychać i wydychać powietrze.
Lernen beginnen
Adem rustig in en uit.
Zo goed? | Dat lukt niet goed, ik ben benauwd.
Adem
Doet het pijn als ik hier ___?
Czy boli, kiedy naciskam tutaj?
Lernen beginnen
Doet het pijn als ik hier druk?
Ja, precies daar. | Nee, op die plek niet.
druk
Kunt u uw mond even ___?
Czy może pan otworzyć usta?
Lernen beginnen
Kunt u uw mond even opendoen?
Ja hoor. | Nee, dat doet te veel pijn.
opendoen
Ik vind dit onderzoek best ___.
Trochę stresuję się tym badaniem.
Lernen beginnen
Ik vind dit onderzoek best spannend.
Dat begrijp ik. Ik leg eerst uit wat er gaat gebeuren. | Wat vindt u er vooral spannend aan?
spannend
Kunt u uitleggen wat u met die term ___?
Czy może pan wyjaśnić, co ma na myśli, używając tego terminu?
Lernen beginnen
Kunt u uitleggen wat u met die term bedoelt?
Ja, ik zal het met een voorbeeld uitleggen. | Dat weet ik niet precies. Ik vraag de arts om het uit te leggen.
bedoelt
Kunt u het advies voor mij ___?
Czy może pan zapisać mi te zalecenia?
Lernen beginnen
Kunt u het advies voor mij opschrijven?
Ja, ik schrijf de belangrijkste punten voor u op. | Ik kan het nu niet meegeven, maar ik stuur u straks een bericht.
opschrijven
Kunt u in uw eigen woorden vertellen wat we hebben ___?
Czy może pan własnymi słowami powiedzieć, co ustaliliśmy?
Lernen beginnen
Kunt u in uw eigen woorden vertellen wat we hebben afgesproken?
Ja, ik maak een afspraak voor het onderzoek. | Nog niet helemaal. Kunt u het nog een keer uitleggen?
afgesproken
Heb ik een ___ nodig?
Czy potrzebuję skierowania?
Lernen beginnen
Heb ik een verwijzing nodig?
Ja, daarvoor is een verwijzing nodig. | Nee, daarvoor kunt u zelf een afspraak maken.
verwijzing
Waar kan ik bloed laten ___?
Gdzie mogę wykonać pobranie krwi?
Lernen beginnen
Waar kan ik bloed laten prikken?
Hier in de praktijk, op afspraak. | Bij het prikpunt in het ziekenhuis.
prikken
Moet ik ___ zijn voor dit onderzoek?
Czy muszę być na czczo przed tym badaniem?
Lernen beginnen
Moet ik nuchter zijn voor dit onderzoek?
Ja, voor dit onderzoek wel. Ik geef u de precieze instructies. | Nee, voor dit onderzoek hoeft dat niet.
nuchter
Hoe krijg ik de ___ van het onderzoek?
Jak otrzymam wynik badania?
Lernen beginnen
Hoe krijg ik de uitslag van het onderzoek?
De huisarts belt u zodra de uitslag binnen is. | U kunt de uitslag in uw patiëntenportaal bekijken.
uitslag
Moet ik terugkomen voor ___?
Czy muszę przyjść ponownie na kontrolę?
Lernen beginnen
Moet ik terugkomen voor controle?
Ja, we plannen een controleafspraak. | Nee, een controle is nu niet nodig.
controle
Wat moet ik doen als de ___ erger worden?
Co mam zrobić, jeśli dolegliwości się nasilą?
Lernen beginnen
Wat moet ik doen als de klachten erger worden?
Dan wil ik dat u opnieuw contact met ons opneemt. | Ik schrijf voor u op wanneer u direct moet bellen.
klachten
Ik ben bang dat het iets ___ is.
Boję się, że to coś poważnego.
Lernen beginnen
Ik ben bang dat het iets ernstigs is.
Ik begrijp dat u zich zorgen maakt. | Kunt u vertellen waar u precies bang voor bent?
ernstigs
Ik heb nog een vraag over de ___.
Mam jeszcze pytanie o leczenie.
Lernen beginnen
Ik heb nog een vraag over de behandeling.
Natuurlijk, wat wilt u weten? | Daar maken we een aparte afspraak voor, zodat we genoeg tijd hebben.
behandeling
Kan ik een ___ aanvragen?
Czy mogę poprosić o ponowne wystawienie recepty?
Lernen beginnen
Kan ik een herhaalrecept aanvragen?
Ja, ik geef uw verzoek door aan de huisarts. | Niet meteen, de huisarts wil eerst met u overleggen.
herhaalrecept
Moet ik hiervoor naar een ___?
Czy muszę z tym pójść do specjalisty?
Lernen beginnen
Moet ik hiervoor naar een specialist?
Ja, ik bespreek de verwijzing met u. | Nee, dit kunnen we hier verder onderzoeken.
specialist
Ik kom mijn medicijnen ___.
Przyszedłem odebrać leki.
Lernen beginnen
Ik kom mijn medicijnen ophalen.
Op welke naam staan ze? | Ze zijn nog niet klaar. Ik kijk hoe lang het duurt.
ophalen
Heeft u een bericht gehad dat uw medicijnen ___?
Czy otrzymał pan wiadomość, że leki są gotowe do odbioru?
Lernen beginnen
Heeft u een bericht gehad dat uw medicijnen klaarliggen?
Ja, ik heb een berichtje gekregen. | Nee, ik kwam even vragen of ze er al zijn.
klaarliggen
Is dit de ___ keer dat u dit medicijn gebruikt?
Czy stosuje pan ten lek po raz pierwszy?
Lernen beginnen
Is dit de eerste keer dat u dit medicijn gebruikt?
Ja, ik heb het nog nooit gebruikt. | Nee, ik gebruik het al langer.
eerste
Heeft u nog ___ medicijnen in huis?
Czy ma pan jeszcze w domu wystarczająco dużo leków?
Lernen beginnen
Heeft u nog voldoende medicijnen in huis?
Ja, genoeg voor de komende week. | Nee, ik heb alleen nog voor vandaag.
voldoende
Heeft u dit middel op ___?
Czy ma pan ten preparat na stanie?
Lernen beginnen
Heeft u dit middel op voorraad?
Ja, ik pak het even voor u. | Nee, ik kijk of we het kunnen bestellen.
voorraad
Wanneer kan ik de medicijnen ___?
Kiedy mogę odebrać leki?
Lernen beginnen
Wanneer kan ik de medicijnen ophalen?
Vanmiddag na drie uur. | Dat weten we nog niet. We sturen u een bericht zodra ze binnen zijn.
ophalen
Hoe moet ik dit medicijn ___?
Jak mam przyjmować ten lek?
Lernen beginnen
Hoe moet ik dit medicijn innemen?
Ik leg u uit hoe u het gebruikt. | Laten we samen de aanwijzingen op het etiket doornemen.
innemen
Hoe vaak moet ik dit per dag ___?
Ile razy dziennie mam to stosować?
Lernen beginnen
Hoe vaak moet ik dit per dag gebruiken?
Ik zoek de dosering voor u op. | Dat staat op het etiket. Ik wijs het u even aan.
gebruiken
Hoe lang moet ik hiermee ___?
Jak długo mam to jeszcze stosować?
Lernen beginnen
Hoe lang moet ik hiermee doorgaan?
Ik kijk welke gebruiksduur uw arts heeft afgesproken. | De duur is nog niet duidelijk. Ik overleg met uw arts.
doorgaan
Kunt u de ___ met mij doornemen?
Czy może pan omówić ze mną ulotkę leku?
Lernen beginnen
Kunt u de bijsluiter met mij doornemen?
Ja, welk deel is niet duidelijk? | Niet meteen, maar de apotheker kan u zo helpen.
bijsluiter
Welke ___ kan dit medicijn hebben?
Jakie skutki uboczne może mieć ten lek?
Lernen beginnen
Welke bijwerkingen kan dit medicijn hebben?
Ik leg u de belangrijkste bijwerkingen uit. | Ik vraag de apotheker om dat met u te bespreken.
bijwerkingen
Heeft u last van ___?
Czy odczuwa pan skutki uboczne?
Lernen beginnen
Heeft u last van bijwerkingen?
Ja, ik ben duizelig sinds ik ermee ben begonnen. | Nee, tot nu toe heb ik nergens last van.
bijwerkingen
Kan dit ___ met mijn andere medicijnen?
Czy mogę stosować to razem z moimi innymi lekami?
Lernen beginnen
Kan dit samen met mijn andere medicijnen?
Ja, ik heb het gecontroleerd: deze middelen kunnen samen. | Nee, deze combinatie is niet geschikt. Ik overleg met uw arts.
samen
Ik ben ___ mijn medicijn in te nemen.
Zapomniałem przyjąć lek.
Lernen beginnen
Ik ben vergeten mijn medicijn in te nemen.
Welk medicijn is het en wanneer had u het moeten innemen? | Ik vraag de apotheker wat u nu moet doen.
vergeten
Ik heb moeite met het ___ van tabletten.
Mam trudności z połykaniem tabletek.
Lernen beginnen
Ik heb moeite met het slikken van tabletten.
Ik kijk of er een andere vorm beschikbaar is. | Zijn het alle tabletten of alleen deze?
slikken
Heeft u ___ gekregen over het gebruik?
Czy wyjaśniono panu, jak to stosować?
Lernen beginnen
Heeft u uitleg gekregen over het gebruik?
Ja, het is me duidelijk. | Nee, kunt u het voordoen?
uitleg
Kunt u het gebruik nog een keer ___?
Czy może pan jeszcze raz pokazać, jak tego używać?
Lernen beginnen
Kunt u het gebruik nog een keer voordoen?
Ja, kijkt u maar even mee. | Niet meteen, maar ik haal iemand die het kan laten zien.
voordoen
Is dit medicijn zonder recept ___?
Czy ten lek jest dostępny bez recepty?
Lernen beginnen
Is dit medicijn zonder recept verkrijgbaar?
Ja, voor dit middel heeft u geen recept nodig. | Nee, hiervoor heeft u een recept van uw arts nodig.
verkrijgbaar
Moet ik hiervoor zelf ___?
Czy muszę za to zapłacić z własnej kieszeni?
Lernen beginnen
Moet ik hiervoor zelf betalen?
Ja, u moet hiervoor zelf betalen. | Nee, u hoeft nu niets af te rekenen.
betalen
Kan ik deze oude medicijnen hier ___?
Czy mogę tutaj oddać te stare leki?
Lernen beginnen
Kan ik deze oude medicijnen hier inleveren?
Ja, ik neem ze van u aan. | Niet aan deze balie. Ik wijs u waar u ze kunt inleveren.
inleveren

Sie müssen eingeloggt sein, um einen Kommentar zu schreiben.