Holenderski czasowniki nieregularne

 0    159 Datenblatt    andreasdarek
mp3 downloaden Drucken spielen überprüfen
 
Frage Nederlands, Vlaams Antworten Nederlands, Vlaams
aanbieden
oferować, proponować
Lernen beginnen
bood aan, boden aan - heb aangeboden
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
bakken
piec
Lernen beginnen
bakte, bakten - heb gebakken
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
bederven
zepsuć
Lernen beginnen
bedrief, bedierven - heb bedorven
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
bedriegen
oszukiwać
Lernen beginnen
bedroog, bedrogen - heb bedrogen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
beginnen
zacząć
Lernen beginnen
begon, begonnen - is begonnen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
begrijpen
zacząć
Lernen beginnen
begreep, begrepen - heb begrepen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
bestrijden
zwalczać
Lernen beginnen
bestreed, bestreden - heb bestreden
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
betreffen
dotyczyć, chodzić o...
Lernen beginnen
betrof, betroffen - heb betroffen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
bevelen
rozkaz, komenda
Lernen beginnen
beval, bevalen - heb bevolen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
bewegen
ruszać, poruszać
Lernen beginnen
bewoog, bewogen - heb bewogen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
bewijzen
udowadniać, dowodzić, potwierdzać
Lernen beginnen
bewees, bewezen - heb bewezen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
bidden
modlić się
Lernen beginnen
bad, baden - heb gebeden
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
bieden
oferta (przetargowa)
Lernen beginnen
bood, boden - heb geboden
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
bijten
gryźć
Lernen beginnen
beet, beten - heb gebeten
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
binden
wiązać, łączyć
Lernen beginnen
bond, bonden - heb gebonden
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
blazen
dmuchać
Lernen beginnen
blies, bliezen - heb geblazen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
blijken
wyglądać, pokazywać
Lernen beginnen
bleek, bleken - is gebleken
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
blijven
zostać
Lernen beginnen
bleef, bleven - is gebleven
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
blinken
błyszczeć, świecić
Lernen beginnen
blonk, blonken - heb geblonken
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
braden
piec
Lernen beginnen
braadde, braadden - heb gebraden
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
breken
złamać
Lernen beginnen
brak, braken - heb gebroken
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
brengen
przynieść, przynosić, wnosić
Lernen beginnen
bracht, brachten - heb gebracht
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
buigen
zgiąć
Lernen beginnen
boog, bogen - heb gebogen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
denken
myśleć
Lernen beginnen
dacht, dachten - heb gedacht
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
doen
robić
Lernen beginnen
deed, deden - heb gedaan
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
dragen
nosić
Lernen beginnen
droeg, droegen - heb gedragen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
drijven
pływać, napędzać
Lernen beginnen
dreef, dreven - is gedreven
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
dringen
ponaglać, pilne
Lernen beginnen
drong, drongen - heb gedrongen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
drinken
pić
Lernen beginnen
dronk, dronken - heb gedronken
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
druipen
kapać, ociekać
Lernen beginnen
droop, dropen - is gedropen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
duiken
nurkowć
Lernen beginnen
dook, doken - is gedoken
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
dwingen
zmusić
Lernen beginnen
dwong, dwongen - heb gedwongen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
ervaren
doświadczony
Lernen beginnen
ervoer, ervoeren - heb ervaren
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
eten
jeść
Lernen beginnen
at, aten - heb gegeten
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
fluiten
gwizdać
Lernen beginnen
floot, floten - heb gefloten
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
gaan
iść
Lernen beginnen
ging, gingen - is gegaan
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
gedragen
zachowywać się, nosić
Lernen beginnen
gedroeg, gedroegen - heb gedragen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
gelden
dotyczyć
Lernen beginnen
gold, golden - heb gegolden
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
genezen
leczyć, zdrowieć, wyzdrowieć
Lernen beginnen
genas, genazen - heb genezen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
genieten
cieszyć się
Lernen beginnen
genoot, genoten - heb genoten
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
geven
dawać
Lernen beginnen
gaf, gaven - heb gegeven
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
gieten
lać, odlewać
Lernen beginnen
goot, goten - heb gegoten
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
glijden
ślizgać się
Lernen beginnen
gleed, gleden - is gegleden
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
glimmen
lśnić, błyszczeć
Lernen beginnen
glom, glommen - heb geglommen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
graven
kopać
Lernen beginnen
groef, groeven, - heb gegraven
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
grijpen
chwytać, łapać
Lernen beginnen
greep, grepen - heb gegrepen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
hangen
wisieć
Lernen beginnen
hing, hingen - heb gehangen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
hebben
mieć
Lernen beginnen
had, hadden - heb gehad
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
helpen
pomagać
Lernen beginnen
hielp, hielpen - heb geholpen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
heten
nazywać
Lernen beginnen
heette, heetten - heb geheten
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
houden
trzymać
Lernen beginnen
hield, hielden - heb gehouden
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
jagen
polować, poganiać
Lernen beginnen
jaagde/joeg, jaagden/joegen - heb gejaagd
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
kiezen
wybierać
Lernen beginnen
koos, kozen - heb gekozen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
kijken
patrzeć
Lernen beginnen
keek, keken - heb gekeken
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
klimmen
wspinać się
Lernen beginnen
klom, klommen - is geklommen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
klinken
brzmieć
Lernen beginnen
klonk, klonken - heb geklonken
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
knijpen
ściskać, zgniatać
Lernen beginnen
kneep, knepen - heb geknepen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
komen
przyjść
Lernen beginnen
kwam, kwamen - is gekomen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
kopen
kupować
Lernen beginnen
kocht, kochten - heb gekocht
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
krijgen
otrzymać, dostać
Lernen beginnen
kreeg, kregen - heb gekregen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
krimpen
kurczyć się
Lernen beginnen
kromp, krompen - heb gekrompen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
kruipen
czołgać się, pełzać, raczkować
Lernen beginnen
kroop, kropen - heb gekropen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
kunnen
móc, umieć, potrafić (możliwość)
Lernen beginnen
kon, konden - heb gekund
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
lachen
śmiać się
Lernen beginnen
lachte, lachten - heb gelachen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
laten
zostawiać
Lernen beginnen
liet, lieten - heb gelaten
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
lezen
czytać
Lernen beginnen
las, lazen - heb gelezen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
liegen
kłamać
Lernen beginnen
loog, logen - heb gelogen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
liggen
leżeć
Lernen beginnen
lag, lagen - heb gelegen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
lijden
cierpieć
Lernen beginnen
leed, leden - heb geleden
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
lijken
wyglądać, być podobnym, wydawać się
Lernen beginnen
leek, leken - heb geleken
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
lopen
iść, chodzić, biec
Lernen beginnen
liep, liepen - is gelopen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
moeten
musieć
Lernen beginnen
moest, moesten - heb gemoeten
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
mogen
móc (zezwolenie, pozwolenie, dozwolenie)
Lernen beginnen
mocht, mochten - heb gemogen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
nemen
brać, wziąć
Lernen beginnen
nam, namen - heb genomen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
ontbreken
brakować
Lernen beginnen
ontbrak, ontbraken - heb ontbroken
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
ontvangen
otrzymać
Lernen beginnen
ontving, ontvingen - heb ontvangen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
ophangen
powiesić
Lernen beginnen
hing op, hingen op - heb opgehangen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
opsteken
zapalić, podnieść
Lernen beginnen
stak op, staken op, - heb opgestoken
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
optreden
występować, grać
Lernen beginnen
trad op, traden op - heb opgetreden
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
raden
radzić się, odgadnąć, domyślić
Lernen beginnen
raadde, raadden - heb geraden
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
rijden
jechać, prowadzić
Lernen beginnen
reed, reden - is gereden
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
roepen
wołać
Lernen beginnen
riep, riepen - heb geroepen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
ruiken
wąchać, czuć, pachnieć
Lernen beginnen
rook, roken - heb geroken
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
scheiden
dzielić, rozwodzić się
Lernen beginnen
scheidde, scheidden - is gescheiden
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
schelden
przeklinać
Lernen beginnen
schold, scholden - heb gescholden
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
schenken
dawać, darować
Lernen beginnen
schonk, schonken - heb geschonken
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
scheppen
tworzyć, sworzyć
Lernen beginnen
schiep, schiepen - heb geschapen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
scheren
golić
Lernen beginnen
schoor, schoren - heb geschoren
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
schieten
strzelać
Lernen beginnen
schoot, schoten - heb geschoten
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
schijnen
świecić, wydawać się
Lernen beginnen
scheen, schenen - heb geschenen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
schrijven
pisać
Lernen beginnen
schreef, schreven, - heb geschreven
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
schrikken
straszyć, przestraszyć się
Lernen beginnen
schrok, schrokken - is geschrokken
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
schuilen
ukryć, zataić, schronić się
Lernen beginnen
school, scholen - heb gescholen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
schuiven
przesuwać
Lernen beginnen
schoof, schoven - heb geschoven
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
slaan
bić, uderzać
Lernen beginnen
sloeg, sloegen - heb geslagen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
slapen
spać
Lernen beginnen
sliep, sliepen - heb geslapen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
sluiten
zamykać
Lernen beginnen
sloot, sloten - heb gesloten
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
smelten
topić
Lernen beginnen
smolt, smolten - heb gesmolten
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
smijten
rzucać, zrzucać, miotać
Lernen beginnen
smeet, smeten - heb gesmeten
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
snijden
ciąć
Lernen beginnen
sneed, sneden - heb gesneden
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
spijten
żałować
Lernen beginnen
speet (het), - - heb gespeten
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
spreken
mówić
Lernen beginnen
sprak, spraken - heb gesproken
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
springen
skakać
Lernen beginnen
sprong, sprongen - heb gesprongen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
spuiten
tryskać (malować)
Lernen beginnen
spoot, spoten - gespoten
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
staan
stać
Lernen beginnen
stond, stonden - heb gestaan
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
steken
dźgnąć, kłuć, wtykać
Lernen beginnen
stak, staken - heb gestoken
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
stelen
kraść
Lernen beginnen
stal, stalen - heb gestolen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
sterven
umierać
Lernen beginnen
stierf, stierven - is gestorven
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
stijgen
wzrastać, iść w górę
Lernen beginnen
steeg, stegen - is gestegen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
stinken
śmierdzieć
Lernen beginnen
stonk, stonken - heb gestonken
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
strijden
walczyć, bić się
Lernen beginnen
streed, streden - heb gestreden
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
strijken
prasować
Lernen beginnen
streek, streken - heb gestreken
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
treden
stopnie, szczeble, krok
Lernen beginnen
trad, traden - heb getreden
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
treffen
trafić, natrafić, spotkać
Lernen beginnen
trof, troffen - heb getroffen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
trekken
ciągnąć
Lernen beginnen
trok, trokken - heb getrokken
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
uitzenden
nadawać, emitować, wysyłać
Lernen beginnen
zond uit, zonden uit - heb uitgezonden
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
vallen
upadać, spadać, przewrócić się
Lernen beginnen
viel, vielen - is gevallen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
vangen
łapać, schwytać
Lernen beginnen
ving, vingen - heb gevangen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
varen
płynąć, żeglować
Lernen beginnen
voer, voeren - heb gevaren
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
vechten
walczyć
Lernen beginnen
vocht, vochten - heb gevochten
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
verbergen
ukrywać, chować
Lernen beginnen
verborg, verborgen - heb verborgen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
verbieden
zakazywać, zabraniać
Lernen beginnen
verbood, verboden - heb verboden
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
verdwijnen
znikać, przepadać, zanikać
Lernen beginnen
verdween, verdwenen - is verdwenen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
vergelijken
porównywać
Lernen beginnen
vergeleek, vergeleken - heb vergeleken
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
vergeten
zapominać
Lernen beginnen
vergat, vergaten - is vergeten
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
verlaten
opuścić, wychodzić
Lernen beginnen
verliet, verlieten - heb verlaten
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
verliezen
stracić, gubić
Lernen beginnen
verloor, verloren - heb verloren
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
vermijden
unikać, stronić
Lernen beginnen
vermeed, vermeden - heb vermeden
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
verschijnen
pojawiać się
Lernen beginnen
verscheen, verschenen - is verschenen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
verzinnen
wymyślić
Lernen beginnen
verzon, verzonnen - heb verzonnen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
vinden
znajdowć
Lernen beginnen
vond, vonden - heb gevonden
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
vliegen
latać
Lernen beginnen
vloog, vlogen - is gevlogen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
vouwen
zwijać
Lernen beginnen
vouwde, vouwden - heb gevouwden
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
vragen
pytać
Lernen beginnen
vroeg, vroegen - heb gevraagd
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
vriezen
mrozić
Lernen beginnen
vroor (het), - - heb gevroren
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
waaien
wiać, dmuchać
Lernen beginnen
waaide/woei (het), waaiden - heb gewaaid
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
wassen
myć
Lernen beginnen
waste, wasten - heb gewassen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
wegen
ważyć
Lernen beginnen
woog, wogen - heb gewogen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
werpen
rzucać, miotać
Lernen beginnen
wierp, wierpen - heb geworpen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
weten
wiedzieć
Lernen beginnen
wist, wisten - heb geweten
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
wijzen
pokazywać
Lernen beginnen
wees, wezen - heb gewezen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
willen
chcieć, życzyć, pragnąć, zechcieć
Lernen beginnen
wilde/wou, wilden - heb gewild
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
winnen
wygrywać
Lernen beginnen
won, wonnen - heb gewonnen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
worden
stawać się, zostawać
Lernen beginnen
werd, werden - is geworden
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
wrijven
trzeć, pocierać
Lernen beginnen
wreef, wreven - heb gewreven
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
zeggen
powiedzieć
Lernen beginnen
zei, zeiden - heb gezegd
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
zenden
wysyłać
Lernen beginnen
zond, zonden - heb gezonden
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
zien
widzieć
Lernen beginnen
zag, zagen - heb gezien
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
zijn
być, jego
Lernen beginnen
was, waren - is geweest
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
zingen
śpiewać
Lernen beginnen
zong, zongen - heb gezongen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
zinken
topić
Lernen beginnen
zonk, zonken - heb gezonken
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
zitten
siedzieć
Lernen beginnen
zat, zaten - heb gezeten
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
zoeken
szukać
Lernen beginnen
zocht, zochten - heb gezocht
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
zuigen
ssać
Lernen beginnen
zoog, zogen - heb gezogen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
zullen
chcieć, wola
Lernen beginnen
zou, zouden - -
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - GEEN perfectum
zwemmen
pływać
Lernen beginnen
zwom, zwommen - heb gezwommen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
zweren
przysięgać, przyrzekać
Lernen beginnen
zwoor, zworen - heb gezworen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
zwerven
włóczyć się, wędrować, błądzić
Lernen beginnen
zwierf, zwierven - heb gezworven
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum
zwerven
zwijgen
milczeć
Lernen beginnen
zweeg, zwegen - heb gezwegen
imperfectum l. poj., imperfectum l.mn. - perfectum

Sie müssen eingeloggt sein, um einen Kommentar zu schreiben.