sl 22

 0    50 Datenblatt    ganajerski
mp3 downloaden Drucken spielen überprüfen
 
Frage Antworten
Ik zet mijn tas op de stoel.
Lernen beginnen
Kładę swoją torbę na krześle.
Zij belt haar vriend.
Lernen beginnen
Ona dzwoni do swojego przyjaciela.
Ik neem een glas water.
Lernen beginnen
Biorę szklankę wody.
Wij lopen langzaam naar huis.
Lernen beginnen
Idziemy powoli do domu.
Hij maakt het licht aan.
Lernen beginnen
On włącza światło.
Ik heb een nieuwe telefoon.
Lernen beginnen
Mam nowy telefon.
Wij eten pizza vanavond.
Lernen beginnen
Jemy dziś wieczorem pizzę.
Ik wacht op mijn collega.
Lernen beginnen
Czekam na mojego kolegę.
Zij leest een bericht op haar mobiel.
Lernen beginnen
Ona czyta wiadomość na telefonie.
Ik ga naar de kapper.
Lernen beginnen
Idę do fryzjera.
Wij hebben een grote tafel.
Lernen beginnen
Mamy duży stół.
Ik neem mijn lunch mee.
Lernen beginnen
Zabieram ze sobą lunch.
Hij zoekt zijn sleutels.
Lernen beginnen
On szuka swoich kluczy.
Ik maak een kop koffie.
Lernen beginnen
Robię filiżankę kawy.
Wij wonen op de eerste verdieping.
Lernen beginnen
Mieszkamy na pierwszym piętrze.
Ik zie een mooie bloem.
Lernen beginnen
Widzę ładny kwiat.
Zij koopt een nieuwe tas.
Lernen beginnen
Ona kupuje nową torbę.
Ik ga naar de sportschool.
Lernen beginnen
Idę na siłownię.
Wij eten samen avondeten.
Lernen beginnen
Jemy razem kolację.
Ik schrijf een korte boodschap.
Lernen beginnen
Piszę krótką wiadomość.
Hij draagt een groene jas.
Lernen beginnen
On nosi zieloną kurtkę.
Ik neem de trap.
Lernen beginnen
Wchodzę po schodach.
Wij luisteren naar de leraar.
Lernen beginnen
Słuchamy nauczyciela.
Ik heb een afspraak om drie uur.
Lernen beginnen
Mam spotkanie o trzeciej.
Zij kijkt naar de klok.
Lernen beginnen
Ona patrzy na zegar.
Ik koop een fles water.
Lernen beginnen
Kupuję butelkę wody.
Wij rijden met de auto.
Lernen beginnen
Jedziemy samochodem.
Ik open mijn laptop.
Lernen beginnen
Otwieram laptopa.
Hij maakt een broodje.
Lernen beginnen
On robi kanapkę.
Ik heb een vraag.
Lernen beginnen
Mam pytanie.
Wij gaan naar de bibliotheek.
Lernen beginnen
Idziemy do biblioteki.
Ik neem mijn jas uit.
Lernen beginnen
Zdejmuję kurtkę.
Zij werkt in een klein kantoor.
Lernen beginnen
Ona pracuje w małym biurze.
Ik zie een rode auto.
Lernen beginnen
Widzę czerwony samochód.
Wij drinken koffie in de pauze.
Lernen beginnen
Pijemy kawę na przerwie.
Ik zet de tv aan.
Lernen beginnen
Włączam telewizor.
Hij loopt snel.
Lernen beginnen
On idzie szybko.
Ik koop een kaartje voor de bus.
Lernen beginnen
Kupuję bilet na autobus.
Wij praten met de buren.
Lernen beginnen
Rozmawiamy z sąsiadami.
Ik neem mijn fiets.
Lernen beginnen
Biorę swój rower.
Zij eet een banaan.
Lernen beginnen
Ona je banana.
Ik maak mijn bed op.
Lernen beginnen
Ścielę łóżko.
Wij gaan naar binnen.
Lernen beginnen
Wchodzimy do środka.
Ik heb een klein probleem.
Lernen beginnen
Mam mały problem.
Hij kijkt naar zijn horloge.
Lernen beginnen
On patrzy na swój zegarek.
Ik zet mijn telefoon op stil.
Lernen beginnen
Wyciszam telefon.
Wij eten samen ontbijt.
Lernen beginnen
Jemy razem śniadanie.
Ik neem een warme trui mee.
Lernen beginnen
Zabieram ze sobą ciepły sweter.
Zij loopt naar de bushalte.
Lernen beginnen
Ona idzie na przystanek autobusowy.
Ik sluit de deur zachtjes.
Lernen beginnen
Zamykam drzwi delikatnie.

Sie müssen eingeloggt sein, um einen Kommentar zu schreiben.