Vaste voorzetsels

 0    88 Datenblatt    bartoszkowalewski90
mp3 downloaden Drucken spielen überprüfen
 
Frage Antworten
Ik wacht ___ je reactie.
Lernen beginnen
wachten op
Hij klaagt ___ zijn werk.
Lernen beginnen
klagen over
Ze is trots ___ haar dochter.
Lernen beginnen
trots zijn op
Ik heb moeite ___ dit uit te leggen.
Lernen beginnen
moeite hebben met
We zijn afhankelijk ___ het weer.
Lernen beginnen
afhankelijk zijn van
Hij twijfelt ___ zijn beslissing.
Lernen beginnen
twijfelen aan
Ze is tevreden ___ het resultaat.
Lernen beginnen
tevreden zijn met
Ik geloof niet ___ toeval.
Lernen beginnen
geloven in
Hij rekent ___ jouw hulp.
Lernen beginnen
rekenen op
Ze is geïnteresseerd ___ kunst.
Lernen beginnen
geinteresseerd zijn in
Ik ben bang ___ fouten te maken.
Lernen beginnen
bang zijn voor
We bereiden ons ___ het examen.
Lernen beginnen
zich voorbereiden op
Hij is verantwoordelijk ___ het project.
Lernen beginnen
verantwoordelijk zijn voor
Ik ben het niet eens ___ hem.
Lernen beginnen
het eens zijn met
Ze wacht ___ de bus.
Lernen beginnen
wachten op
Hij heeft last ___ stress.
Lernen beginnen
last hebben van
Ik denk vaak ___ mijn toekomst.
Lernen beginnen
denken over
We praten ___ het probleem.
Lernen beginnen
praten over
Hij houdt rekening ___ anderen.
Lernen beginnen
rekening houden met
Ze schaamt zich ___ haar gedrag.
Lernen beginnen
zich schamen voor
Ik ben gewend ___ vroeg opstaan.
Lernen beginnen
gewend zijn aan
Hij maakt zich zorgen ___ zijn baan.
Lernen beginnen
zich zorgen maken over
We zijn blij ___ het resultaat.
Lernen beginnen
blij zijn met
Ik heb vertrouwen ___ hem.
Lernen beginnen
vertrouwen hebben in
Hij reageerde boos ___ het nieuws.
Lernen beginnen
reageren op
Ze heeft bezwaar ___ die beslissing.
Lernen beginnen
bezwaar hebben tegen
Ik ben bekend ___ dat systeem.
Lernen beginnen
bekend zijn met
Hij is goed ___ wiskunde.
Lernen beginnen
goed zijn in
We zijn trots ___ ons team.
Lernen beginnen
trots zijn op
Hij heeft ervaring ___ dit werk.
Lernen beginnen
ervaring hebben met
Ik ben klaar ___ dit gesprek.
Lernen beginnen
klaar zijn met
Ze gelooft sterk ___ zichzelf.
Lernen beginnen
geloven in
Hij is boos ___ zijn collega.
Lernen beginnen
boos zijn op
Hij dringt ___ een snelle oplossing.
Lernen beginnen
aandringen op
We hebben te maken ___ een lastig probleem.
Lernen beginnen
te maken hebben met
Ze baseert haar mening ___ feiten.
Lernen beginnen
baseren op
Ik heb geen invloed ___ die beslissing.
Lernen beginnen
invloed hebben op
Hij beschuldigt hem ___ fraude.
Lernen beginnen
beschuldigen van
We zijn niet zeker ___ de uitkomst.
Lernen beginnen
zeker zijn van
Ze twijfelt sterk ___ haar keuze.
Lernen beginnen
twijfelen aan
Ik ben me bewust ___ de risico’s.
Lernen beginnen
zich bewust zijn van
Hij heeft zich verdiept ___ het onderwerp.
Lernen beginnen
zich verdiepen in
We houden ons ___ de regels.
Lernen beginnen
zich houden aan
Ze heeft geen begrip ___ zijn situatie.
Lernen beginnen
begrip hebben voor
Ik ben teleurgesteld ___ het resultaat.
Lernen beginnen
teleurgesteld zijn in
Hij heeft zich gespecialiseerd ___ IT.
Lernen beginnen
zich specialiseren in
We streven ___ verbetering.
Lernen beginnen
streven naar
Ze rekent ___ een positieve reactie.
Lernen beginnen
rekenen op
Ik maak bezwaar ___ die maatregel.
Lernen beginnen
bezwaar maken tegen
Hij is niet vatbaar ___ kritiek.
być podatnym na
Lernen beginnen
vatbaar zijn voor
We beschikken ___ voldoende middelen.
dysponować czymś / mieć do dyspozycji
Lernen beginnen
beschikken over
Ze beroept zich ___ haar ervaring.
powoływać się na coś
Lernen beginnen
zich beroepen op
Ik zie af ___ dat plan.
Lernen beginnen
afzien van
Hij is geneigd ___ snel te oordelen.
Lernen beginnen
geneigd zijn tot
We hebben behoefte ___ duidelijkheid.
Lernen beginnen
behoefte hebben aan
Ze is overtuigd ___ haar gelijk.
Lernen beginnen
overtuigd zijn van
Ik heb moeite ___ veranderingen.
Lernen beginnen
moeite hebben met
Hij verzet zich ___ die beslissing.
sprzeciwiać się czemuś / stawiać opór / protestować przeciwko
Lernen beginnen
zich verzetten tegen
Hij moet zich voortaan ___ de regels houden.
od tej pory musi przestrzegać zasad
Lernen beginnen
aan
We hebben afgesproken ons voortaan ___ het plan te houden.
umówiliśmy się, że od teraz będziemy trzymać się planu
Lernen beginnen
aan
Zij beloofde zich voortaan ___ de afspraken te houden.
obiecała, że od tej pory będzie dotrzymywać ustaleń
Lernen beginnen
aan
Hij kwam ___ het idee om eerder te vertrekken.
wpadł na pomysł, żeby wyjść wcześniej
Lernen beginnen
op
Hoe ben je ___ dat idee gekomen?
jak wpadłeś na ten pomysł?
Lernen beginnen
op
Ze is pas later ___ het idee gekomen.
dopiero później wpadła na ten pomysł
Lernen beginnen
op
Zijn mening ___ naar links.
skłania się ku (poglądy)
Lernen beginnen
neigt
Het gesprek ___ naar een conflict.
zmierza ku czemuś (tendencja)
Lernen beginnen
neigt
Ik ___ ernaar om dat voorstel te accepteren.
mieć skłonność do czegoś
Lernen beginnen
neig
Succes is ___ ___ met hard werken.
coś zawsze idzie w parze z czymś
Lernen beginnen
onlosmakelijk verbonden
Vrijheid is ___ ___ met verantwoordelijkheid.
nierozerwalnie związane z
Lernen beginnen
onlosmakelijk verbonden
De docent legde de ___ ___ grammatica.
położyć nacisk na
Lernen beginnen
nadruk op
In dit rapport wordt de ___ ___ duurzaamheid gelegd.
podkreślać coś
Lernen beginnen
nadruk op
Zij legt veel ___ ___ samenwerking.
kłaść duży nacisk
Lernen beginnen
nadruk op
Hij geeft eigenlijk niet ___ wat anderen denken.
nie przejmuje się
Lernen beginnen
om
Ze geeft wel ___ haar familie.
zależy jej na kimś
Lernen beginnen
om
De docent legde de ___ ___ grammatica.
położyć nacisk na
Lernen beginnen
nadruk op
In dit rapport wordt de ___ ___ duurzaamheid gelegd.
podkreślać coś
Lernen beginnen
nadruk op
Zij legt veel ___ ___ samenwerking.
kłaść duży nacisk
Lernen beginnen
nadruk op
Hij geeft eigenlijk niet ___ wat anderen denken.
nie przejmuje się
Lernen beginnen
om
Ze geeft wel ___ haar familie.
zależy jej na kimś
Lernen beginnen
om
De arts ___ het hem ___ roken.
van
Lernen beginnen
raadde
odradzić coś
Ik zou je ___ ___ om dat te doen.
van
Lernen beginnen
afraden
odradzać jakiś pomysł
Ze hebben mij sterk ___ ___ die investering.
van
Lernen beginnen
afgeraden
stanowczo odradzić
Mensen ___ zich ___ huis tijdens de lockdown.
op in
Lernen beginnen
sloten
zamykać się w domu
Hij ___ zich dagenlang ___ zijn kamer.
op in
Lernen beginnen
sloot
zamykać się w pokoju
Het is ongezond om je zo ___ ___ huis.
izolować się w domu
Lernen beginnen
op te sluiten in
Zij ___ zich ___ voor het milieu.
in
Lernen beginnen
zetten
angażować się na rzecz
Veel vrijwilligers ___ zich ___ kwetsbare mensen.
in
Lernen beginnen
zetten
poświęcać się komuś
De organisatie ___ zich actief ___ onderwijs.
in
Lernen beginnen
zet
aktywnie działać na rzecz

Sie müssen eingeloggt sein, um einen Kommentar zu schreiben.