Książka 1

 0    245 Datenblatt    aleksandrakowal9
mp3 downloaden Drucken spielen überprüfen
 
Frage Antworten
Do zobaczenia (później)
Lernen beginnen
Tot straks
Jak się nazywasz?
Lernen beginnen
Hoe heet jij?
Kim jesteś?
Lernen beginnen
Wie ben je?
Nazywam się...
Lernen beginnen
Ik heet...
Pochodzę z...
Lernen beginnen
Ik kom uit...
Mieszkam w...
Lernen beginnen
Ik woon in...
móc
Lernen beginnen
kunnen
mieszkać
Lernen beginnen
wonen
przyjechać, przybyć
Lernen beginnen
komen
nazywać się
Lernen beginnen
heten
być
Lernen beginnen
zijn
mieć
Lernen beginnen
hebben
chcieć
Lernen beginnen
willen
świetnie
Lernen beginnen
prima
wspaniale
Lernen beginnen
uitstekend
Jak fajnie
Lernen beginnen
Wat leuk
wiosna
Lernen beginnen
de lente
lato
Lernen beginnen
de zomer
jesień
Lernen beginnen
herfst
zima
Lernen beginnen
de winter
Rodzajnik określony dla rzeczowników rodzaju męskiego i żeńskiego w liczbie pojedynczej
Lernen beginnen
de
Rodzajnik określony dla liczby pojedynczej rodzaju nijakiego
Lernen beginnen
het
Rodzajnik nieokreślony dla liczby pojedynczej
Lernen beginnen
een
Jak?
Lernen beginnen
Hoe?
Gdzie?
Lernen beginnen
Waar?
Co?
Lernen beginnen
Wat?
Kto?
Lernen beginnen
Wie?
Kiedy?
Lernen beginnen
Wanneer?
Dlaczego?
Lernen beginnen
Waarom?
data urodzenia
Lernen beginnen
Geboortedatum
ulica
Lernen beginnen
de straat
pora roku
Lernen beginnen
het seizoen
urodziny
Lernen beginnen
de jarig
sweter
Lernen beginnen
de trui
garnitur
Lernen beginnen
het pak
spódnica
Lernen beginnen
de rok
sukienka
Lernen beginnen
de jurk
skarpetka
Lernen beginnen
de sok
but
Lernen beginnen
de schoen
czapka zimowa
Lernen beginnen
de muts
kapelusz
Lernen beginnen
de hoed
stary
Lernen beginnen
oud
sąsiedztwo
Lernen beginnen
buurt
długi
Lernen beginnen
lang
Heidi, słucham (odbieranie telefonu)
Lernen beginnen
Met Heidi
Do zaobaczenia (za moment)
Lernen beginnen
Tot zo
Jaki (jaka, jakie)/ co za...
Lernen beginnen
Wat een
Jaka ładna ulica!
Lernen beginnen
Wat een mooie straat!
Fajnie!
Lernen beginnen
Dat is fijn! / Leuk!
Chętnie!
Lernen beginnen
Graag!
Z przyjemnością!
Lernen beginnen
Met plezier!
sympatyczny, miły (ktoś) / przyjemnie
Lernen beginnen
gezellig
trochę szkoda
Lernen beginnen
jammer genoeg
Czy, może (wyrażanie oferty, propozycji)
Lernen beginnen
Zullen we/ zal ik...?
Może przyjdę do Ciebie
Lernen beginnen
Zal ik bij jou komen?
Powinien przyjść (wyrażanie prawdopodobieństwa, możliwości)
Lernen beginnen
Hij zal komen
Uważam, sądzę (wyrażanie własnego zdania, oceny)
Lernen beginnen
Ik vind het...
Jaka szkoda!
Lernen beginnen
Ik vind het jammer!
To jest fajne, ładne, brzydkie...
Lernen beginnen
Ik vind het leuk, mooi, lelijk...
Jak Ci się to podoba?
Lernen beginnen
Hoe vind je het?
wynająć
Lernen beginnen
huur
do wynajęcia
Lernen beginnen
te huur
blisko (centrum)
Lernen beginnen
vlaak bij (het centrum)
duży
Lernen beginnen
groot
mały
Lernen beginnen
klein
słoneczny
Lernen beginnen
zonnig
spokojny
Lernen beginnen
rustig
fajny
Lernen beginnen
leuk
mój
Lernen beginnen
mijn
twój
Lernen beginnen
jouw
pana/pani/państwa
Lernen beginnen
uw
jego
Lernen beginnen
zijn
jej
Lernen beginnen
haar
nasz
Lernen beginnen
onze/ons
wasz
Lernen beginnen
jullie
ich
Lernen beginnen
hun
żaden
Lernen beginnen
geen
okno
Lernen beginnen
het raam
miły
Lernen beginnen
aardig
Wolę kawę
Lernen beginnen
Ik wil liever koffie
Wszystko mi jedno
Lernen beginnen
Het maakt me niet uit
Jestem głodny
Lernen beginnen
ik heb honger
Chce mi się pić
Lernen beginnen
Ik heb dorst
To jest smaczne/pyszne
Lernen beginnen
Het is lekker / lekker
Smakuje mi to
Lernen beginnen
ik vind het lekker
Lubię... (rybę)
Lernen beginnen
Ik houd van... (vis)
Lubię... (w języku potocznym)
Lernen beginnen
Ik lust...
To nie jest zbyt smaczne
Lernen beginnen
Het is niet zo lekker
Nie zbyt mi to smakuje
Lernen beginnen
Ik vind het niet zo lekker
Nie lubię...
Lernen beginnen
Ik houd niet van...
To jest za (słodkie)
Lernen beginnen
Ik vind het te (zoet)
Nie lubię...
Lernen beginnen
Ik lust geen...
Masz ochotę na...?
Lernen beginnen
Heb je zin in...?
Chcesz...?
Lernen beginnen
Wil je...?
Masz rację
Lernen beginnen
Je hebt gelijk
rano
Lernen beginnen
s morgens
w południe
Lernen beginnen
tussen de middag
po południu
Lernen beginnen
s middags
wieczorem
Lernen beginnen
s avonds
w nocy
Lernen beginnen
s nachts
siezieć
Lernen beginnen
zitten
jeść
Lernen beginnen
eten
pić
Lernen beginnen
drinken
robić
Lernen beginnen
maken
wziąć
Lernen beginnen
nemen
powiedzieć
Lernen beginnen
zeggen
mieć pozwolenie na
Lernen beginnen
mogen
trzymać
Lernen beginnen
houden
rzeczowniki zdrobniałe
Lernen beginnen
dodajemy końcówkę 'je' (tje, etje, pje, kje)
Miejsce 'niet' w zdaniu
Lernen beginnen
Po czasowniku, morgen, vandaag, volgende week, dopełnieniu i rzeczowniku określonym. Przed: przymiotnikiem, przyimkiem, przysłówkiem.
pyszne
Lernen beginnen
heerlijk
Proszę?
Lernen beginnen
Zeg het maar?
Coś jeszcze?
Lernen beginnen
Anders nog iets?
To wszystko?
Lernen beginnen
Dat was het?
Poproszę kilogram jabłek
Lernen beginnen
Mag ik een kilo appels?
Poproszę dwie czerwone papryki
Lernen beginnen
Ik wil graag twee rode paprika's
Jednego ogórka proszę
Lernen beginnen
Een komkommer, alstublieft.
Ile kosztuje...
Lernen beginnen
Wat/hoeveel kost...?/ Hoe duur is...?
Ile kosztuje wszystko razem?
Lernen beginnen
Hoeveel is het bij elkaar?
Chodzić po sklepach
Lernen beginnen
Winkelen
Robić zakupy spożywcze
Lernen beginnen
Boodschappen doen
Poczekaj chwilę
Lernen beginnen
Wacht even!
Jeszcze tylko...
Lernen beginnen
Nog even...
Dobrze mi (ci) w tym
Lernen beginnen
Het staat me (je) goed
Nie dobrze mi w tym.
Lernen beginnen
Het staat me niet goed
za długi
Lernen beginnen
te lang
za krótki
Lernen beginnen
te kort
za ciasny
Lernen beginnen
te smal
za duży
Lernen beginnen
te groot
To jest teraz modne
Lernen beginnen
Het is nu in
Tamte buty są na mnie dobre
Lernen beginnen
Die schoenen zitten goed.
Te buty są za ciasne
Lernen beginnen
Deze schoenen zijn te smal
Ocena pozytywna (ujdzie, może być)
Lernen beginnen
valt mee
Ocena negatywna (nie dobrze, ciężko)
Lernen beginnen
valt tegen
Jaki masz rozmiar?
Lernen beginnen
Welke maat heb je?
Mam rozmiar 40
Lernen beginnen
Ik heb maat 40.
1000 gram
Lernen beginnen
een kilo(gram)
500 gram
Lernen beginnen
een pond/een halve kilo
100 gram
Lernen beginnen
een ons
250 gram
Lernen beginnen
een half pond
godzina
Lernen beginnen
een uur
pół godziny
Lernen beginnen
een half uur
kwadrans
Lernen beginnen
een kwartier
minuta
Lernen beginnen
een minuut
sekunda
Lernen beginnen
een seconde
godzina 2
Lernen beginnen
twee uur
godzina 2.05
Lernen beginnen
vijf over twee
godzina 2.10
Lernen beginnen
tien over twee
godzina 2.15
Lernen beginnen
kwart over twee
godzina 2.20
Lernen beginnen
tien voor half drie
godzina 2.25
Lernen beginnen
vijf voor half drie
godzina 2.30
Lernen beginnen
half drie
godzina 2.35
Lernen beginnen
vijf over half drie
godzina 2.40
Lernen beginnen
tien over half drie
godzina 2.45
Lernen beginnen
kwart voor drie
godzina 2.50
Lernen beginnen
tien voor drie
godzina 2.55
Lernen beginnen
vijf voor drie
która jest godzina?
Lernen beginnen
Hoe laat is het?
O której przyjdziesz?
Lernen beginnen
Hoe laat kom je?
O godzinie 10
Lernen beginnen
Om 10 uur
Jestem spóźniona
Lernen beginnen
Ik ben te laat.
Pan przyszedł za wcześnie
Lernen beginnen
U bent te vroeg
Nie przyjdziemy na czas
Lernen beginnen
We komen niet op tijd
Przyszliście w samą porę
Lernen beginnen
Jullie zijn net op tijd
Czas przyszły
Lernen beginnen
gaan + bezokolicznik / przy pomocy czasu teraźniejszego
Nie będę nic więcej jeść
Lernen beginnen
Ik ga niets meer eten.
Zimą będę w Kanadzie
Lernen beginnen
Deze winter ben ik in Canada
Tryb rozkazujący
Lernen beginnen
Pomijamy końcówkę -en w czasownikach
Chodź, chodźcie
Lernen beginnen
Kom!
Mów, mówcie
Lernen beginnen
Praat!
Chodźmy
Lernen beginnen
Laten we gaan
Napijmy się czegoś
Lernen beginnen
Laten we wat drinken
tu
Lernen beginnen
hier
tam
Lernen beginnen
daar
ten, ta, te
Lernen beginnen
deze
to
Lernen beginnen
dit
tamten, tamta, tamte
Lernen beginnen
die
tamto
Lernen beginnen
dat
Szukać drogi
Lernen beginnen
De weg zoeken
Znaleźć drogę
Lernen beginnen
De weg vinden
Przepraszam panią/pana...
Lernen beginnen
Pardon mevrouw/meneer...
Wie pan gdzie jest muzeum?
Lernen beginnen
Weet u waar het museum is?
Gdzie jest dworzec?
Lernen beginnen
Waar is het station?
Musi pan iść prosto
Lernen beginnen
Je moet rechtdoor gaan.
Musi pan iść z powrotem
Lernen beginnen
Je moet teruggaan
Musisz iść w lewo
Lernen beginnen
Je moet naar linksaf/links
Musisz iść w prawo
Lernen beginnen
Je moet rechtsaf / rechts
To jest z prawej strony
Lernen beginnen
Het is aan de rechterkant
To jest z lewej strony
Lernen beginnen
Het is aan de linkerkant
Ależ co Ty robisz?!
Lernen beginnen
Maar wat doe je nou?!
No dobrze
Lernen beginnen
Vooruit maar
Jesteś tego pewny?
Lernen beginnen
Weet je het zeker?
Jesteś pewny, że...
Lernen beginnen
Weet je het zeker, dat...
Tak, jestem tego pewny
Lernen beginnen
Ja, ik weet het zeker
Nie wiem tego
Lernen beginnen
Dat weet ik niet
Nie myślisz, że...
Lernen beginnen
Denk / Geloof je niet, dat...
Nie uważasz, że...
Lernen beginnen
Vind je niet, dat...
Co myślisz o...
Lernen beginnen
Wat vind je van...
Myślę, że...
Lernen beginnen
Ik denk dat.../ Ik geloof dat...
Myślę...
Lernen beginnen
... denk ik/ ... geloof ik
Myślę, że tak
Lernen beginnen
Dat denk ik wel
Uważam, że...
Lernen beginnen
Ik vind dat...
Według mnie...
Lernen beginnen
Volgens mij...
Proszę (reakcja na podziękowanie)
Lernen beginnen
Graag gedaan
Do usług (oficjalna reakcja na podziękowanie)
Lernen beginnen
Tot uw dienst
Czas przeszły dokonany
Lernen beginnen
Osoba + hebben/zijn (odmieniony) + reszta zdania + ge + temat + t /d
Zrobiłem
Lernen beginnen
Ik heb gemaakt
Zrobiłeś
Lernen beginnen
Je hebt gemaakt
Przestał
Lernen beginnen
Hij is gestopt
Przestali
Lernen beginnen
Zij zijn gestopt
zostać
Lernen beginnen
blijven
wziąć
Lernen beginnen
brengen
myśleć
Lernen beginnen
denken
robić
Lernen beginnen
doen
iść
Lernen beginnen
gaan
mieć
Lernen beginnen
hebben
patrzeć
Lernen beginnen
kijken
przychodzić
Lernen beginnen
komen
kupować
Lernen beginnen
kopen
dostać
Lernen beginnen
krijgen
czytać
Lernen beginnen
lezen
pisać
Lernen beginnen
schrijven
mówić
Lernen beginnen
spreken
latać
Lernen beginnen
vliegen
pytać
Lernen beginnen
vragen
widzieć
Lernen beginnen
zien
siedzieć
Lernen beginnen
zitten
być
Lernen beginnen
zijn
Czasowniki zijn i hebben w czasie przeszłym
Lernen beginnen
Zijn - zmiana miejsca lub stanu / hebben - w pozostałych przypadkach
Czsowniki ruchu: hebben, zijn
Lernen beginnen
Zijn - gdy jest wymieniony cel ruchu / hebben - gdy nie jest wymieniony cel
autobusem
Lernen beginnen
met de bus
tramwajem
Lernen beginnen
met de tram
pociągiem
Lernen beginnen
met de trein
samolotem
Lernen beginnen
met de vliegtuig
rowerem
Lernen beginnen
met de fiets
motorem
Lernen beginnen
met de motor
nożem
Lernen beginnen
met het mes
pędzlem
Lernen beginnen
met de kwast
nożyczkami
Lernen beginnen
met de schaar
używać
Lernen beginnen
gebruiken
zaczynać
Lernen beginnen
beginnen
słyszeć (zrozumieć co ktoś mówi)
Lernen beginnen
verstaan
poznać
Lernen beginnen
ontmoeten
powtarzać
Lernen beginnen
herhalen
uznawać / przyznać się
Lernen beginnen
erkennen

Sie müssen eingeloggt sein, um einen Kommentar zu schreiben.