struktura zdania

 0    84 Datenblatt    malgorzatastas
mp3 downloaden Drucken spielen überprüfen
 
Frage Antworten
wyrażać
wyrażać myśli lub uczucia
Lernen beginnen
uitdrukken
Hij kan zich goed uitdrukken.
wyrażać się
okazywać uczucia lub opinie
Lernen beginnen
zich uiten
Ze uitte haar ongenoegen.
powiedzenie
znane powiedzenie
Lernen beginnen
het gezegde
Het gezegde luidt: oefening baart kunst.
przysłowie
popularne zdanie z mądrością życiową
Lernen beginnen
het spreekwoord
Dat spreekwoord ken ik.
zapraszać
prosić kogoś by przyszedł
Lernen beginnen
uitnodigen
We nodigen hem uit voor het feest.
pozdrawiać
przekazać pozdrowienia
Lernen beginnen
groeten
Groet je ouders van mij.
wprowadzać (np. temat)
rozpocząć temat lub wydarzenie
Lernen beginnen
inleiden
De docent leidde het onderwerp in.
raport / sprawozdanie
pisemna relacja z wydarzenia
Lernen beginnen
het verslag
Ik schrijf een verslag.
kłamać
mówić nieprawdę
Lernen beginnen
liegen
Hij liegt altijd.
przyznać
uznać że coś jest prawdą
Lernen beginnen
erkennen
Hij erkende zijn fout.
przechwalać się
chwalić się przesadnie
Lernen beginnen
opscheppen
Hij schept altijd op over zijn geld.
wymówka
fałszywy powód
Lernen beginnen
de smoes
Dat is maar een smoes.
gafa / wpadka
duży błąd
Lernen beginnen
de blunder
Het was een grote blunder.
uwaga / komentarz
krótka uwaga
Lernen beginnen
de opmerking
Hij maakte een opmerking.
przepraszać
formalnie przepraszać
Lernen beginnen
zich verontschuldigen
Hij verontschuldigde zich voor de fout.
przepraszać
mniej formalne przeprosiny
Lernen beginnen
zich excuseren
Ik excuseer me voor de vertraging.
przekonać do
sprawić że ktoś w coś uwierzy
Lernen beginnen
overtuigen van
Hij overtuigde mij van zijn plan.
obiecać
zobowiązać się coś zrobić
Lernen beginnen
beloven
Ik beloof het morgen te doen.
gwarantować
zapewnić że coś na pewno będzie
Lernen beginnen
garanderen
We garanderen kwaliteit.
wołać
mówić głośno do kogoś
Lernen beginnen
roepen
Hij riep mijn naam.
krzyczeć
bardzo głośno mówić
Lernen beginnen
schreeuwen
Ze schreeuwde van pijn.
szeptać
mówić bardzo cicho
Lernen beginnen
fluisteren
Hij fluisterde een geheim.
dyszeć
oddychać ciężko np. po biegu
Lernen beginnen
hijgen
Hij hijgde na het rennen.
mruczeć
mówić cicho z niezadowoleniem
Lernen beginnen
brommen
Hij bromde iets onverstaanbaars.
mamrotać
mówić niewyraźnie pod nosem
Lernen beginnen
mompelen
Hij mompelde een antwoord.
gadać (bez przerwy)
dużo mówić o niczym ważnym
Lernen beginnen
babbelen
Ze babbelden uren.
plotkować / gadać
rozmawiać swobodnie
Lernen beginnen
kletsen
We zaten te kletsen.
plotkować o kimś
mówić o kimś za plecami
Lernen beginnen
roddelen
Ze roddelen over collega's.
narzekać
mówić że coś jest złe
Lernen beginnen
klagen
Hij klaagt over het weer.
marudzić
ciągle narzekać
Lernen beginnen
zeuren
Het kind zeurde de hele dag.
odmówić
nie zgodzić się coś zrobić
Lernen beginnen
weigeren
Hij weigerde te helpen.
żądać
stanowczo domagać się czegoś
Lernen beginnen
eisen
De werknemer eist een hoger salaris.
ostrzegać
uprzedzać o niebezpieczeństwie
Lernen beginnen
waarschuwen
Ik waarschuw je voor dat probleem.
pozwalać
formalne „pozwalać”
Lernen beginnen
toelaten
De leraar liet hem niet toe tot het examen.
pozwalać
zgadzać się na coś
Lernen beginnen
toestaan
Mijn ouders staan dat niet toe.
tłumaczyć (język)
przekładać tekst na inny język
Lernen beginnen
vertalen
Hij vertaalt een boek.
tłumacz (pisemny)
osoba tłumacząca teksty
Lernen beginnen
de vertaler
De vertaler werkt met boeken.
tłumacz ustny
tłumaczy rozmowę na żywo
Lernen beginnen
de tolk
De tolk vertaalde het gesprek.
rzecznik
osoba przemawiająca w imieniu organizacji
Lernen beginnen
de woordvoerder
De woordvoerder gaf een verklaring.
elokwentny
ktoś kto mówi bardzo dobrze i płynnie
Lernen beginnen
welbespraakt
Hij is een welbespraakte spreker.
ustny
dotyczący mówienia
Lernen beginnen
mondeling
We hebben een mondeling examen.
pisemny
w formie pisma
Lernen beginnen
schriftelijk
Je moet een schriftelijk verslag maken.
wyzywać od
obrażać kogoś nazywając go kimś
Lernen beginnen
uitmaken voor
Hij maakte mij uit voor idioot.
obrażać
ranić kogoś słowami
Lernen beginnen
beledigen
Dat kan mij beledigen.
przeklinać
używać wulgarnych słów
Lernen beginnen
vloeken
Hij vloekte luid.
wyzywać / kląć na
obrażać kogoś ze złości
Lernen beginnen
schelden op
Hij schold op de scheidsrechter.
powstrzymywać się
kontrolować emocje lub słowa
Lernen beginnen
inhouden
Ik moest mijn lach inhouden.
twierdzić
mówić że coś jest prawdą
Lernen beginnen
beweren
Hij beweert dat hij gelijk heeft.
twierdzenie
zdanie które ktoś uważa za prawdę
Lernen beginnen
de bewering
Die bewering klopt niet.
usprawiedliwiać
tłumaczyć że coś było słuszne
Lernen beginnen
rechtvaardigen
Hij probeerde zijn gedrag te rechtvaardigen.
przesadzać
wyolbrzymiać coś
Lernen beginnen
overdrijven
Hij overdrijft altijd.
rozkaz
polecenie od przełożonego
Lernen beginnen
het bevel
Het bevel werd gegeven.
rozkazywać
wydawać rozkaz
Lernen beginnen
bevelen
De generaal beval de aanval.
spotkać (zaplanowane)
spotkać się z kimś
Lernen beginnen
ontmoeten
Ik ontmoet hem morgen.
natknąć się
spotkać kogoś przypadkiem
Lernen beginnen
tegenkomen
Ik kwam hem op straat tegen.
spotkać
bardziej formalne „spotkać”
Lernen beginnen
treffen
We troffen elkaar op het station.
poznać kogoś
poznać kogoś po raz pierwszy
Lernen beginnen
kennismaken
Leuk om je te leren kennen.
zwrócić się do
poprosić kogoś o pomoc
Lernen beginnen
zich wenden tot
Hij wendde zich tot de politie.
sukces
dobre osiągnięcie
Lernen beginnen
het succes
Het project was een succes.
przyjemność
coś sprawiającego radość
Lernen beginnen
het genoegen
Het was mij een genoegen.
pasować
dobrze wyglądać lub być odpowiednim
Lernen beginnen
passen
Die jas past je goed.
czekać z niecierpliwością
bardzo na coś czekać
Lernen beginnen
uitkijken naar
Ik kijk uit naar de vakantie.
zakończyć
doprowadzić do końca
Lernen beginnen
afronden
We ronden het project af.
wyjaśniać
tłumaczyć coś bardziej szczegółowo
Lernen beginnen
toelichten
Hij lichtte het plan toe.
właściwie / tak naprawdę
używane gdy doprecyzowujemy coś
Lernen beginnen
eigenlijk
Eigenlijk heb ik geen tijd.
nawiasem mówiąc
ik heb hem gisteren gezien.
dodanie dodatkowej informacji
Lernen beginnen
trouwens
Trouwens
ponadto
dodaje argument lub informację
Lernen beginnen
bovendien
Het is goedkoop en bovendien goed.
dodatkowo
oprócz tego
Lernen beginnen
daarnaast
Daarnaast werk ik ook in het weekend.
najwyraźniej
coś co wydaje się prawdą na podstawie sytuacji
Lernen beginnen
blijkbaar
Blijkbaar heeft hij het vergeten.
mianowicie / ponieważ
namelijk ik ben ziek.
wprowadza wyjaśnienie
Lernen beginnen
namelijk
Ik ga niet mee
zależeć od
coś jest uzależnione od czegoś
Lernen beginnen
afhangen van
Het hangt van het weer af.
być spowodowane przez
coś jest czyjąś winą lub przyczyną czegoś
Lernen beginnen
liggen aan
Het ligt aan jou.
kiedyś / raz
może znaczyć „pewnego razu” albo „kiedyś”
Lernen beginnen
eens
We moeten eens praten.
oceniać
wydawać opinię o czymś
Lernen beginnen
beoordelen
De docent beoordeelt het werk.
konsultować się / naradzać
omawiać coś razem
Lernen beginnen
overleggen
We moeten eerst overleggen.
narada / konsultacja
spotkanie w celu omówienia czegoś
Lernen beginnen
het overleg
Het overleg duurt lang.
dotyczyć
odnosić się do czegoś
Lernen beginnen
betreffen
De regels betreffen iedereen.
dotyczyć / mieć związek z
coś dotyczy kogoś
Lernen beginnen
aangaan
Dat gaat mij niet aan.
odnośnie / dotyczący
formalne „o czymś”
Lernen beginnen
omtrent
Informatie omtrent het project.
według
zgodnie z opinią lub źródłem
Lernen beginnen
volgens
Volgens mij is dat goed.
zwłaszcza
szczególnie coś podkreśla
Lernen beginnen
vooral
Ik hou vooral van koffie.
głównie
przede wszystkim
Lernen beginnen
hoofdzakelijk
Het probleem is hoofdzakelijk financieel.
w końcu / na koniec
końcowy argument
Lernen beginnen
tenslotte
Tenslotte is het jouw keuze.
możliwe
coś może się zdarzyć
Lernen beginnen
mogelijk
Het is mogelijk dat hij komt.

Sie müssen eingeloggt sein, um einen Kommentar zu schreiben.