slowa na A1

 0    497 Datenblatt    justynapiatek1
mp3 downloaden Drucken spielen überprüfen
 
Frage Antworten
mówić
Lernen beginnen
spreken
isc
Lernen beginnen
Gaan
chcę, chcesz, chce
Lernen beginnen
wil
chętnie
Lernen beginnen
graag
coś
Lernen beginnen
iets
sąsiedztwo
Lernen beginnen
buurt
super, fajnie, mily, ladne
Lernen beginnen
leuk
blisko
Lernen beginnen
dicht bij
już
Lernen beginnen
al
dla
Lernen beginnen
voor
nie ma za co
Lernen beginnen
graag gedaan
mozesz?
Lernen beginnen
Kun je
cos o
Lernen beginnen
iets over
mozesz cos opowedzic o sobie?
Lernen beginnen
Kun je iets over jezelf vertellen?
usiadz
Lernen beginnen
ga zitten
chetnie
Lernen beginnen
graag
nad, o, za
Lernen beginnen
over
opowiadać
Lernen beginnen
vertellen
o sobie
Lernen beginnen
over jezelf
czasownik modalny służący do wyrażania przypuszczenia i czasu przyszłego
Lernen beginnen
zal
pies / psy
Lernen beginnen
hond / honden
jestem sprzataczem
Lernen beginnen
Ik ben een schoonmaker.
ty jestes sprzataczem
Lernen beginnen
jij bent de schoonmaker
robić
Lernen beginnen
doen
Co będziesz robić w ten weekend?
Lernen beginnen
wat ga je dit weekend doen?
Zamierzam odwiedzić
Lernen beginnen
ik ga op bezoek bij
jak miło!
Lernen beginnen
wat leuk!
Przekaż ode mnie pozdrowienia dla Kasie
Lernen beginnen
doe de groeten aan Kasie
dużo
Lernen beginnen
veel
dużo zabawy
Lernen beginnen
veel plezier
impreza
Lernen beginnen
een feest
do poniedziałku
Lernen beginnen
tot maandag
ty też
Lernen beginnen
jij ook
na
Lernen beginnen
op
ten, ta, to
Lernen beginnen
dit
wizyta
Lernen beginnen
boezoek
pozdrowienia
Lernen beginnen
groeten
idę do domu
Lernen beginnen
ik ga naar huis
co masz zamiar robic?
Lernen beginnen
Wat ga je doen?
prezencik
Lernen beginnen
een cadeautje
tort
Lernen beginnen
taart
uwielbiać (wazajac swoja opinie)
Lernen beginnen
houden van
Czy lubisz warzywa?
Lernen beginnen
Houd je van groenten?
pyszne
Lernen beginnen
heerlijk
Tak, uwielbiam warzywa.
Lernen beginnen
Ja, ik vind groenten heerlijk
smaczny, przyjemny
Lernen beginnen
lekker
obrzydliwe
Lernen beginnen
vies
uważam (uzywamy zeby wyrazic sowja opinie)
Lernen beginnen
ik vind
Lubię jeść
Lernen beginnen
Ik eet graag
Moje ulubione jedzenie
Lernen beginnen
Mijn lievelingseten
czasami
Lernen beginnen
soms
Kogo czasami odwiedzasz?
Lernen beginnen
bij wie ga jij soms op bezoek?
Idę na plażę
Lernen beginnen
ik ga naar het strand
Samochód jest zepsuty
Lernen beginnen
de auto is kapot
pogoda jest zła
Lernen beginnen
het is slecht weer
jestem chory
Lernen beginnen
ik ben ziek
Zamierzam grać w piłkę nożną
Lernen beginnen
ik ga voetballen
moja ciotka
Lernen beginnen
mijn tante
Idziesz na imprezę?
Lernen beginnen
ga jij naar een feest?
Jaki rodzaj imprezy?
Lernen beginnen
wat voor soort feest?
Co robisz na imprezie?
Lernen beginnen
wat doe je op een feest
co to jest?
Lernen beginnen
wat is er?
szybkiego powrotu do zdrowia
Lernen beginnen
sterkte
Co lubisz jeść?
Lernen beginnen
Wat eet je graag?
Jestem trochę zmęczony
Lernen beginnen
ik ben een beetje moe
to przykre, szkoda, to irytujace
Lernen beginnen
wat vervelend.
ale muszę się spieszyć do szkoły
Lernen beginnen
maar ik moet snel naar school
Szybko wracam do domu
Lernen beginnen
ik ga snel naar huis
co sie stalo
Lernen beginnen
wat is er
w porządku (obojetnie sie czuje)
Lernen beginnen
het gaat wel
Trzymaj się i dbaj o siebie
Lernen beginnen
sterkte hoor
ile masz lat?
Lernen beginnen
hoe oud ben je?
brat
Lernen beginnen
de broer
siostra
Lernen beginnen
de zus
jakie są imiona twoich dzieci?
Lernen beginnen
hoe heten jouw kinderen
nasz, nasza, nasi, nasze
Lernen beginnen
onze
Czyli dobrze gotujesz?
Lernen beginnen
dus je kunt goed koken?
możesz, mógłbyś
Lernen beginnen
kunt
więc
Lernen beginnen
dus
Czuję się chory
Lernen beginnen
ik voel me ziek
ranek
Lernen beginnen
ochtend
czy mogę ci pomóc?
Lernen beginnen
kan ik u helpen?
Chciałbym wziąć udział w kursie
Lernen beginnen
ik wil graag een cursus doen
To jest możliwe.
Lernen beginnen
dat kan.
Więc jakie jest twoje nazwisko?
Lernen beginnen
zo, way is je achternam
Z jakiego kraju pochodzisz?
Lernen beginnen
uit welk land kom je?
i teraz mieszkasz w Holandii
Lernen beginnen
en je woont nu in nederland
teraz
Lernen beginnen
nu
Zgadza się
Lernen beginnen
dat klopt
Kiedy tu przyjechałeś?
Lernen beginnen
wanneer bent je hier gekomen
przybył tutaj
Lernen beginnen
hier gekomen
W takim razie mówisz dobrze po holendersku.
Lernen beginnen
dan spreekt je goed nederland
Jakie jest Twoje miejsce zamieszkania?
Lernen beginnen
wat is je woonplaats?
Kiedy chcesz rozpocząć kurs?
Lernen beginnen
wanneer wilt je beginnen met de cursus?
zaczynać, rozpoczynać
Lernen beginnen
beginnen
zacząć pracę
Lernen beginnen
beginnen met werk
Możesz podpisać tutaj
Lernen beginnen
u mag hier uw handtekening zetten
podpisać
Lernen beginnen
handtekening zetten
dzięki, dziękuję
Lernen beginnen
bedankt
proszę
Lernen beginnen
alsjeblieft
zarejestrować
Lernen beginnen
inschrijven
formularz
Lernen beginnen
het formulier
czy możesz to przeliterować?
Lernen beginnen
kunt u dat spellen?
Jakiej jesteś narodowości?
Lernen beginnen
wat is uw nationaliteit?
Jakimi językami mówisz?
Lernen beginnen
welke talen spreekt je?
Wysyłam Ci e-mail
Lernen beginnen
ik stuur u een email
ze wszystkimi informacjami
Lernen beginnen
met alle informatie
z
Lernen beginnen
met
cały, wszystkie
Lernen beginnen
alle
Czy mogę się zapisać?
Lernen beginnen
kan ik me inschrijven?
tak oczywiście
Lernen beginnen
ja, natuurlijk
Szukam
Lernen beginnen
ik zoek
Szukam adresu
Lernen beginnen
ik zoek het adres
przepraszam (jesli nie doslyszymy)
Lernen beginnen
pardon
inicjały
Lernen beginnen
voorletters
Czy masz również adres e-mail?
Lernen beginnen
heeft u ook een e-mial
Mam jeszcze jedno pytanie
Lernen beginnen
ik heb nog een vraag
jeszcze
Lernen beginnen
nog
do zobaczenia!
Lernen beginnen
tot ziens
Jaki dziś dzień?
Lernen beginnen
welke dag is het vandaag?
dzisiaj
Lernen beginnen
vandaag
wczoraj
Lernen beginnen
gisteren
jutro
Lernen beginnen
morgen
W jakie dni odbywają się zajęcia?
Lernen beginnen
welke dagen hebben jullie les?
bardzo dobrze
Lernen beginnen
heel goed
wszyscy
Lernen beginnen
allemaal
jaki dzień był wczoraj
Lernen beginnen
welke dag was het gisteren
Czy wiesz?
Lernen beginnen
weet jij het?
Jaki dzień mamy jutro?
Lernen beginnen
welke dag is het morgen?
który, która, które
Lernen beginnen
welke
słuchać
Lernen beginnen
luisteren
zamknięte w niedziele
Lernen beginnen
dicht op zondag
prawie
Lernen beginnen
bijna
praca domowa
Lernen beginnen
het huiswerk
Strona
Lernen beginnen
de bladzijde
cwiczenie, zadanie
Lernen beginnen
de opdracht
ale posłuchaj
Lernen beginnen
maar luister
To jest dom na czwartek
Lernen beginnen
dit is het huiswerk voor donderdag
Wykonaj w domu ćwiczenia 11 i 12 ze strony 14.
Lernen beginnen
maak thuis op bladzijde 14 opdracht 11, 12
Jest teraz godzina 12
Lernen beginnen
het is nu 12 uur
Teraz
Lernen beginnen
nu wel
trudny
Lernen beginnen
moeilijk
łatwy, łatwo
Lernen beginnen
makkelijk
cichy, spokojny
Lernen beginnen
rustig
długi, długo
Lernen beginnen
lang
krótki
Lernen beginnen
kort
duży
Lernen beginnen
groot
Zamknięte
Lernen beginnen
gesloten
ruchliwy
Lernen beginnen
druk
milo cie poznac
Lernen beginnen
Aangenaam
ziemniak
Lernen beginnen
aardappel
zamawiać
Lernen beginnen
bestellen
artykuły spożywcze
Lernen beginnen
boodschappen
robić zakupy spożywcze
Lernen beginnen
boodschappen doen
krompka chleba
Lernen beginnen
boterham
chleb
Lernen beginnen
brood
kanapka
Lernen beginnen
broodje
rachunek
Lernen beginnen
de rekening
ogród
Lernen beginnen
de tuin
cebula
Lernen beginnen
de ui
Pragnienie
Lernen beginnen
Dorst
drogi
Lernen beginnen
duur
tani
Lernen beginnen
goedkoop
głodny
Lernen beginnen
honger
nie rozumiem
Lernen beginnen
ik begrijp het niet
Jestem spragniony
Lernen beginnen
ik heb dorst
kosztowac
Lernen beginnen
kosten
kupić
Lernen beginnen
kopen
Czy możesz mówić trochę wolniej?
Lernen beginnen
kun je wat langzamer spreken?
Miasto
Lernen beginnen
stad
mały, niewielki
Lernen beginnen
klein
zaczniemy
Lernen beginnen
we gaan beginnen
moja torba
Lernen beginnen
mijn tas
weź swój długopis
Lernen beginnen
pak je pen
zapomnieć
Lernen beginnen
vergeten
Zapomniałem torby
Lernen beginnen
ik ben mijn tas vergeten
moge dlugopis?
Lernen beginnen
mak ik een pen
Nie mam długopisu
Lernen beginnen
ik heb geen pen
tak oczywiście
Lernen beginnen
ja, hoor
weź swój folder
Lernen beginnen
pak je map
książka
Lernen beginnen
boek
ołówek
Lernen beginnen
potlood
okno
Lernen beginnen
het raam
Mógłbym Cię o coś zapytać?
Lernen beginnen
mag ik iets vragen?
Co to jest?
Lernen beginnen
wat is dit?
to jest okno
Lernen beginnen
dat is een raam
piekarz piecze chleb
Lernen beginnen
een bakker maakt brood
ciasteczka
Lernen beginnen
koekjes
oczywiscie
Lernen beginnen
jazeker
najbliższy
Lernen beginnen
dichtstbijzijnde
miasto
Lernen beginnen
de stad
wieś
Lernen beginnen
dorp
Gdzie jest najbliższy supermarket
Lernen beginnen
Waar is de dichtstbijzijnde supermarkt
Idź w lewo
Lernen beginnen
Ga links
Idź w prawo
Lernen beginnen
Ga rechts
Skręć w prawo przy szkole. Szpital jest po lewej stronie.
Lernen beginnen
Ga rechts bij de school. Links is het ziekenhuis
idź prosto
Lernen beginnen
ga rechtdoor
i wtedy
Lernen beginnen
en dan
Moi rodzice są rozwiedzeni.
Lernen beginnen
Mijn moeder en vader zijn gescheiden
Twój ojciec nie mieszka w Bredzie.
Lernen beginnen
Je vader woont niet in Breda
oglądam
Lernen beginnen
kijk
Siedzę
Lernen beginnen
ik zit
siedzieć
Lernen beginnen
zitten
Stoję
Lernen beginnen
ik sta
stać
Lernen beginnen
staan
Czego się uczysz?
Lernen beginnen
wat leer je?
pisać
Lernen beginnen
schrijven
czytać
Lernen beginnen
lezen
Czytam mój podręcznik szkolny
Lernen beginnen
ik lees mijn schoolboek
Czego uczysz się w szkole?
Lernen beginnen
wat leer je op school?
mówienie, pisanie, czytanie i słuchanie
Lernen beginnen
spreken, schrijven, lezen en luisteren
Jest autobus
Lernen beginnen
daar is de bus
mycie zębów
Lernen beginnen
tanden poetsen
prysznic
Lernen beginnen
de douche
ide wziąść prysznic
Lernen beginnen
Ik ga douchen.
robic pranie
Lernen beginnen
de was doen
ja robic pranie
Lernen beginnen
Ik doe de was.
Nie przyjdziesz na zajęcia.
Lernen beginnen
je komt niet naar de les
szybkiego powrotu do zdrowia
Lernen beginnen
beterschap
z Moniką
Lernen beginnen
met monika
więc nie przychodzisz do mnie
Lernen beginnen
dus je komt niet naar mij
twoje
Lernen beginnen
jouw
jego dzieci
Lernen beginnen
zijn kinderen
jej dziecko
Lernen beginnen
haar kind
rozwiedzeni
Lernen beginnen
gescheiden
Potrzebujesz mojej pomocy?
Lernen beginnen
Heb je mijn hulp nodig
kot
Lernen beginnen
kat
Ładny
Lernen beginnen
mooie
Czy on ma psa?
Lernen beginnen
Heeft hij een hond?
jego
Lernen beginnen
zijn
jej
Lernen beginnen
haar
im, ich
Lernen beginnen
hun
Moi rodzice
Lernen beginnen
mijn ouders
Gdzie pracuje twoja siostra?
Lernen beginnen
Waar werkt je zus?
Jego córka pracuje w biurze
Lernen beginnen
Zijn dochter werkt in een kantoor
Jej ojciec mieszka w Tilburgu
Lernen beginnen
Haar vader woont in Tilburg
Nasze dzieci
Lernen beginnen
Onze kinderen
wasi rodzice
Lernen beginnen
jullie ouders
czy wasza córka jest mężatką?
Lernen beginnen
Is jullie dochter getrouwd?
ich rodzice
Lernen beginnen
hun ouders
Naomi jest ich siostrą
Lernen beginnen
Naomi is hun zus
u (kogoś), przy
Lernen beginnen
bij
zegar
Lernen beginnen
de klok
ktora jest godzina?
Lernen beginnen
Hoe laat is het?
O której godzinie jest przerwa?
Lernen beginnen
hoe laat is het pauze?
Wystarczy spojrzeć na zegar
Lernen beginnen
kijk maar op de klok
jest godzina dziesiąta
Lernen beginnen
het is tien uur
to jest przerwa
Lernen beginnen
het is pauze
miło, kawa
Lernen beginnen
lekker, koffie
Jest czwarta trzydzieści
Lernen beginnen
het is half vief
czas na kawę
Lernen beginnen
tijd voor koffie
spojrz na zegar
Lernen beginnen
kijk naar de klok
zasada, zasady
Lernen beginnen
de regel, de regels
wibrować
Lernen beginnen
trillen
punktualnie
Lernen beginnen
op tijd
za późno
Lernen beginnen
te laat
wyłączone, włączone
Lernen beginnen
uit, aan
zepsuty, zmęczony, wyczerpany
Lernen beginnen
kapot
palić
Lernen beginnen
roken
do środka, w środku
Lernen beginnen
binnen
na zewnątrz, poza
Lernen beginnen
buiten
płot
Lernen beginnen
het hek
Chciałbym porozmawiać o zasadach obowiązujących w szkole.
Lernen beginnen
ik wil graag praten over de regels op school
Telefon musi być wyłączony lub w trybie wibracji.
Lernen beginnen
telefoon moet uit of op trillen
Musisz przybyć na czas
Lernen beginnen
je moet op tijd komen
Zajęcia zaczynają się o dziewiątej
Lernen beginnen
de les begint om negen uur
Mój rower jest zepsuty.
Lernen beginnen
mijn fiets is kapot
Po prostu szybko usiądź
Lernen beginnen
ga maar snel zitten
Czy chcesz zapalić?
Lernen beginnen
wil je roken?
Palenie dozwolone jest wyłącznie na zewnątrz.
Lernen beginnen
je mag alleen buiten roken
nie przy drzwiach
Lernen beginnen
niet bij de deur
pojsc zapalic na zewnątrz
Lernen beginnen
buiten roken
możesz tylko
Lernen beginnen
je mag alleen
rower
Lernen beginnen
de fiets
On Mieszka ze swoim psem na wsi.
Lernen beginnen
Hij woont met zijn hond in een dorp.
Co masz w torbie?
Lernen beginnen
Wat zit er in je tas?
W torebce mam telefon komórkowy i okulary.
Lernen beginnen
In mijn tas zitten mijn mobieltje en mijn bril
klucze
Lernen beginnen
de sleutels
telefon komórkowy
Lernen beginnen
het mobieltje
portfel
Lernen beginnen
de portemonnee
karta płatnicza
Lernen beginnen
de pinpas
okulary
Lernen beginnen
de bril
Jej okulary są na stole.
Lernen beginnen
Haar bril ligt op de tafel
Zwróć uwagę
Lernen beginnen
let op
wolny
Lernen beginnen
vrij
święta Wielkanocne
Lernen beginnen
pasen
kalendarz
Lernen beginnen
de agenda
Zdejmuję płaszcz na zajęciach
Lernen beginnen
ik doe mijn jas uit in de klas
Zdejmuję buty w domu
Lernen beginnen
ik doe mijn schoenen uit in de huis
Lampa jest włączona
Lernen beginnen
de lamp is aan
Czy mogę zapalić
Lernen beginnen
mag ik roken
Czy mogę palić w środku?
Lernen beginnen
mag ik binnen roken
Co jest tutaj zabronione?
Lernen beginnen
wat mag hier niet?
Gdzie można palić?
Lernen beginnen
waar mag je roken
Co jest nie tak z rowerem?
Lernen beginnen
wat is er met de fiets?
klasa jest skończona
Lernen beginnen
de les is afgelopen
następny, przyszły
Lernen beginnen
volgende
do przyszłego tygodnia
Lernen beginnen
tot volgende week
chwyć swój kalendarz
Lernen beginnen
pak je agenda
w poniedziałek
Lernen beginnen
op maandag
2 kwietnia nie ma zajęć.
Lernen beginnen
2 april is er geen les
to jest Wielkanoc
Lernen beginnen
het is dan pasen
bez prac domowych
Lernen beginnen
geen huiswerk
i miłego długiego weekendu
Lernen beginnen
en een fijn lang weekend
Co zapisujesz w swoim planerze?
Lernen beginnen
Wat schrijf je in je agenda?
więc następna lekcja jest w środę
Lernen beginnen
de volgende les is dus op woendag
dać
Lernen beginnen
geven
Zapomniałem mojego folderu
Lernen beginnen
ik ben mijn map vergeten
Ja też nie mam ołówka
Lernen beginnen
ik heb ook geen potlood
pożyczać
Lernen beginnen
lenen
następnie napisz datę
Lernen beginnen
schrijf dan de datum
chcesz pożyczyć mój długopis
Lernen beginnen
wil je mijn pen lenen
We wtorek mamy dzień wolny.
Lernen beginnen
op dinsdag zijn we vrij
jesteś gotowy?
Lernen beginnen
ben je klaar
Czy możesz mi pomóc?
Lernen beginnen
kun je me helpen
co znaczy
Lernen beginnen
wat betekent
jeszcze raz
Lernen beginnen
nog een keer
brudny nie znaczy czysty
Lernen beginnen
vies betekent niet schoon
czysty
Lernen beginnen
schoon
Rozumiem
Lernen beginnen
il begrijp het
Czy możesz mi pomóc jeszcze raz?
Lernen beginnen
kun je me nog een keer helpen
co to jest kot
Lernen beginnen
wat is een kat
kot to zwierzę, kotka
Lernen beginnen
een kat is een dier, een poes
zwierzę
Lernen beginnen
dier
Ich koszulki są pomarańczowe
Lernen beginnen
Hun T-shirts zijn oranje
pomarańczowy
Lernen beginnen
oranje
biały
Lernen beginnen
wit
Jego karta debetowa jest biała
Lernen beginnen
Zijn pinpas is wit
Myślę, że twoja czarna torba jest piękna
Lernen beginnen
Ik vind jouw zwarte tas mooi
czarny
Lernen beginnen
zwarte
Jaki jest twój ulubiony kolor? Mój ulubiony kolor to żółty.
Lernen beginnen
Wat is je lievelingskleur? Mijn lievelingskleur is geel
żółty
Lernen beginnen
geel
Chcę kupić niebieską torbę
Lernen beginnen
Ik wil een blauwe tas kopen
niebieski
Lernen beginnen
blauwe
czerwony
Lernen beginnen
rood
zielony
Lernen beginnen
groen
Zawsze nosi zielone okulary
Lernen beginnen
Hij draagt altijd een groene bril
zawsze
Lernen beginnen
altijd
brązowy
Lernen beginnen
bruin
szary
Lernen beginnen
grijs
Pogoda w Holandii jest często pochmurna
Lernen beginnen
Het weer in Nederland is vaak grijs
często
Lernen beginnen
vaak
nosić
Lernen beginnen
draagt
Jestem wolny
Lernen beginnen
ik ben vrij
oglądać
Lernen beginnen
kijken
rozmawiać
Lernen beginnen
praten
ćwiczyć
Lernen beginnen
oefenen
w następnym tygodniu
Lernen beginnen
volgende week
Co będziesz dzisiaj robić?
Lernen beginnen
wat ga je vandaag doen?
oglądanie filmów, wspólne rozmowy
Lernen beginnen
filmpjes kijken l, samen praten
Jutro mamy sprawdzian.
Lernen beginnen
we hebben morgen een toets
test
Lernen beginnen
de toets
ćwiczę na komputerze
Lernen beginnen
oefenen op de computer
Nie pracuję w piątki.
Lernen beginnen
Op vrijdag werk ik niet
25 grudnia obchodzimy Boże Narodzenie
Lernen beginnen
Op 25 december vieren we Kerstmis
świętować
Lernen beginnen
vieren
Czy wybierasz się do Hiszpanii w maju?
Lernen beginnen
Ga je naar Spanje in mei
nastepny tydzien mam wolne
Lernen beginnen
Ik heb volgende week vrij.
iść, chodzić, spacerować
Lernen beginnen
lopen
Uczniowie idą do szkoły.
Lernen beginnen
de cursisten lopen naar school
Którego słowa brakuje?
Lernen beginnen
welke woord is weg?
Utwórz dobre słowa z liter
Lernen beginnen
maak goede woorden met de letters
Dokąd idzie Nina?
Lernen beginnen
waar gaat Nina naarote?
Dlaczego nie możesz przyjść?
Lernen beginnen
waarom kunt u niet komen?
kto jest twoim nauczycielem
Lernen beginnen
wie is je docent
O której godzinie są twoje zajęcia?
Lernen beginnen
hoe laat heb je les?
Przekażę to dalej
Lernen beginnen
ik geef het door
Nie mogę dziś przyjść
Lernen beginnen
ik kan vandaag niet komen
mam grypę
Lernen beginnen
ik heb griep
To przykre
Lernen beginnen
dat is vervelend
od dziewiatej do dwunastej
Lernen beginnen
van negen tot twaalf
nie wiem
Lernen beginnen
ik weet het niet
wiem, wiesz, wie
Lernen beginnen
weet
Jak długo trwa przerwa?
Lernen beginnen
hoelang duurt de pauze
kwadrans
Lernen beginnen
een kwartier
Jestem bardzo zmęczony
Lernen beginnen
Ik ben heel moe
oni robią
Lernen beginnen
ze maken
trwasz, trwa
Lernen beginnen
duurt
bardzo
Lernen beginnen
heel
przed
Lernen beginnen
voor
po
Lernen beginnen
na
szpital
Lernen beginnen
het ziekenhuis
ślub/ślub
Lernen beginnen
de bruiloft/ trouwen
gratulacje
Lernen beginnen
gefeliciteerd
Czy mogę coś powiedzieć?
Lernen beginnen
mag ik iets zeggen?
Dlaczego nie
Lernen beginnen
waarom niet
Mam umówione spotkanie
Lernen beginnen
ik heb een afspraak
Wizyta musi odbyć się przed lub po lekcji
Lernen beginnen
een afspraak moet voor of na de les
Gdzie masz umówioną wizytę?
Lernen beginnen
waar heb jij een afspraak
To będzie możliwe tylko w czwartek.
Lernen beginnen
dat kan alleen op donderdag
Nie mam umówionego spotkania
Lernen beginnen
ik heb geen afspraak
Mam ślub
Lernen beginnen
ik heb een bruiloft
Mój brat się żeni.
Lernen beginnen
mijn broer gaat trouwen
tylko
Lernen beginnen
alleen
Och, jaka szkoda
Lernen beginnen
o, jammer
to niemożliwe
Lernen beginnen
dat kan niet
do włącznie
Lernen beginnen
tot en met
Boże Narodzenie
Lernen beginnen
kerst
inny, inna, inne
Lernen beginnen
ander
zrób na stronie 95
Lernen beginnen
maak op bladzijde 95
Kiedy zaczynają się wakacje?
Lernen beginnen
wanneer begint de vakantie
25 i 26 grudnia to święta Bożego Narodzenia
Lernen beginnen
25 en 26 december is het kerst
Więc teraz jesteśmy wolni
Lernen beginnen
dus jullie zijn nu vrij
jak długo trwają wakacje
Lernen beginnen
hoelang duurt de vakantie
Po wakacjach mamy zajęcia w innej klasie.
Lernen beginnen
we hebben na de vakantie les in een ander lokal
po świętach
Lernen beginnen
na de vakantie
nie ma już w pokoju 7
Lernen beginnen
niet meer in lokaal 7
na pierwszym piętrze
Lernen beginnen
op de eerste verdieping
pierwszy, pierwsza, pierwsze
Lernen beginnen
eerste
piętro
Lernen beginnen
verdieping
do następnego roku
Lernen beginnen
tot volgende jaar
temperówka
Lernen beginnen
de puntenslijper
kosz
Lernen beginnen
de prullenbak
Czy mogę pożyczyć Twoją gumkę?
Lernen beginnen
mag ik je gum lenen
Czy mogę pożyczyć gumkę?
Lernen beginnen
mag ik jouw gum lenen
Potrzebuję gumki
Lernen beginnen
ik heb de gum nodig
potrzebny
Lernen beginnen
nodig
Potrzebuję temperówki
Lernen beginnen
ik heb een puntenslijper nodig
Nie, to jej temperówka.
Lernen beginnen
nee, dat is haar puntenslijper
Czy to twoja temperówka?
Lernen beginnen
is dat jouw puntenslijper
To twoje śmieci?
Lernen beginnen
is dat jouw rommel?
To jego śmieci
Lernen beginnen
dat is zijn rommel
Wyrzucam to do śmieci.
Lernen beginnen
ik gooi het in de prullenbak
wyrzucic to do kosza
Lernen beginnen
gooi het in de prullenbak
W poniedziałek kupuję artykuły spożywcze
Lernen beginnen
Op maandag koop ik boodschappen
Mój brat ma trzydzieści lat
Lernen beginnen
Mijn broer is dertig jaar
Zakupy spożywcze kosztują dziewięćdziesiąt euro.
Lernen beginnen
De boodschappen kosten negentig euro
kuzyn
Lernen beginnen
neef
szwagier
Lernen beginnen
zwager
wnuki
Lernen beginnen
kleinkinderen
szwagierka
Lernen beginnen
schoonzus
Co czytasz?
Lernen beginnen
wat lees je?
Ile masz długopisów?
Lernen beginnen
hoeveel pennen heb jij?
ile liter
Lernen beginnen
hoeveel letters
Ile liter ma zdanie?
Lernen beginnen
hoeveel letters heeft de zin?
jak to piszesz?
Lernen beginnen
hoe schrijf je dat?
ludzie
Lernen beginnen
de mensen
To są nożyczki
Lernen beginnen
dat is een schaar
Jakie jest zadanie domowe?
Lernen beginnen
wat is het huiswerk
Nie słyszę cię
Lernen beginnen
ik hoor je niet
Czy możesz to powiedzieć jeszcze raz?
Lernen beginnen
kun je het nog een keer zeggen
musimy
Lernen beginnen
we moeten
Idź prosto tutaj
Lernen beginnen
je gaat hier rechtdoor
sygnalizacja świetlna
Lernen beginnen
de stoplichen
w lewo
Lernen beginnen
naar links
do końca ulicy
Lernen beginnen
tot het einde van de street
Czy chciałbyś mówić wolniej?
Lernen beginnen
wilt u langzamer praten
do końca
Lernen beginnen
tot het eind
Gdzie jest przystanek autobusowy?
Lernen beginnen
waar is de bushalte?
najpierw idź w prawo, a potem znowu w prawo
Lernen beginnen
ga eerst rechts en dan weer rechts
znowu
Lernen beginnen
weer
Dokąd idziesz?
Lernen beginnen
waar ga jij naartoe
Co o tym myślisz?
Lernen beginnen
wat vind je?
bardzo
Lernen beginnen
heel veel
słuchamy
Lernen beginnen
we luisteren
Ćwiczymy na komputerze
Lernen beginnen
we oefenen op de computer
Czy zamierzasz ćwiczyć?
Lernen beginnen
ga je sporten?
Idę pobiegać
Lernen beginnen
ik ga hardlopen
Co robisz w szkole?
Lernen beginnen
wat doe je allemaal op school?
Co sprawia Ci trudność?
Lernen beginnen
wat vind je moeilijk?
Co ci się podoba?
Lernen beginnen
wat vind je leuk?
tego ranka
Lernen beginnen
vanochtend
tego popołudnia
Lernen beginnen
vanmiddag
dziś wieczorem
Lernen beginnen
vanavond
sygnał dźwiękowy
Lernen beginnen
de piep
wiadomość
Lernen beginnen
de boodschap
Nagraj wiadomość po usłyszeniu sygnału.
Lernen beginnen
spreek na de piep je boodschap in
ponieważ
Lernen beginnen
want
ponieważ muszę iść
Lernen beginnen
want ik moet naar
ponieważ moja córka jest chora
Lernen beginnen
want mijn dochter is ziek
Dlaczego się spóźniłeś?
Lernen beginnen
waarom ben je te laat
Spóźniłem się na autobus
Lernen beginnen
ik heb de bus gemist
mój rower został skradziony
Lernen beginnen
mijn fiets is gestolen
Zgubiłem kluczyk do roweru
Lernen beginnen
ik ben mijn fietssleutel kwijt
klucz do roweru
Lernen beginnen
fietssleutel
urodziny
Lernen beginnen
jarig
mam urodziny
Lernen beginnen
Ik ben jarig
Kiedy są twoje urodziny
Lernen beginnen
wanneer ben je jarig
Wszystkiego najlepszego z okazji urodzin
Lernen beginnen
gelukkige berjaardag
moje urodziny świętujemy w restauracji
Lernen beginnen
We vieren mijn verjaardag in een restaurant.
Czy pamiętasz coś jeszcze?
Lernen beginnen
weet jij nog iets?
przekazać wiadomość
Lernen beginnen
geef de boodschap door
rzecz, rzeczy
Lernen beginnen
het ding, de dingen
Dobrze, wejdź szybko
Lernen beginnen
ok, kom snel binnen
Nie mogę dziś iść do pracy
Lernen beginnen
ik kan vandaag niet naar werk
Muszę iść do szpitala
Lernen beginnen
ik moet naar het ziekenhuis
Co chcesz zjeść?
Lernen beginnen
wat wil je eten
czego sie napijesz
Lernen beginnen
wat wil je drinken
chcesz isc na zewnatrz?
Lernen beginnen
Wil je naar buiten?
poproszę kawę
Lernen beginnen
koffie graag
sok
Lernen beginnen
het sap
ser
Lernen beginnen
de kaas
Chcesz kanapkę?
Lernen beginnen
wil je een broodje
herbata
Lernen beginnen
de thee
woda
Lernen beginnen
het water
Nie mam tego
Lernen beginnen
dat heb ik niet
A więc piwo.
Lernen beginnen
dan maar bier

Sie müssen eingeloggt sein, um einen Kommentar zu schreiben.