Toggle navigation
Erstellen Sie ein Konto
Anmelden
Karteikarten erstellen
Kurse
Vaste voorzetsels
Vaste voorzetsels
0
157 Datenblatt
bartoszkowalewski90
Lernen beginnen
mp3 downloaden
×
Perfekt für Zuhörer
–
verwandeln Sie Ihre Worte in Audiocurs und lernen Sie:
wenn Sie mit dem Bus oder dem Auto fahren
mit einem Hund spazieren gehen
Warten in der Warteschlange
vor dem Zubettgehen
Diese Funktion ist nur für Premium-Benutzer verfügbar.
aktiviere das Premiumkonto
Beispielaufnahme
Drucken
×
Perfekt außerhalb des Hauses
–
drucke deine Worte:
als praktische Liste
als Teile geschnitten werden
Diese Funktion ist nur für Premium-Benutzer verfügbar.
aktiviere das Premiumkonto
Musterausdruck
spielen
überprüfen
Frage
Antworten
Ik wacht ___ je reactie.
Lernen beginnen
wachten op
Hij klaagt ___ zijn werk.
Lernen beginnen
klagen over
Ze is trots ___ haar dochter.
Lernen beginnen
trots zijn op
Ik heb moeite ___ dit uit te leggen.
Lernen beginnen
moeite hebben met
We zijn afhankelijk ___ het weer.
Lernen beginnen
afhankelijk zijn van
Hij twijfelt ___ zijn beslissing.
Lernen beginnen
twijfelen aan
Ze is tevreden ___ het resultaat.
Lernen beginnen
tevreden zijn met
Ik geloof niet ___ toeval.
Lernen beginnen
geloven in
Hij rekent ___ jouw hulp.
Lernen beginnen
rekenen op
Ze is geïnteresseerd ___ kunst.
Lernen beginnen
geinteresseerd zijn in
Ik ben bang ___ fouten te maken.
Lernen beginnen
bang zijn voor
We bereiden ons ___ het examen.
Lernen beginnen
zich voorbereiden op
Hij is verantwoordelijk ___ het project.
Lernen beginnen
verantwoordelijk zijn voor
Ik ben het niet eens ___ hem.
Lernen beginnen
het eens zijn met
Ze wacht ___ de bus.
Lernen beginnen
wachten op
Hij heeft last ___ stress.
Lernen beginnen
last hebben van
Ik denk vaak ___ mijn toekomst.
Lernen beginnen
denken over
We praten ___ het probleem.
Lernen beginnen
praten over
Hij houdt rekening ___ anderen.
Lernen beginnen
rekening houden met
Ze schaamt zich ___ haar gedrag.
Lernen beginnen
zich schamen voor
Ik ben gewend ___ vroeg opstaan.
Lernen beginnen
gewend zijn aan
Hij maakt zich zorgen ___ zijn baan.
Lernen beginnen
zich zorgen maken over
We zijn blij ___ het resultaat.
Lernen beginnen
blij zijn met
Ik heb vertrouwen ___ hem.
Lernen beginnen
vertrouwen hebben in
Hij reageerde boos ___ het nieuws.
Lernen beginnen
reageren op
Ze heeft bezwaar ___ die beslissing.
Lernen beginnen
bezwaar hebben tegen
Ik ben bekend ___ dat systeem.
Lernen beginnen
bekend zijn met
Hij is goed ___ wiskunde.
Lernen beginnen
goed zijn in
We zijn trots ___ ons team.
Lernen beginnen
trots zijn op
Hij heeft ervaring ___ dit werk.
Lernen beginnen
ervaring hebben met
Ik ben klaar ___ dit gesprek.
Lernen beginnen
klaar zijn met
Ze gelooft sterk ___ zichzelf.
Lernen beginnen
geloven in
Hij is boos ___ zijn collega.
Lernen beginnen
boos zijn op
Hij dringt ___ een snelle oplossing.
Lernen beginnen
aandringen op
We hebben te maken ___ een lastig probleem.
Lernen beginnen
te maken hebben met
Ze baseert haar mening ___ feiten.
Lernen beginnen
baseren op
Ik heb geen invloed ___ die beslissing.
Lernen beginnen
invloed hebben op
Hij beschuldigt hem ___ fraude.
Lernen beginnen
beschuldigen van
We zijn niet zeker ___ de uitkomst.
Lernen beginnen
zeker zijn van
Ze twijfelt sterk ___ haar keuze.
Lernen beginnen
twijfelen aan
Ik ben me bewust ___ de risico’s.
Lernen beginnen
zich bewust zijn van
Hij heeft zich verdiept ___ het onderwerp.
Lernen beginnen
zich verdiepen in
We houden ons ___ de regels.
Lernen beginnen
zich houden aan
Ze heeft geen begrip ___ zijn situatie.
Mam zrozumienie dla twojej sytuacji
Lernen beginnen
begrip hebben voor
Ik ben teleurgesteld ___ het resultaat.
Lernen beginnen
teleurgesteld zijn in
Hij heeft zich gespecialiseerd ___ IT.
Lernen beginnen
zich specialiseren in
We streven ___ verbetering.
Lernen beginnen
streven naar
Ze rekent ___ een positieve reactie.
Lernen beginnen
rekenen op
Ik maak bezwaar ___ die maatregel.
Lernen beginnen
bezwaar maken tegen
Hij is niet vatbaar ___ kritiek.
być podatnym na
Lernen beginnen
vatbaar zijn voor
We beschikken ___ voldoende middelen.
dysponować czymś / mieć do dyspozycji
Lernen beginnen
beschikken over
Ze beroept zich ___ haar ervaring.
powoływać się na coś
Lernen beginnen
zich beroepen op
Ik zie af ___ dat plan.
Lernen beginnen
afzien van
Hij is geneigd ___ snel te oordelen.
Lernen beginnen
geneigd zijn tot
We hebben behoefte ___ duidelijkheid.
Lernen beginnen
behoefte hebben aan
Ze is overtuigd ___ haar gelijk.
Lernen beginnen
overtuigd zijn van
Ik heb moeite ___ veranderingen.
Lernen beginnen
moeite hebben met
Hij verzet zich ___ die beslissing.
sprzeciwiać się czemuś / stawiać opór / protestować przeciwko
Lernen beginnen
zich verzetten tegen
Hij moet zich voortaan ___ de regels houden.
od tej pory musi przestrzegać zasad
Lernen beginnen
aan
We hebben afgesproken ons voortaan ___ het plan te houden.
umówiliśmy się, że od teraz będziemy trzymać się planu
Lernen beginnen
aan
Zij beloofde zich voortaan ___ de afspraken te houden.
obiecała, że od tej pory będzie dotrzymywać ustaleń
Lernen beginnen
aan
Hij kwam ___ het idee om eerder te vertrekken.
wpadł na pomysł, żeby wyjść wcześniej
Lernen beginnen
op
Hoe ben je ___ dat idee gekomen?
jak wpadłeś na ten pomysł?
Lernen beginnen
op
Ze is pas later ___ het idee gekomen.
dopiero później wpadła na ten pomysł
Lernen beginnen
op
Zijn mening ___ links.
skłania się ku (poglądy)
Lernen beginnen
neigt naar
Het gesprek ___ een conflict.
zmierza ku czemuś (tendencja)
Lernen beginnen
neigt naar
Ik ___ ernaar om dat voorstel te accepteren.
mieć skłonność do czegoś
Lernen beginnen
neig
Succes is ___ hard werken.
coś zawsze idzie w parze z czymś
Lernen beginnen
onlosmakelijk verbonden met
Vrijheid is ___ verantwoordelijkheid.
nierozerwalnie związane z
Lernen beginnen
onlosmakelijk verbonden met
De docent legde de ___ grammatica.
położyć nacisk na
Lernen beginnen
nadruk op
In dit rapport wordt de ___ duurzaamheid ___.
podkreślać coś
Lernen beginnen
nadruk op gelegd
Zij legt veel ___ samenwerking.
kłaść duży nacisk
Lernen beginnen
nadruk op
Hij geeft eigenlijk niet ___ wat anderen denken.
nie przejmuje się
Lernen beginnen
geven om
Ze geeft wel ___ haar familie.
zależy jej na kimś
Lernen beginnen
geeft om
De docent legde de ___ grammatica.
położyć nacisk na
Lernen beginnen
nadruk op
In dit rapport wordt de ___ duurzaamheid gelegd.
podkreślać coś
Lernen beginnen
nadruk op
Zij legt veel ___ ___ samenwerking.
kłaść duży nacisk
Lernen beginnen
nadruk op
Hij geeft eigenlijk niet ___ wat anderen denken.
nie przejmuje się
Lernen beginnen
om
Ze geeft wel ___ haar familie.
zależy jej na kimś
Lernen beginnen
om
De arts ___ het hem ___ roken.
Lernen beginnen
raadde van
odradzić coś
Ik zou je ___ om dat te doen.
Lernen beginnen
afraden
odradzać jakiś pomysł
Ze hebben mij sterk ___ die investering.
stanowczo odradzić
Lernen beginnen
afgeraden
Mensen ___ zich ___ huis tijdens de lockdown.
zamykać się w domu
Lernen beginnen
sloten in
Hij ___ zich dagenlang ___ zijn kamer.
zamykać się w pokoju
Lernen beginnen
sloot in
Het is ongezond om je zo ___ ___ huis.
izolować się w domu
Lernen beginnen
sluiten in
Zij ___ zich ___ voor het milieu.
in
Lernen beginnen
zetten
angażować się na rzecz
Veel vrijwilligers ___ zich ___ kwetsbare mensen.
poświęcać się komuś
Lernen beginnen
zetten in
De organisatie ___ zich actief ___ onderwijs.
aktywnie działać na rzecz
Lernen beginnen
zet in
Duizenden mensen ___ ___ ___ om te protesteren.
wyjść na ulice
Lernen beginnen
gaan de straat op
zawsze „op”, kontekst protestów
Steeds meer burgers ___ ___ ___.
manifestować
Lernen beginnen
gaan de straat op
częste w newsach
Jongeren ___ ___ ___ voor hun rechten.
wyszli na ulice
Lernen beginnen
gingen de straat op
czas przeszły, media
Iemand nam een video ___ het incident.
zrobić nagranie
Lernen beginnen
video op
zawsze „opnemen van”, nie „over”
Ze heeft een ___ ___ de arrestatie.
zarejestrować wideo
Lernen beginnen
video opgenomen
częste w newsach/policji
Hij probeerde stiekem een ___ ___ haar te nemen.
potajemnie nagrać
Lernen beginnen
video op te nemen
van = obiekt nagrania
In de ___ ___ de verkiezingen liep de spanning op.
okres poprzedzający
Lernen beginnen
aanloop naar
zawsze „naar”, kontekst czasowy
De media besteden veel aandacht aan de ___ het WK.
przed czymś ważnym
Lernen beginnen
aanloop naar
analizy/news
In de ___ het proces gebeurden er fouten.
faza przygotowawcza
Lernen beginnen
aanloop naar
formalny rejestr
Wat heeft hem ___ ___ dit gedrag?
co go skłoniło
Lernen beginnen
aangezet tot
zawsze „aanzetten tot”
Die film heeft mij aangezet ___ nadenken.
zainspirować do
Lernen beginnen
aangezet tot
często o myśleniu/działaniu
De uitspraak kan mensen ___ ___ geweld.
podżegać do
Lernen beginnen
aanzetten tot
częste w prawie/mediach
Ik stond versteld ___ zijn reactie.
być zdumionym
Lernen beginnen
versteld van
zawsze „van”, emocjonalna reakcja
We stonden ___ ___ de snelheid.
zaskoczeni
Lernen beginnen
versteld van
częste w mowie/newsach
Zij stond ___ ___ wat er gebeurde.
osłupieć
Lernen beginnen
versteld van
często w czasie przeszłym
Ik reken volledig ___ jou.
liczyć na
Lernen beginnen
op
zawsze „op”, zaufanie
Hij wacht al uren ___ de bus.
czekać na
Lernen beginnen
op
nigdy „voor”
Ze is trots ___ haar werk.
być dumnym
Lernen beginnen
op
emocje/ocena
Ik heb geen zin ___ regen.
nie mieć ochoty
Lernen beginnen
in
częste w mowie
Dat hangt helemaal ___ jou af.
zależeć od
Lernen beginnen
van
zawsze „af van”
Hij is verantwoordelijk ___ het project.
odpowiedzialny za
Lernen beginnen
voor
formalnie/codziennie
Ze gelooft niet ___ toeval.
wierzyć w
Lernen beginnen
in
przekonania
Ik heb last ___ mijn rug.
dokucza mi
Lernen beginnen
van
fizycznie/psychicznie
Hij is boos ___ mij.
zły na
Lernen beginnen
op
emocje
Ze is bang ___ honden.
bać się
Lernen beginnen
voor
zawsze „voor”
Ik twijfel ___ zijn verhaal.
wątpić w
Lernen beginnen
aan
opinia/ocena
We zijn tevreden ___ het resultaat.
zadowoleni z
Lernen beginnen
met
ocena końcowa
Hij klaagde ___ het lawaai.
narzekać na
Lernen beginnen
over
temat skargi
Ze zorgt ___ haar ouders.
opiekować się
Lernen beginnen
voor
odpowiedzialność
Ik ben benieuwd ___ je reactie.
ciekawy
Lernen beginnen
naar
zawsze „naar”
Hij schrok ___ het geluid.
przestraszyć się
Lernen beginnen
van
reakcja nagła
Dat lijkt ___ een goed idee.
wydawać się
Lernen beginnen
op
porównanie
Ze is verslaafd ___ koffie.
uzależniona od
Lernen beginnen
aan
stan
Ik vertrouw ___ jou.
ufać
Lernen beginnen
op
relacje
Hij beschikt ___ veel ervaring.
dysponować
Lernen beginnen
over
formalno-praca
Dat heeft niets ___ mij te maken.
nie dotyczy mnie
Lernen beginnen
met
idiom codzienny
Ik ben gewend ___ vroeg opstaan.
przyzwyczajony do
Lernen beginnen
aan
proces
Hij interesseert zich ___ politiek.
interesować się
Lernen beginnen
voor
zainteresowania
Ze ergert zich ___ zijn gedrag.
irytować się
Lernen beginnen
aan
emocje
Ik droom ___ een huis aan zee.
marzyć o
Lernen beginnen
van
obrazy/cele
Hij twijfelt niet ___ zijn beslissing.
nie wątpić
Lernen beginnen
aan
pewność
We concentreren ons ___ het probleem.
skupić się
Lernen beginnen
op
praca/myślenie
Ze waarschuwde ons ___ gevaar.
ostrzegać przed
Lernen beginnen
voor
bezpieczeństwo
Ik ben afhankelijk ___ mijn auto.
zależny od
Lernen beginnen
van
codzienne
Hij verbaasde zich ___ de uitslag.
zdziwić się
Lernen beginnen
over
reakcja
De waarheid kwam eindelijk ___.
wyszła na jaw
Lernen beginnen
tevoorschijn
zawsze z „komen”, ujawnienie
Zij zet zich actief ___ het milieu.
angażować się na rzecz
Lernen beginnen
zetten in voor
Hij heeft zich jarenlang ingezet ___ dit project.
poświęcać się
Lernen beginnen
ingezet voor
Veel vrijwilligers zetten zich in ___ kwetsbare mensen.
działać dla
Lernen beginnen
zetten in voor
We moeten samen de ___.
wziąć się do roboty
Lernen beginnen
schouders eronder zetten
idiom: wspólny wysiłek
Hij besloot eindelijk de ___.
zabrać się za coś
Lernen beginnen
schouders eronder te zetten
„te zetten” w bezokoliczniku
Als iedereen de ___, lukt het wel.
wspólny wysiłek
Lernen beginnen
schouders eronder zet
zawsze liczba mnoga „schouders”
Voor hulp kun je bij de gemeente ___.
zwrócić się do
Lernen beginnen
terechtkunnen bij
terechtkunnen bij = instytucja/osoba
Je kunt met vragen bij ons ___.
zgłosić się do
Lernen beginnen
terecht bij
Klanten kunnen met klachten ___ dit nummer terecht.
zgłaszać pod
Lernen beginnen
terecht op
Je kunt hem aan zijn stem ___.
rozpoznać po
Lernen beginnen
aan herkennen
Het merk is makkelijk te herkennen ___ het logo.
łatwo rozpoznawalny po
Lernen beginnen
te herkennen aan
częsty schemat przymiotnikowy
Ze herkende hem meteen ___ zijn lach.
po śmiechu
Lernen beginnen
aan
Het is tijd om woorden om te ___ in daden.
przekuć w czyny
Lernen beginnen
om te zetten in
Ze ___ haar plannen om in actie.
wcielić w życie
Lernen beginnen
om in
Beloftes moeten worden omgezet ___ concrete stappen.
zostać przekształcone w
Lernen beginnen
omgezet in
Hij heeft de wet ___.
złamał prawo
Lernen beginnen
overtreden
typowe: wet/regels/verbod/voorschriften
De chauffeur ___ de verkeersregels.
narusza przepisy
Lernen beginnen
overtreedt
Het verbod werd massaal ___.
został złamany
Lernen beginnen
overtreden
De sleutels zijn plotseling ___.
klucze nagle zniknęły
Lernen beginnen
verdwenen
nagle / bez śladu
Hij ___ zonder iets te zeggen.
zniknął bez słowa
Lernen beginnen
verdween
osoba nagle znika
De pijn zal langzaam ___.
ból powoli zniknie
Lernen beginnen
verdwijnen
De politie kwam de verdachte ___.
policja natrafiła na podejrzanego
Lernen beginnen
op het spoor
znaleźć trop
We moeten het probleem snel ___.
musimy zlokalizować problem
Lernen beginnen
op het spoor
znaleźć źródło
Karteikarten erstellen
Nederlands, Vlaams
Sie müssen eingeloggt sein, um einen Kommentar zu schreiben.
×
Main
Der Fortschrittsbalken
Uhr
Erzwingen gute Antwort
Inhalt
Text
Beispieltext
Bilder
Aufnahmen
Aufnahmen beispiels
Aufnahmen nativen
Betonen Grammatik
Optionen Rezept
ignorieren:
Räume
nationalen Zeichen
Klammern
Zeichensetzung
empfindlich
kein Gegenstand des Artikels
vereint Verknüpfungen
bestellen
Fehler melden
Danke für den Hinweis :)
1
2
3
4
überprüfen
weiter
Ich bin direkt ↑
(
Tipp:
Durch Drücken
der Eingabetaste
hält die Antwort so
schlecht
Tip2:
zurück zu der Frage zu sehen, klicken Sie auf den Merkzettel )
Ich weiß nicht,
I
Antwort anzeigen
überprüfen
weiter
Ich bin direkt ↑
(
Tipp:
Durch Drücken
der Eingabetaste
hält die Antwort so
schlecht
Tip2:
zurück zu der Frage zu sehen, klicken Sie auf den Merkzettel )
Gut gemacht, gut Sie gehen :)
Der Schöpfer ist die Flashkarte Bartoszkowalewski90Punkt
Klicken Sie auf Ihre eigenen Lernkarten erstellen :)
Wenn Sie bereit bevorzugen, versuchen Sie unsere professionelle Kurse.
TOEFL - Partikelverben
versuchen Sie es kostenlos
Englisch: Tag 2
versuchen Sie es kostenlos
Wiederholen Sie alle
Wiederholen schwieriger
Ende der Runde
1
Summe
Runde
I
Ich weiß nicht,
1
(
)
(
)
Nächste Runde
Wiederholen Sie, was Sie nicht wissen,
`
1
2
3
4
5
6
7
8
9
0
-
=
Deutsch
English
American English
Français
italiano
Nederlands, Vlaams
Norsk
język polski
português
русский язык
Svenska
español
українська мова
gjuha shqipe
العربية
euskara
беларуская мова
български език
中文, 汉语, 漢語
dansk
Esperanto
eesti keel
føroyskt
suomen kieli
galego
Gàidhlig
ქართული
ελληνικά
עברית
हिन्दी, हिंदी
Bahasa Indonesia
Íslenska
日本語, にほんご
ייִדיש
ಕನ್ನಡ
Қазақша
català, valencià
한국어, 韓國語, 조선어, 朝鮮語
hrvatski jezik
latine
latviešu valoda
lietuvių kalba
Lëtzebuergesch
bahasa Melayu, بهاس ملايو
Malti
македонски јазик
Papiamento
فارسی
Português brasileiro
rumantsch grischun
limba română
српски језик
slovenský jazyk
slovenski jezik
ไทย
český jazyk
Xitsonga
Setswana
Türkçe
magyar
اردو
Tiếng Việt
isiXhosa
isiZulu
q
w
e
r
t
y
u
i
o
p
[
]
\
a
s
d
f
g
h
j
k
l
;
'
z
x
c
v
b
n
m
,
.
/
Ctrl + Alt
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
×
Wählen Sie die richtige Antwort
neuer Test
×
Entdecken Sie alle Paare in der kleinsten Anzahl von Zügen!
0
Treppe
Neues Spiel:
4x3
5x4
6x5
7x6
×
einloggen
einloggen
Einloggen
Anmelden oder E-Mail
Passwort
Einloggen
Passwort vergessen?
Sie haben noch kein Konto?
einloggen
einloggen
Erstellen Sie ein Konto
Starten Sie den Kurs als Geschenk :)
Kostenlos. Ohne Verpflichtungen. Kein Spam.
Ihre E-Mail-Adresse
Erstellen Sie ein Konto
Haben bereits ein Konto?
Ich akzeptiere die
Vorschriften
und
Datenschutzrichtlinie